Nieuwsbrief

Wijs op werk #59: Veertig Halloweens

Dit weekend moet ik spoken bestellen.

Niet metaforisch. Mijn jongste dochter en ik hebben afgesproken dat het dit jaar spoken worden, en dus zit ik straks op een website vol gaas, nepgrafstenen en bewegende lakens te bekijken wat er nog bij moet. Halloween is pas op 31 oktober, maar wie het deftig wil doen, begint nu.

We doen dat al een paar jaar. In oktober bouwen we de voortuin om, en op de avond zelf staan we daar verkleed snoep uit te delen. Er komen kinderen uit de hele buurt langs, want het is rondgegaan dat er bij ons een goede buit te halen valt. Vorig jaar heb ik er met een suikerspinmachine gestaan. Voor de kinderen, uiteraard. Al leken de mama’s en papa’s zelf ook wel geïnteresseerd.

Mijn oudste is bijna vijftien en doet niet meer mee. Halloween is voor kinderen, en dat is ze officieel niet meer. De jongste is er nog helemaal mee bezig. Volgend jaar kan dat anders zijn.

Reken even mee. Ik ben vijftig. Word ik negentig (ik ben optimistisch), dan heb ik nog veertig Halloweens te gaan. Maar van deze Halloweens, met een dochter die zelf de grafstenen uitkiest, zijn er misschien nog twee. Misschien is dit de laatste al.

Tim Urban maakte zo’n rekening in The Tail End. Hij berekende dat hij, toen hij het ouderlijk huis uit ging, het overgrote deel van alle tijd die hij ooit met zijn ouders zou doorbrengen al achter de rug had. Je kan dus in de staart van iets zitten terwijl je leven zelf nog lang niet voorbij is.

Alleen weet je zelden dat een laatste keer de laatste keer is.

Ik deed jaren geleden ’s avonds bij het slapengaan voor mijn dochters een poppenspel met Egel en Uil. Twee handpoppen, verhalen die ik ter plekke verzon, en een publiek van twee dat er nooit genoeg van kreeg. Tot het ophield. Er is een laatste voorstelling geweest, en niemand in die kamer, ikzelf incluis, heeft op dat moment beseft dat het de laatste was. Geen grand finale, geen afscheid, gewoon een avond die achteraf de laatste bleek. Egel en Uil zitten nu in een doos op zolder, en ik weet dat ze daar blijven.

Op het werk gaat het net zo.

Ik heb jarenlang consultaties gedaan met een papieren dossier. Ik had daarvoor een enorme stempel laten maken: anamnese, klinisch onderzoek, longen, hart, alles in vakjes, ik hoefde enkel nog in te vullen wat ik vond. Bijzonder efficiënt, en ik heb er jaren plezier van gehad. Tot we naar een elektronisch dossier overgingen en die stempel van de ene maand op de andere nergens meer op paste.

Er is ook een laatste werknemer die ik als arbeidsarts heb onderzocht. Het was ter vervanging van een collega, toen er niemand anders te vinden was en onze operations manager me wist te overtuigen om nog eens de stethoscoop boven te halen. Ik herinner me zelfs dat ik het leuk vond en dacht: hoe en waarom ben ik hier eigenlijk mee gestopt? Alleen wist ik toen niet dat ik het daarna nooit meer zou doen.

Organisaties zijn goed in beginnen. Onboarding, kick-offs, lanceringen, een mail naar iedereen. Voor het einde van iets hebben we bijna niets. Een werkwijze, een rapport, een overleg, een dienstverlening: meestal worden die niet beëindigd. Ze worden gewoon op een dag voor het laatst gedaan.

Dat je niet weet wanneer iets voor het laatst gebeurt, is één probleem. Het omgekeerde bestaat ook. Soms weten we heel goed dat iets het einde nadert, en beginnen we het daarom vroeger te verwaarlozen. In vergaderingen valt geregeld het argument dat iets “toch gaat verdwijnen”: het systeem wordt vervangen, de regelgeving verandert, dus laten we er geen energie meer in steken. Soms is dat verstandig. Maar “het verdwijnt toch” is op zichzelf geen argument. Zolang mensen ermee werken, telt ook de kwaliteit van de staart.

Die stempel van mij is dus intussen volslagen nutteloos. Maar ik heb er veel aan gehad. Hij was elke euro waard.

En zo bestel ik straks spoken. Voor een dochter die volgend jaar misschien liever iets anders doet, met een suikerspinmachine die ooit Egel en Uil gezelschap komt houden op zolder. Maar in oktober staat die voortuin er weer.

Alsof we dit nog jaren gaan doen.


Deze week zette ik acht artikels online:

  1. Langdurig verzuim wordt niet goedkoper door de rekening te verplaatsen – Werkgevers ontlasten bij langdurige ziekte klinkt aantrekkelijk, maar de Nederlandse doorrekeningen tonen vooral waar de rekening daarna terechtkomt.
  2. Zachte mobiliteit duwt arbeidswegongevallen omhoog terwijl de werkvloer veiliger wordt – De werkvloer wordt veiliger, maar op weg ernaartoe stijgen de ongevallen met fietsen, e-steps en speedpedelecs stevig door.
  3. Kerosine-uitstoot: kankerverwekkend geacht, maar nog zonder advieswaarde – Kerosine-uitstoot wordt vermoedelijk kankerverwekkend geacht, terwijl een concrete gezondheidskundige grens voorlopig nog ontbreekt.
  4. Taxichauffeurs sterven het minst aan alzheimer, piloten bijna het meest – Taxichauffeurs vallen opvallend laag uit in de alzheimersterfte, en precies het voortdurend zelf navigeren maakt dat resultaat interessant.
  5. Re-integratie van zelfstandigen: 35.000 in invaliditeit, 615 formele trajecten in 2024 – Tienduizenden zelfstandigen zitten in invaliditeit, maar slechts enkele honderden starten een formeel re-integratietraject.
  6. Wie enkel vacatures doorstuurt, weigert redelijke aanpassingen – Een lijst vacatures doorsturen is geen re-integratie als niemand ernstig onderzoekt hoe de bestaande job aangepast kan worden.
  7. Religieus vrijwilligerswerk op het cv kost uitnodigingen, ongeacht de religie – Vrijwilligerswerk helpt op een cv, behalve wanneer het in een kerk of moskee gebeurt: dan daalt de uitnodigingsscore.
  8. Lange werkuren en tandbederf: het verband is het sterkst bij wie goed poetst – Lange werkweken hangen samen met iets meer cariës, maar juist bij wie goed poetst en naar de tandarts gaat is het verband het sterkst.

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.