Nieuwsbrief

Wijs op werk #61: De oranje trui

Er lag een roodborstje op de grond, vlak onder het raam.

Tegen het glas gevlogen, ik had het zien gebeuren. Het leefde nog, maar het lag op de rug te spartelen. Ik zette het recht, hield mijn vinger ervoor en het ging erop zitten. (Heel even voelde ik me warempel een Disneyprinses.)

Ik heb het mee naar binnen genomen, om het even te laten bekomen. Een kwartier lang bleef het versuft op mijn vinger zitten, zonder te bewegen. Toen bedacht ik dat een vogel die bijkomt naar buiten wil, en dat de kortste weg daarheen voor zo’n beestje blijkbaar dwars door een ruit loopt. Ik heb het weer buiten gezet.

En dan? Wat als het er straks nog zit? Er staat hier nog ergens een hamsterkooi. Of moet de natuur gewoon haar gang gaan?

Een uur later was het weg. Ik heb besloten dat dat goed nieuws is.

Over het begin heb ik niet nagedacht. Er ligt een roodborstje, ik raap het op. Wat daarna moest gebeuren, zou ik wel zien.

Zo vanzelfsprekend is ingrijpen niet zodra er anderen bij zijn. Ik lees momenteel Classic Case Studies in Psychology, en een van die casussen gaat over het omstandereffect. Bibb Latané en John Darley testten dat in 1968 met rook. Een student zat in een wachtkamer een vragenlijst in te vullen toen er rook uit een rooster in de muur kwam. Wie daar alleen zat, meldde de rook in drie gevallen op vier. Zaten er twee anderen bij die onverstoorbaar bleven doorschrijven, dan gebeurde dat nog maar één keer op tien. De rest bleef zitten, hoestend boven de vragenlijst.

Wie iets ziet gebeuren terwijl anderen niets doen, wordt zelf minder geneigd om in te grijpen. De verantwoordelijkheid verdeelt zich over de aanwezigen, en wie twijfelt, kijkt naar de rest. Die zit daar rustig. Dus zal het wel meevallen. (Wie ooit een brandalarm hoorde afgaan in een volle vergaderzaal, weet hoelang iedereen eerst naar elkaar kijkt.)

Zou ik zelf opstaan? Ik denk van wel. Dat denkt iedereen, tot de dag zelf. Mijn roodborstje bewijst alvast niets: er stond niemand omheen naar wie ik kon kijken om te peilen of dit wel mijn zaak was.

Er is ook goed nieuws. Onderzoekers die camerabeelden van straatruzies bekeken, zagen in negen gevallen op tien minstens één omstander iets doen. Het effect speelt vooral waar onduidelijk is wat er aan de hand is. Rook van onbekende oorsprong. Of twee collega’s die elkaar in een vergadering net iets te koel aankijken.

Tegen de tijd dat die koelte een conflict heet en op het bureau van een leidinggevende of een preventieadviseur belandt, heeft ze meestal al maanden publiek gehad. Twee mensen die elk apart sterk werk leveren, en tussen wie het toch breekt. Het hele team ziet dat gebeuren. “Iemand zou daar eens iets van moeten zeggen” is de zin waarmee de meeste conflicten hun eerste halfjaar doorkomen. Somebody else’s problem.

Vrijdagnamiddag gaf ik les aan mensen die preventieadviseur psychosociale aspecten willen worden. Zij worden straks die “iemand”. Samen met de vertrouwenspersoon vormen ze het vangnet.

Dat systeem verdedig ik elke dag; ik leid een dienst die het mee draaiende houdt. Maar het heeft een bijwerking. Wie weet dat er iemand voor aangeduid is, voelt zich zelf wat minder geroepen. We winnen er één iemand bij die moet ingrijpen, en riskeren er een heel team te verliezen dat vindt dat het nu geregeld is. Die ene zit bovendien niet in de vergadering waar het begint te schuren. Die hoort het pas wanneer iemand het komt vertellen.

Er hangt rook in de kamer, maar er bestaat toch een brandweer?

Elke EHBO-cursus kent de remedie. Wie bij een reanimatie roept dat iemand de hulpdiensten moet bellen, krijgt een kring mensen die naar elkaar kijken. Dus leer je aanwijzen: jij, met de oranje trui, bel 112 en kom me zeggen dat ze onderweg zijn. Eén persoon, bij naam of bij trui. Die is op slag geen omstander meer.

Zie je het ergens schuren, wacht dan niet tot iemand er iets van zegt. Kies een naam. De jouwe mag ook.


Deze week zette ik zeven artikels online:

  1. Psychosociale preventie in de bouw: vrijwillig instappen is nog geen draagvlak – Tien bouwbedrijven stapten vrijwillig in een begeleidingstraject, maar hun bereidheid om psychosociale preventie echt in het beleid te verankeren bleek sterk te verschillen.
  2. De vaste nachtploeg heeft een prijs: 39 procent meer psychofarmaca bij verpleegkundigen – Verpleegkundigen en zorgkundigen die permanent ’s nachts werken, krijgen 39 procent vaker herhaald kalmeermiddelen of antidepressiva voorgeschreven dan wie alleen overdag werkt.
  3. Wie mag in uw organisatie beslissen dat een klant moet vertrekken? – Agressiebeleid gaat vaak over opleiding, camera’s en opvang, terwijl de beslissende vraag elders ligt: wie heeft het mandaat om een agressieve klant daadwerkelijk te weren?
  4. Drie veroordeelde werkgevers, en geen van drie onderzocht de bestaande functie – Drie werkgevers werden veroordeeld na mislukte re-integratie, en telkens ontbrak dezelfde stap: aantonen welke taken van de bestaande functie wel of niet aangepast konden worden.
  5. Arbeidspotentieel zonder werkplek: vier op de tien bedrijven krijgen aangepast werk niet rond – Vier op de tien ondernemingen vinden aangepast werk moeilijk of onmogelijk te organiseren, waardoor arbeidspotentieel nog lang geen garantie is op een werkplek.
  6. Vier Britse dossiers, vier keer een toestand die er al stond – Vier zware machineongevallen verschilden sterk in letsel en boete, maar hadden één patroon gemeen: de gevaarlijke afwijking was al geruime tijd zichtbaar vóór het ongeval.
  7. De functie waar iemand naar terugkeert, bepaalt mee of de re-integratie standhoudt – Werknemers in zwaar belaste beroepen hervatten minder vaak duurzaam na revalidatie, waardoor een terugkeercijfer zonder rekening te houden met de functie een deel van het verhaal mist.

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.