Artikel

Kerosine-uitstoot: kankerverwekkend geacht, maar nog zonder advieswaarde

De Nederlandse Gezondheidsraad adviseert om kerosinemotoremissie te classificeren als verondersteld kankerverwekkend voor mensen (categorie 1B) en als verdacht van het veroorzaken van erfelijke mutaties (categorie 2). Het advies van 2 juli 2026 is opgesteld samen met de Nordic Expert Group, op vraag van Nederland, Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden. In hetzelfde rapport staat dat er geen gezondheidskundige advieswaarde kan worden afgeleid. Er komt dus geen waarde specifiek voor dit mengsel waaruit rechtstreeks een eigen grenswaarde volgt.

Dieselgegevens vullen het beperkte bewijs over kerosine-uitstoot aan

Er is onderzoek naar kerosinemotoremissie, maar het is beperkt en op zichzelf onvoldoende voor een classificatie. De commissies vullen het aan met de veel omvangrijkere gegevens over dieselmotoremissie. Beide mengsels komen voort uit ruwe olie, en hun verbrandingsproducten bestaan uit vergelijkbare stoffen met vergelijkbare fysisch-chemische eigenschappen. Op grond daarvan gaan de commissies uit van vergelijkbare toxicologische effecten. Het IARC classificeerde dieselmotoremissie eerder als kankerverwekkend voor de mens, groep 1.

Bij mutageniteit vraagt die redenering wat meer uitleg. De voorgestelde classificatie betreft mutageniteit in geslachtscellen, en daarover zijn er voor kerosine-uitstoot geen gegevens. Ook de dieselgegevens over geslachtscellen zijn onvoldoende. Hoewel directe gegevens ontbreken, achten de commissies het beperkte bewijs in somatisch weefsel samen met de analogie met diesel voldoende voor categorie 2.

Voor een advieswaarde ontbreekt de blootstellingsindicator

Een gezondheidskundige advieswaarde vereist een specifieke en meetbare indicator van blootstelling, en die is voor kerosinemotoremissie nog niet vastgesteld. Ze vereist daarnaast een kwantitatieve blootstelling-responsrelatie, en de gegevens daarover zijn te beperkt. Zo’n advieswaarde is de wetenschappelijke basis waarop een overheid later een wettelijke grenswaarde kan bouwen.

De analogie met diesel helpt hier niet verder. De dieselrelatie is opgebouwd rond elementair koolstof. Dat elementair koolstof zit ook in kerosinedeeltjes, maar de hoeveelheid ervan is onvoldoende vastgesteld in verhouding tot de gezondheidseffecten. De commissies vragen daarom vergelijkend onderzoek waarin dat gehalte gekwantificeerd wordt.

Op het platform worden de hoogste concentraties gemeten

De uitstoot bestaat voor een groot deel uit zeer kleine deeltjes die bij de verbranding ontstaan. Die ultrafijne deeltjes en de eraan gebonden stoffen, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen, kunnen na inademing diep in de longen doordringen en de longblaasjes bereiken. Van daaruit kunnen ze celmembranen passeren en in de bloedsomloop terechtkomen.

Wat er precies wordt uitgestoten, verschilt sterk. De samenstelling hangt af van het motortype, de brandstof, het motorvermogen en de weersomstandigheden. Het rapport noemt bagagemedewerkers, technici en het personeel dat vliegtuigen sleept en terugduwt. De hoogste gemeten concentraties liggen op het platform.

Blootstelling is in verband gebracht met ontstekingsreacties, verminderde longfunctie en verergering van bestaande longaandoeningen. Verschillende componenten van het mengsel zijn bovendien zelfstandig geclassificeerd als bewezen, waarschijnlijke of mogelijke kankerverwekkende stoffen. Voor een deel daarvan bestaan wettelijke grenswaarden.

Lees ook: Ultrafijne uideeltjes rond luchthavens - klein, complex en onderschat

De Belgische vertaling steunt op andere bronnen dan dit rapport

Het rapport beoordeelt de Nederlandse en Scandinavische situatie. Het bevat geen analyse van de Belgische regelgeving, van de organisatie op onze luchthavens of van het gezondheidstoezicht hier. Wat volgt is een eigen inschatting, met bronnen die daar los van staan.

De commissies adviseren om bestaande grenswaarden toe te passen: die voor dieselmotoremissie, en die voor componenten zoals PAK’s en metalen. Ze voegen eraan toe dat onbekend is of die bescherming volstaat tegen het totale mengsel. Dat voorbehoud is de kern van het advies.

Het advies wijzigt op zichzelf de Belgische regelgeving niet. Kerosinemotoremissie heeft naar mijn weten geen geharmoniseerde Europese classificatie en komt als zodanig niet in de Codex voor. De verplichting om chemische agentia te analyseren hangt echter niet af van het bestaan van een grenswaarde. Een gepubliceerde wetenschappelijke beoordeling is precies het soort informatie dat in zo’n analyse thuishoort.

Op de Belgische burgerluchthavens en militaire vliegbases is de werkgever zelden de luchthavenuitbater. Grondafhandelaars, onderhoudsbedrijven, cateraars en tankdiensten voeren elk hun eigen preventiebeleid, op een terrein dat ze delen.

Eigen aanbevelingen, buiten het rapport om

  • Benoem kerosinemotoremissie als apart agens in de risicoanalyse, naast de verzamelrubriek uitlaatgassen, en leg vast welke functies en taken eronder vallen.
  • Meet elementair koolstof waar dat als operationele indicator nuttig is, maar behandel het niet als een gevalideerde maat voor de totale blootstelling aan het mengsel.
  • Meet de componenten waarvoor wel grenswaarden bestaan, en registreer bij elke meting het motorvermogen, de positie en het weer.
  • Leg de blootgestelde functies voor aan de arbeidsarts en bepaal of het gezondheidstoezicht voor kankerverwekkende agentia erop van toepassing is.
  • Zet de technische maatregelen op het jaaractieplan: elektrische grondafhandeling, vaste stroom- en luchtvoorziening aan de gate zodat het hulpaggregaat aan boord uit kan, en de positie van de luchtinname van pauze- en kantoorruimtes.
  • Agendeer het advies in het CPBW voordat het Europese debat over een grenswaarde begint.

De gevarenclassificatie en de kwantitatieve norm steunen op verschillende soorten bewijs, en alleen de eerste stap kan met de analogie gezet worden. Zolang een blootstellingsindicator ontbreekt, bepaalt elke organisatie zelf wie ze als blootgesteld beschouwt. Welke functies, taken en locaties beschouwt uw organisatie vandaag als blootgesteld aan kerosine-uitstoot, en op welke metingen en werkomstandigheden is dat gebaseerd?