Artikel

Een derde van de dodelijke arbeidsongevallen treft 60-plussers

Tussen april 2025 en maart 2026 kwamen in Groot-Brittannië 126 werkenden om bij een arbeidsongeval. Hiervan was 32 procent zestig jaar of ouder, terwijl die leeftijdsgroep 12 procent van de Britse beroepsbevolking vormt. Het Health and Safety Executive publiceerde die cijfers in augustus 2026.

Lees ook: Dodelijke arbeidsongevallen in het VK: wat leren we uit de nieuwste cijfers?

Wie 65 of ouder is, loopt vier keer het gemiddelde risico

Over de vijf jaren tot maart 2026 lag het risico op een dodelijk arbeidsongeval op 0,39 per 100.000 werkenden. Voor de leeftijdsgroep 60 tot 64 was dat 0,68, voor 65-plussers 1,65. De stijging begint al eerder: 0,54 vanaf 55 jaar, tegenover 0,21 bij de groep van 25 tot 34. Dat patroon keert elk jaar terug in dezelfde vorm.

Twee verklaringen liggen voor de hand: 1. Oudere werkenden zijn oververtegenwoordigd in de landbouw en in zelfstandige bouwactiviteiten, waar het basisrisico hoog ligt. 2. Daarnaast overleeft een ouder lichaam eenzelfde val of aanrijding minder vaak. Het rapport splitst die twee effecten niet uit, dus het aandeel van elk blijft wel onbekend.

Voor organisaties is dat onderscheid wel bepalend. De pensioenleeftijd schuift op en de krapte op de arbeidsmarkt houdt mensen langer aan het werk. Wie zestigers in dezelfde functies houdt als vroeger, verhoogt daarmee het risicoprofiel van die functies, zonder dat er iets aan de werkpost verandert.

Een derde van de dodelijke ongevallen betrof zelfstandigen

Zelfstandigen vormen ongeveer 15 procent van de Britse beroepsbevolking en leveren ongeveer een derde van de dodelijke ongevallen. Hun risico ligt over vijf jaar ongeveer drie keer hoger dan dat van werknemers, en dat verschil geldt in elke grote sector. In de landbouw was 64 procent van de dodelijke ongevallen een zelfstandige, in de bouw 46 procent en bij administratieve en ondersteunende diensten 43 procent.

Dat laatste cijfer verdient aandacht van wie uitbesteedt aan derden. Schoonmaak, bewaking, groenonderhoud en logistieke ondersteuning gebeuren vaak door mensen die op het terrein van de opdrachtgever werken zonder op de loonlijst te staan. Blijft de veiligheidsrapportering beperkt tot de eigen payroll, dan valt precies de groep met het hoogste risico buiten beeld. De cijfers die het directiecomité ziet, zien er dan beter uit dan de werkelijkheid op de site. (Ik hoop dat ik hiermee niemand op ideeën breng).

De bouw daalde fors, de afvalsector ging de andere kant op

De bouwsector telde 25 doden, tegenover een jaargemiddelde van 37 over de voorbije vijf jaar. Landbouw, bosbouw en visserij bleven op 22 staan, vrijwel gelijk aan het gemiddelde van die periode. Afval en recyclage kwam uit op 5,47 doden per 100.000 werkenden, tegenover een gemiddelde van 4,03. De landbouw blijft met 8,09 de hoogste van alle sectoren, eenentwintig keer het gemiddelde over alle sectoren samen.

Vallen van hoogte veroorzaakte 31 doden, ongeveer een kwart van het totaal. In de bouw gaat het over meer dan de helft van alle dodelijke ongevallen van de afgelopen vijf jaar, gemiddeld 19 per jaar. Sinds minstens 2001/02 staat die oorzaak bijna elk jaar bovenaan. De bliksemactie van de Belgische arbeidsinspectie kwam tot hetzelfde besluit voor onze werven.

Deze telling meet wel iets anders dan de Belgische

De Britse meldingsregeling RIDDOR laat verschillende categorieën buiten beschouwing. Verkeersongevallen op de openbare weg vallen erbuiten, net als woon-werkverkeer en overlijdens door natuurlijke oorzaak, tenzij die het gevolg zijn van een trauma bij het ongeval. Die laatste uitsluiting weegt zwaar. In Frankrijk gaat bijna zes op de tien sterfgevallen op het werk over overlijdens zonder externe oorzaak, zoals een hartstilstand tijdens de shift.

Het totaal van 126 is dus niet bruikbaar als vergelijkingspunt met een Belgisch cijfer. De verhoudingen binnen dat cijfer zijn dat wel. Een leeftijdsgroep die 12 procent van de werkenden vertegenwoordigt en een derde van de doden levert, wijst op een structureel verschil in blootstelling of in kwetsbaarheid. Dat verschil staat in geen enkel land in de wetgeving, wel in de risicoanalyse van elke individuele werkpost.

De leeftijdsopbouw per functie zegt meer dan die van de organisatie

Drie beslissingen volgen uit deze cijfers:

  • Breng de leeftijdsopbouw in kaart per functiecategorie, niet voor de organisatie als geheel. De bruikbare vraag is hoeveel zestigers vandaag op hoogte werken, machines bedienen of alleen op de baan zijn.
  • Neem onderaannemers en zelfstandigen op in de ongevalcijfers die naar het directiecomité gaan, met vermelding van hun aandeel in de gewerkte uren op de site.
  • Beslis welk werk op hoogte nog met ladder of trap mag gebeuren, en vanaf welke hoogte of duur een alternatief verplicht wordt.

Het gewicht in de Britse ongevallencijfers verschuift naar oudere werkenden en naar mensen zonder arbeidsovereenkomst. Oudere medewerkers zitten wel in de veiligheidscijfers, maar zelden uitgesplitst naar leeftijd per functie. Onderaannemers en zelfstandigen zitten er vaak helemaal niet in. Hoeveel van deze groepen mensen, die vandaag op uw terrein werken, zijn te identificeren in de veiligheidscijfers die u elk kwartaal krijgt?

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.