Een uitbener werkte achttien jaar in de vleessector, eerst in Frankrijk en vanaf 21 augustus 2017 in België. Negen maanden na zijn start hier viel hij uit met zenuwletsels aan beide handen en ellebogen. Het arbeidshof van Brussel bevestigde op 29 juni 2026 dat Fedris die beroepsziekte volledig moet vergoeden, aan 33% blijvende arbeidsongeschiktheid. De korte duur van de Belgische blootstelling veranderde daar niets aan.
Het laatste land waarvan de voorwaarden vervuld zijn, vergoedt alles
Artikel 38 van de Europese coördinatieverordening 883/2004 regelt de blootstelling in meerdere lidstaten. De prestaties worden uitsluitend toegekend volgens de wetgeving van het laatste land waarvan de voorwaarden vervuld zijn. Er is geen verdeling naar rato van de blootstellingsduur per land. Fedris vond dat Frankrijk moest betalen, omdat de aandoening al rond 2012 zou zijn begonnen.
Het hof volgde die redenering niet. De deskundige stelde vast dat de man tussen 2000 en 2018 in beide landen aan hetzelfde risico blootstond. Dat de Belgische periode korter was, doet volgens het hof niet ter zake. Het verwees naar een uitspraak van het Zwitserse federale hof van 16 augustus 2019, dat het land met de zwaarste blootstelling evenmin voorrang gaf.
Die logica is niet nieuw. Bij de erkenning van plaveiselcelcarcinoom door uv-straling, code 1.610, geldt een drempel van 20.000 blootstellingsuren over de hele loopbaan. Ook daar telt het volledige arbeidsverleden, en is de huidige werkgever toevallig de laatste in de rij.
Bij een lijstziekte kan Fedris alleen de ziekte of de blootstelling aanvallen
De aanvraag betrof code 1.606.51, een aandoening van de zenuwfunctie te wijten aan druk. Dat is een ziekte uit de lijst van het KB van 28 maart 1969. Zodra de ziekte en de blootstelling bewezen zijn, wordt het oorzakelijk verband onweerlegbaar vermoed. Fedris moest dus één van beide onderuithalen, en probeerde ze allebei.
De weigeringsbeslissing van 18 november 2019 stelde dat de man de ziekte niet had. In eerste aanleg voerde Fedris aan dat hij nooit in België had gewerkt en niet onder de Belgische sociale zekerheid viel. Na de expertise luidde het dat de blootstelling in België niet vaststond en dat Frankrijk bevoegd was. Wie eerder mijn stuk over de drie klassieke afwijzingsgronden bij arbeidsongevallen las, herkent de figuur: het argument verschuift zodra het vorige sneuvelt.
Fedris had geen enkel onderzoek van vóór mei 2018
Het hof stelde vast dat Fedris naar geen enkel elektromyografisch onderzoek van vóór 2018 kon verwijzen. De medisch adviseur van Fedris gaf dat in mei 2023 zelf toe in een brief aan de deskundige. Het eerste onderzoek dat de aandoening objectiveerde, dateerde van 28 mei 2018. Zonder meting van vóór de indiensttreding bleef de stelling over een voorafbestaande toestand een bewering.
Daar kwam nog iets bij. Wie een andere lidstaat bevoegd acht, moet het dossier volgens Verordening 987/2009 zelf doorsturen. Fedris deed dat niet, noch richting Luxemburg, noch richting Frankrijk. In het arrest over de betwiste enkelverstuiking van mei 2026 gebeurde hetzelfde bij de verzekeraar, die de voor de hand liggende getuige nooit ondervroeg. Een partij die de eigen onderzoeksplicht laat liggen, ondergraaft hun positie.
De blootstelling werd bewezen met de productiecijfers van de werkgever
De deskundige liet zich bijstaan door een ingenieur. Die stelde in september 2022 vast dat een ploeg van zeven uitbeners samen 700 ton vlees per week verwerkte. Op basis daarvan besloot hij tot blootstelling aan het risico op een carpaletunnelsyndroom en een aandoening van de elleboogzenuw. Dat gold voor beide armen en voor de hele periode van 2000 tot 2018. Die cijfers kwamen van de werkgever.
Dit is het scharnierpunt, en het loopt in beide richtingen. In een Nederlandse chroom-6-zaak verloren 27 deelnemers aan een re-integratieproject hun vordering, omdat ze per persoon niet konden aantonen wanneer ze werkten en waaraan ze blootstonden. Hier bestond dat materiaal wel. Let op het verschil met het politie-arrest van april: in de overheidssector geldt een weerlegbaar vermoeden van blootstelling, in de privésector niet. Wie in de privésector adviseert, heeft alleen wat er geregistreerd is.
Een nulmeting bij aanwerving is bruikbaar bewijs én een discriminatierisico
De verleiding na dit arrest is een medische nulmeting bij elke aanwerving in belastende functies, maar dat vraagt voorzichtigheid. Zo veroordeelde het Arbeidshof Antwerpen De Lijn op 1 juni 2026 wegens discriminatie op basis van gezondheidstoestand. Een meting die de aanwervingsbeslissing beïnvloedt, verplaatst dus het probleem naar een ander rechtsdomein.
Drie stappen blijven wel bruikbaar:
- Leg de biomechanische belasting per werkpost cijfermatig vast: tonnage, cyclustijd, aantal handelingen per uur. Neem die posten op in het jaaractieplan.
- Vraag bij indiensttreding de loopbaanblootstelling uit voor functies met hoge handbelasting, en noteer die in het gezondheidsdossier.
- Bewaar werkpostfiches, metingen en functieomschrijvingen ook door reorganisaties en fusies heen. Fedris kan een dossier jaren later heropenen, zoals bij de verergeringsaanvraag die ik in april besprak, acht jaar na de oorspronkelijke erkenning.
De deskundige raamde de invaliditeit op 25% en de arbeidsongeschiktheid op 33%. Dat verschil is gebruikelijk, omdat de eisen van het beroep zwaarder wegen dan die van het dagelijkse leven. Voor iemand zonder diploma met een strikt manueel arbeidsverleden blijven weinig sectoren over waar kracht en handvaardigheid minder tellen.

De Belgische werkgever nam een ervaren vakman aan en had negen maanden later een langdurig arbeidsongeschikte medewerker. Het arrest legt de vergoeding bij het Belgische stelsel. Wat bij de organisatie blijft, is het verzuim, de re-integratie en de vraag of de werkpost intussen aangepast is. Voor welke werkposten in uw organisatie kunt u de belasting per uur vandaag cijfermatig aantonen, en voor welke niet?
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.