
Een politie-inspectrice dient een aanvraag in bij FEDRIS – Federaal agentschap voor beroepsrisico’s- Agence fédérale des risques professionnels voor een beroepsziekte buiten de lijst: lumbale musculoskeletale aandoeningen na dertig jaar interventiedienst. Fedris wijst de aanvraag af wegens gebrek aan blootstellingsbewijs. Het Arbeidshof van Luik (afdeling Namen) stuurt de redenering terug: in de overheidssector geldt een wettelijk vermoeden van blootstelling, en dat vermoeden was niet weerlegd. Het arrest is instructief voor iedereen die beroepsziekteaanvragen in de publieke sector begeleidt.
Het vermoeden van blootstelling bestaat in de overheidssector, maar velen weten het niet
De Wet van 3 juli 1967 regelt de vergoeding van beroepsziekten in de publieke sector. Ze verwijst voor de definitie naar de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970. Maar de vraag hoe blootstelling bewezen moet worden, staat niet in de wet zelf, wel in de uitvoerende koninklijke besluiten.
Voor het politiepersoneel geldt artikel X.III.4 van het KB van 30 maart 2001 (het zogenaamde “Mammoetbesluit”). De tweede alinea van dat artikel bevat een weerlegbaar vermoeden: elk werk uitgevoerd bij een overheidsinstelling wordt, tot bewijs van het tegendeel, geacht de werknemer te hebben blootgesteld aan het betrokken risico. Dat geldt zowel voor ziekten op de lijst als voor die buiten de lijst.
Het Hof van Cassatie bevestigde dit principe al in een arrest van 18 december 2018. Het Arbeidshof herneemt die redenering en past ze toe op de concrete situatie: het feit dat de betrokkene decennialang als inspectrice in interventieteams werkte, volstaat in principe om blootstelling aan musculoskeletale risico’s te vermoeden. Fedris kon dat vermoeden niet weerleggen door louter te stellen dat de aanvraagster haar blootstelling niet bewees. De bewijslast lag omgekeerd.
Fedris moet aantonen dat de werkomgeving geen bijzonder risico opleverde
Het vermoeden is weerlegbaar, maar de drempel daarvoor is hoog. Doctrine omschrijft het als aantonen dat de werkomgeving de betrokkene niet in aanraking bracht met een gevaar dat groter is dan wat de algemene bevolking ondervindt. Anders gezegd: het is niet voldoende om te zeggen dat de aanvraagster “gewone” taken uitvoerde. Er moet worden aangetoond dat haar specifieke werkomstandigheden geen verhoogd risico inhielden.
Het Hof stelde vast dat het eerste deskundigenverslag tekortschoot: de expert concludeerde dat de beroepsactiviteit geen directe en bepalende oorzaak was, maar onderbouwde dat onvoldoende met concrete blootstellingsanalyse. Dat het een “klassiek” rug-beeld betrof, volstond niet als argument. Het Hof benoemde een nieuwe deskundige, met een uitgebreide opdracht die zowel de blootstelling als het oorzakelijk verband moest onderzoeken.
Oorzakelijk verband vereist geen exclusieve oorzaak, wel een bijdragende factor
Een tweede belangrijk principe in dit arrest betreft het oorzakelijk verband. Het Hof herneemt de cassatierechtspraak (Cass. 2 februari 1998): het beroepsrisico hoeft niet de enige of zelfs de hoofdoorzaak van de ziekte te zijn. Een predispositie of bijkomende niet-beroepsgebonden factoren sluiten het verband niet uit.
Er is oorzakelijk verband wanneer de ziekte niet zou zijn opgetreden, of minder ernstig zou zijn geweest, zonder de uitoefening van het beroep. Dat de rechter zijn overtuiging mag vormen op basis van een sterk vermoeden of hoge graad van waarschijnlijkheid, bevestigt het Hof uitdrukkelijk. Absolute zekerheid is dus niet vereist.
Voor preventieadviseurs is dit relevant bij de begeleiding van werknemers die een beroepsziekte willen laten erkennen. Comorbiditeit of een genetische aanleg is geen argument om een aanvraag bij voorbaat kansloos te achten. Het gaat om de vraag of het werk heeft bijgedragen, niet of het de enige verklaring is.
Voor wie is dit relevant buiten het politiekorps?
Het KB van 30 maart 2001 geldt specifiek voor politiepersoneel, maar het principe van het wettelijk vermoeden is ruimer verankerd in de publieke sector. Vergelijkbare bepalingen bestaan voor andere overheidspersoneel, zij het soms in andere uitvoeringsbesluiten. De redenering van het Hof is daarmee niet beperkt tot politiekorpsen.
Musculoskeletale aandoeningen behoren tot de meest voorkomende oorzaken van langdurige arbeidsongeschiktheid in sectoren met fysiek belastend werk: ordediensten, zorg, onderwijs, logistiek. De rechtspraak bevestigt dat wie jarenlang in dergelijke omstandigheden werkt, niet per se moet bewijzen dat het werk schadelijk was. Het vermoeden speelt in hun voordeel.
Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk van preventieadviseurs?
- Documenteer blootstelling systematisch, ook voor “gewone” functies. Blootstellingskartering is niet alleen nuttig bij chemische of stralingsgerelateerde risico’s. Musculoskeletale belasting hoort er evengoed in: dragen, trekken, statische houdingen, trillingsblootstelling. Als een werknemer later een aanvraag indient, is die documentatie goud waard.
- Ken het verschil tussen bewijslast in de private en publieke sector. In de privésector rust de bewijslast van blootstelling doorgaans op de werknemer. In de overheidssector is er een wettelijk vermoeden ten gunste van de werknemer. Wie in beide sectoren adviseert, moet die nuance kennen.
- Bereid werknemers voor op de procedure bij Fedris. Wanneer een aanvraag wordt afgewezen wegens “gebrek aan blootstelling”, is dat niet noodzakelijk het einde. Als het wettelijk vermoeden van toepassing is en Fedris het niet correct heeft weerlegd, is een beroepsprocedure kansrijker dan werknemers vaak denken.
- Wijs arbeidsartsen op het belang van hun medisch dossier. In dit arrest speelde het medisch rapport een belangrijke rol. Een goed gedocumenteerde koppeling tussen werkomstandigheden en gezondheidsproblemen versterkt de positie van de werknemer, ook als het oorzakelijk verband later betwist wordt.
- Volg de Fedris-richtlijnen voor beroepsziekten buiten de lijst actief op. Ziekten buiten de lijst (het “Open systeem”) vereisen dat de werknemer aantoont dat de aandoening “in overwegende mate” door het beroep veroorzaakt werd. Dat is een zwaardere bewijslast dan voor lijstziekten. Begrijpen hoe rechters dat toetsen, helpt om aanvragen realistisch in te schatten.
Conclusie
Dit arrest is geen spectaculaire uitspraak, maar een principiële correctie op een fout die in de praktijk vaker gemaakt wordt: het vermoeden van blootstelling omdraaien en de werknemer laten bewijzen wat de werkgever of Fedris had moeten weerleggen. Voor preventieadviseurs in de publieke sector is het een nuttige herinnering dat de juridische spelregels rond beroepsziekten soms anders liggen dan gewoonlijk aangenomen.