Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Buitenwerk verdubbelt het risico op plaveiselcelcarcinoom: zon hoort in de risicoanalyse

Begin 2024 breidde FEDRIS – Federaal agentschap voor beroepsrisico’s- Agence fédérale des risques professionnels de lijst van beroepsziekten uit met code 1.610: multipele actinische keratosen en plaveiselcelcarcinoom (SCC) bij wie een typisch buitenberoep uitoefent. De wetenschappelijke onderbouwing leverde gezondheidsonderzoekster Els De Waegeneer (UGent) al in 2022, in een overzichtsstudie in opdracht van het agentschap. Die bevindingen kwamen recent opnieuw onder de aandacht, met een cijfer dat blijft hangen: buitenwerkers krijgen 2 tot 3 keer hogere dosissen uv-straling dan collega’s die binnen werken, met een bijna verdubbeld risico op SCC tot gevolg. Daarmee is zonlicht een arbeidsrisico dat in de risicoanalyse thuishoort.


Het verband is sterk voor plaveiselcelcarcinoom, zwakker voor andere huidkankers

De studie bundelt internationaal epidemiologisch onderzoek vanaf 2014, met de systematische review en meta-analyse van de WHO (2021) als kern. Het beeld is dosisafhankelijk: hoe hoger de cumulatieve uv-dosis, hoe groter de kans op non-melanoma huidkanker (NMSC). Het verband verschilt wel sterk per type. Voor SCC is het uitgesproken, met een relatief risico van 2,42 in de WHO-analyse. Voor basocellulair carcinoom (BCC) is het matiger, met een relatief risico van 1,50, ongeveer 43 tot 50% meer kans. Voor melanoom ontbreekt dat cumulatieve-dosisverband grotendeels; daar weegt vooral het aantal en de ernst van doorgemaakte zonnebranden.

Wie langer dan vijf jaar buiten werkt, ziet het risico op BCC, SCC en actinische keratosen ongeveer verdrievoudigen. De context maakt dit dringend: NMSC is de meest voorkomende kanker in westerse landen, en tot 90% ervan is toe te schrijven aan uv-straling. Dat maakt het meteen een van de best vermijdbare kankers.


Erkenning vraagt 20.000 uur zon en minstens zes actinische keratosen

De erkenningsdrempel ligt concreet vast. De individuele blootstelling moet over de loopbaan minstens 20.000 uur bedragen, waarbij alleen de maanden mei tot september meetellen (gebaseerd op de Leiden Skin Cancer Study van Kennedy e.a.). Met werkdagen van 8 uur komt dat neer op ongeveer 25 jaar in een buitenberoep. Het moet bovendien gaan om een typisch buitenberoep: landbouwers, fruittelers, hoveniers, houthakkers, vissers, wegenbouwers, dakdekkers, staalbouwmonteurs en bouwvakkers die hoofdzakelijk buiten werken.

Daarnaast geldt een klinisch criterium. Er moeten minstens zes afzonderlijke actinische keratosen zijn per blootgesteld huidgebied (gezicht, schedel, handrug), of een aaneengesloten zone groter dan 2 cm. Vanaf zes actinische keratosen in het gelaat stijgt het relatieve risico op SCC tot boven de twee. De diagnose van SCC moet histologisch bevestigd worden; voor de actinische keratosen volstaat de klinische vaststelling.


De arbeidsarts krijgt een sleutelrol, zeker bij kwetsbare medewerkers

Het rapport legt nadruk op secundaire preventie. Actinische keratosen kunnen deels teruglopen wanneer de zonblootstelling wegvalt, wat tijdige opsporing waardevol maakt. Voor medewerkers met een verhoogde kwetsbaarheid, in het bijzonder wie immuunsuppressiva gebruikt na een orgaantransplantatie, kan preventieve verwijdering uit het beroepsrisico aangewezen zijn.

De preventieadviseur-arbeidsarts wordt daarvoor uitdrukkelijk als sleutelfiguur aangewezen. In de praktijk betekent dat aandacht voor uv in het gezondheidstoezicht, met focus op wie een lange buitenloopbaan of een verhoogd individueel risico heeft. Het is een rol die verder gaat dan signaleren: ze raakt aan de concrete vraag of iemand op hun huidige post kan blijven.


Weren, kleren, smeren volgt de preventiehiërarchie

De preventie laat zich samenvatten in drie principes. Weren betekent de blootstelling zelf vermijden, door buitenwerk te plannen buiten de piek van de zonkracht (tussen 11.30 en 15.30 uur) of in de schaduw te laten uitvoeren. Kleren staat voor beschermende kledij, smeren voor zonnecrème. Die volgorde valt samen met de preventiehiërarchie: weren is de collectieve, organisatorische maatregel die bovenaan hoort, kleren en zonnecrème vormen het individuele sluitstuk. Een organisatie die enkel zonnecrème uitdeelt, begint dus onderaan de ladder. De maatregelen zijn al nodig vanaf uv-index 3, een waarde die ons land op veel zomerdagen haalt.

Wie functies met veel buitenwerk in portefeuille heeft, kan dit vertalen naar concrete stappen:

  • Neem uv-blootstelling op als kankerverwekkend agens in de risicoanalyse voor functies met substantieel buitenwerk (de EU rekent iemand tot buitenwerker vanaf 75% van de werktijd in de zon).
  • Plan zwaar buitenwerk buiten de piek van 11.30 tot 15.30 uur en voorzie schaduw op vaste werkplekken.
  • Behandel beschermende kledij en zonnecrème met hoge beschermingsfactor als persoonlijke beschermingsmiddelen, en herhaal de instructie bij de start van elk zonseizoen.
  • Stem met de arbeidsarts het gezondheidstoezicht af op de cumulatieve uv-blootstelling, met bijzondere aandacht voor medewerkers met een lange buitenloopbaan of immuunsuppressie.
  • Agendeer het thema in het CPBW en koppel de maatregelen aan een drempel: vanaf uv-index 3 gaan ze automatisch in.

Tot slot

De erkenning als beroepsziekte plaatst zonlicht op dezelfde lijn als andere kankerverwekkende agentia die je in een risicoanalyse verwacht. Het verschil is dat de bron gratis en alomtegenwoordig is, waardoor uv-blootstelling lang als een privézaak werd behandeld. Voor functies met veel buitenwerk loont het om na te gaan of zonlicht al in de risicoanalyse staat, en met welke maatregelen.