“En wat gaat dat nu concreet betekenen voor ons?”
Ik krijg die vraag de laatste weken met enige regelmaat. En ik verwacht ze de komende weken nog vaker.
Er ligt een ontwerp-KB voor advies bij de Hoge Raad dat het landschap van de externe preventiediensten grondig kan hertekenen. Ik ga er hier niet in detail op in: de gesprekken lopen nog en het onderwerp ligt gevoelig.
Ondertussen moeten we wel schakelen. De verwachting is dat het ontwerp-KB dit jaar nog wordt gepubliceerd en zonder overgangsperiode in werking treedt op 1 januari 2027.
We moeten dus handelen vóór we exact weten waarop we ons concreet moeten voorbereiden.
Ik las recent Fluke: Chance, Chaos, and Why Everything We Do Matters van Brian Klaas, over hoe slecht wij omgaan met toeval en onzekerheid. Ons brein is een patroonmachine, terwijl de wereld vaak te complex is om zich netjes in patronen te laten vangen. Achteraf maken we er dan een verhaal van dat logischer klinkt dan wat er werkelijk gebeurde.
Een interessant voorbeeld uit het boek: In de jaren zeventig trok antropoloog Michael Dove naar Borneo, naar de Kantu’. Zij kiezen elk jaar een nieuwe plek voor hun rijstveld aan de hand van vogels. Zeven soorten, in hun geloof de schoonzonen van God. Een boer trekt het bos in en wacht op de juiste combinatie: welke vogel verschijnt, in welke volgorde, links of rechts van hem. Daar legt hij zijn veld aan.
Dove dacht aanvankelijk dat die vogels iets over de bodem moesten aangeven. Een ecologische indicator, verpakt in een ritueel. Hij liep jarenlang mee, mat de oogsten en vond… niets. Het systeem was zo fijnmazig dat het in de praktijk neerkwam op toeval.
Alleen deden de Kantu’ het beter dan hun buren.
Die buren redeneerden namelijk wél. Zij zochten de plek waar de grond het meeste opbracht en plantten daar. Verstandig! Tot het jaar waarin het misging. Want in een bos waar regen, plagen en overstromingen zich niets aantrekken van jouw redenering, betekent “iedereen op de beste plek” ook: “iedereen tegelijk getroffen”.
Dit is uiteraard geen pleidooi om te dobbelen. Ik ga onze meerjarenplanning niet laten bepalen door de duiven op de parking. Niet nog eens.
Het punt dat ik wil maken: Er zijn omgevingen waarin je genoeg weet om te optimaliseren. En er zijn omgevingen waarin je dat niet weet. De fout van de buren was dat ze hun hele oogst op één voorspelling zetten in een systeem dat te complex was om betrouwbaar te voorspellen.
Daar zit voor mij ook het risico bij strategische plannen. De verleiding is groot om te bepalen wat het waarschijnlijkste scenario is en daar vervolgens alles op af te stemmen. Maar hoe stelliger je voorspelling, hoe kwetsbaarder je wordt wanneer de werkelijkheid een andere richting uitgaat.
Twee weken geleden schreef ik hier iets wat daar op het eerste gezicht haaks op lijkt te staan, over onze tweedaagse en over maximaal vijf prioriteiten voor de hele groep. Focus! En wat, nu kom ik plots af met “Spreiding!”?
Nee. Focus gaat over hoeveel dingen je tegelijk doet. Spreiding gaat over hoeveel toekomsten je aankan. Vijf prioriteiten kiezen die alleen waarde hebben in één versie van de toekomst, is dezelfde fout maken als de buren van de Kantu’: alles inzetten op één veld.
Bij een strategie moet je de vraag stellen: Is dit ook nuttig als de toekomst toch net iets anders uitvalt dan we verwachten? Maak keuzes die renderen ongeacht de uitkomst. Probeer niet elke individuele golf te voorspellen, maar zorg ervoor dat je organisatie leert surfen.
En er is nog een andere kant aan. Minder over strategie, meer over de mensen die ze moeten uitvoeren. Want wat medewerkers minstens evenzeer uitput als de verandering zelf, is de opeenvolging van plannen die met grote stelligheid worden aangekondigd en drie maanden later stilletjes worden ingetrokken. Zo creëer je cynisme: Daar zijn ze weer met hun volgende “brilliant scheme”.
Eerlijk zeggen wat je weet, wat je niet weet en wat je intussen toch doet, houdt langer stand.
De Kantu’ hadden hun vogels. Wij hebben scenario’s. En het ongemak dat we geen ervan met zekerheid kunnen bevestigen.
Werken je plannen alleen als de toekomst exact uitdraait zoals je vandaag vermoedt? In dat geval, good luck!
Deze week zette ik zeven artikels online:
- Tijdelijke overmacht: langs re-integratie, op één vakje na – Voor een uitkering wegens tijdelijke medische overmacht is vandaag meestal een C27 en dus een re-integratietraject nodig. Eén vakje op het C6 vormt de uitzondering, al spreekt het formulier daarover de RVA-website tegen.
- AI in preventie: de baten worden geloofd, de schade is gemeten – De voordelen van AI in preventie steunen vooral op verwachtingen, terwijl psychosociale risico’s en gezondheidsklachten al wel gemeten zijn. Ook menselijk toezicht is geen automatische waarborg: in 106 studies presteerden mens en AI samen gemiddeld slechter dan de beste van beide afzonderlijk.
- Een aftrekbare computerbril is nog geen beeldschermbril – Een hof aanvaardde een computerbril van een bedrijfsleider als beroepskost, maar dat verandert niets voor werknemers. Een werkgever moet alleen tussenkomen wanneer een gewone bril niet volstaat en de aangepaste correctie uitsluitend voor de werkafstanden nodig is.
- Achttien jaar, alleen op de werf, en niemand die haar miste – Een achttienjarige leerling-schrijnwerker kwam om toen een onbeveiligde stapel platen op haar viel. Ze werkte alleen en werd pas uren later gevonden. De zaak toont waarom alleenwerk voor jonge en onervaren medewerkers een expliciete risicoanalyse én een sluitende afmeldprocedure vraagt.
- De minimumtarieven van uw externe preventiedienst stijgen in 2027 met 4,04 procent – Volgens de recentste raming wordt de spilindex in 2026 tweemaal overschreden. Als die raming uitkomt, stijgen de minimumtarieven van externe preventiediensten op 1 januari 2027 met 4,04 procent in plaats van 2 procent.
- Wie deels open is over hun ziekte, valt het vaakst uit – Werknemers die hun aandoening wel melden maar verzwijgen hoe zwaar die op het werk weegt, hebben de meeste afwezigheid en het grootste productiviteitsverlies. Niet alleen het ondersteuningsaanbod telt: vooral de ervaren veiligheid van de werkcultuur bepaalt hoeveel medewerkers werkelijk vertellen.
- Een derde van de dodelijke arbeidsongevallen treft 60-plussers – Zestigplussers vormen 12 procent van de Britse beroepsbevolking, maar 32 procent van de dodelijke arbeidsongevallen. Ook zelfstandigen zijn sterk oververtegenwoordigd. Risicoanalyses en veiligheidsrapporten moeten daarom leeftijd per functie én de ongevallen van onderaannemers zichtbaar maken.
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.