Nieuwsbrief

Wijs op werk #54: De lege snelweg

Ergens in april 2020 reed ik op een dinsdagochtend naar een bedrijf. Kwart voor acht, E40, en ik was daar zowat alleen. Drie vrachtwagens en ik. Ik weet nog precies wat ik dacht: dit is fantastisch.

Ik zeg tegenwoordig geregeld dat de coronaperiode de beste tijd van mijn leven was.

Dat is een zin die je beter niet luidop uitspreekt zonder erbij te zeggen wat je bedoelt. Er zijn mensen die in die maanden een ouder, een partner, een collega verloren hebben. Voor hen is het de slechtste tijd van hun leven, en dat blijft het.

Maar professioneel gesproken heb ik nooit meer zoveel in beweging gekregen als toen. Alle regels moesten overboord, dus gingen ze overboord. We hebben onszelf in enkele weken heruitgevonden. Teleconsultaties opgezet. Adviezen geschreven voor werkgevers die nog nooit een preventieadviseur van dichtbij hadden gezien. Overleg met de teams op een frequentie en een tempo die we nadien nooit meer gehaald hebben. Podcasts, webinars, en met z’n allen leren werken met Teams: een steile leercurve, en ik vond het geweldig.

Alleen hou ik dagboeken bij. En daar staat iets anders in.

Daar staat een mailbox met meer dan vijfhonderd mails per dag. Mensen die in een grootwarenhuis moesten blijven doorwerken op een moment dat er nog geen maskers wáren, en die van mij zekerheden verwachtten. Welke kon ik hun geven? Geen. Daar staan besmettingen op onze eigen werkvloer, en collega’s die er zwaar ziek van werden. Daar staat mijn bezorgdheid over mijn ouders, die toen al op leeftijd waren. En daar staat, met opvallend veel woorden en expletieven beschreven, de inspectie die oordeelde dat onze teleconsulten onwettig waren en dat de fysieke onderzoeken gewoon moesten doorgaan, want zó groot was dat risico nu ook weer niet.

De dominante emotie in die bladzijden is niet enthousiasme. Het is what the hell is going on.

Psychologen noemen dat de “fading affect bias”: de negatieve lading van een herinnering vervaagt sneller dan de positieve. Het verhaal blijft, de misère lekt eruit. Handig ontwerp, anders begon niemand ooit nog aan iets moeilijks. Maar het maakt van elke terugblik een onbetrouwbare getuigenis, en van mijn geheugen dus ook.

Nu, wat ik eigenlijk mis, is niet zozeer de crisis an sich, maar het mandaat dat het met zich meebracht.

Want dat is wat er in maart 2020 echt gebeurde. Niet dat wij plots slimmer of sneller werden, wel dat alles wat ons normaal afremt tijdelijk werd opgeschort. Twijfel mocht even. Een halfslachtige oplossing die morgen werkte, won het van een goede oplossing over acht maanden. Teleconsulten waren onwettig tot ze plots toch konden. En een dossier waarvan ik je kan verzekeren dat het al een kwarteeuw stillag, bewoog in drie weken.

De verleiding is dan om de crisis te willen terughalen. Kijk wat we toen konden, waarom lukt dat nu niet meer? Maar dat is een dure gedachte. Die snelheid is betaald, alleen niet door iedereen evenveel; de mensen die er toen zijn op stukgelopen staan zelden mee in de zaal wanneer we er nostalgisch over doen.

De bruikbare vraag is een andere. Welke van de regels die we in 2020 hebben opgeschort, hebben we daarna stilzwijgend teruggezet? En heeft iemand ooit nagekeken of we ze nodig hadden?

Ik vermoed van niet, in de meeste organisaties. Zo’n regel keert namelijk niet terug via een actieve beslissing, maar vanuit een terugplooien naar oude gewoontes. Weet je nog dat er even ernstig werd gevraagd of we ooit zouden terugkeren naar die über-onhygiënische gewoonte van handjes schudden? Nou, ja dus. Verrassend snel. En ook het formulier duikt weer op, de verplaatsing wordt weer vanzelfsprekend, het overleg staat weer in de agenda met dezelfde frequentie als in 2019. Zwaartekracht, geen beleid.

Wij hebben die oefening bij ons deels gemaakt, en deels ook niet. Sommige dingen uit die periode zijn gebleven en zijn intussen gewoon hoe we werken. Andere zijn geruisloos verdampt, en ik zou eerlijk gezegd niet meer kunnen zeggen wanneer precies.

De volgende crisis komt er hoe dan ook, en dan zal het opnieuw allemaal blijken te kunnen. Dat is tegelijk het geruststellendste vooruitzicht en het ongemakkelijkste compliment dat je een organisatie kan geven.


Deze week zette ik vijf artikels online:

1 Ontwerp AREI-hoofdstuk 9.3: zes aandachtspunten van de Hoge Raad – De Hoge Raad bracht unaniem advies uit over de herwerking van hoofdstuk 9.3 van het AREI, over interventies aan of nabij elektrische installaties. Hij formuleert daarbij zes reeksen opmerkingen.

2 Werkgevers betalen het meest voor mentale gezondheid, maar investeren het minst in preventie – Slechte mentale gezondheid kost Canada naar schatting 180 miljard dollar per jaar, waarvan 110 miljard bij organisaties terechtkomt. Toch gaat slechts 10% van de werkgeversuitgaven naar preventie.

3 Legionella: acht van de tien koeltorens in Bazel boven de drempelwaarde – Na 26 besmettingen, 25 ziekenhuisopnames en één overlijden werd een koeltoren in Klein-Basel als bron aangewezen. Acht van de tien onderzochte koeltorens overschreden de toegestane waarde.

4 Een uitschuiver zonder getuige, en toch erkend – Een arbeidshof erkende het ongeval van een vrachtwagenchauffeur ondanks het ontbreken van getuigen en een laattijdige aangifte. Doorslaggevend was een korte nota die de preventieadviseur de dag na het ongeval opstelde.

5 Vier vragen en dalend verzuim: Swedbank legt psychosociale risico’s bij de lijn – Bij Swedbank Estland dragen lijnmanagers de dagelijkse verantwoordelijkheid voor psychosociale risico’s. Met een vragenlijst van vier stellingen daalde het verzuim van 2,8% naar 2,1%. De case roept vooral de vraag op wie eigenaar hoort te zijn van psychosociaal welzijn.

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.