Vorig jaar heb ik voor mijn oudste dochter een hoogslaper in elkaar gestoken. Niet zomaar een bed: een combinatie van bed, bureau en kast, alles in één. Het kostte me een weekend, plus een nabestelling omdat er iets de eerste keer niet beschikbaar was in de Ikea. Toen het klaar was, heb ik er wat langer naar staan kijken dan strikt noodzakelijk was.
Het zat goed in elkaar, zonder valse bescheidenheid. Mijn klusniveau is precies Ikea-niveau, maar bínnen dat niveau lever ik degelijk werk: platte doos, handleiding zonder woorden, en achteraf een meubel dat niet wiebelt.
Een jaar later wou ze het niet meer. Ze had zich al een paar keer bezeerd bij het naar beneden klauteren. Terechte klacht, zeker bij iemand die beroepshalve over veiligheid gaat. Dus weg ermee.
En ik moest het zelf weer uit elkaar halen.
Ik was geïrriteerd. Meer dan redelijk was, eerlijk gezegd. Want haar argument was gewoon goed, en het mijne kwam neer op: ja maar, ik heb er een weekend in gestoken.
I know, ik besefte het toen ik het zei. Het IKEA-effect, in levenden lijve.
Onderzoekers gaven die naam aan de vaststelling dat we meer waarde hechten aan wat we zelf gemaakt hebben dan aan exact hetzelfde ding, gemaakt door iemand anders. Dat bed wás goed gebouwd. Alleen deed het niet meer waarvoor het bedoeld was, en dat gaf ik maar moeilijk toe. Wie het niet gebouwd heeft, ziet een bed. Ik zag een weekend.
Ik moest daaraan terugdenken bij een gedachte over tijd. Je kunt bijna alles kopen behalve tijd, luidt het cliché. Dat klopt niet helemaal: je kunt wél uitbesteden, en zo tijd terugkopen. Poetshulp thuis, delegeren op het werk.
Alleen verloopt die ruil zelden zuiver. Ik ken mensen die geen poetshulp nemen omdat niemand het poetst zoals zij. Op het werk zie ik hetzelfde: je geeft iets uit handen, het komt anders terug dan je in gedachten had, je stuurt bij, en nog eens, en uiteindelijk ben je die gewonnen tijd twee keer kwijt.
Dat wordt meestal weggezet als een tekort aan loslaten. Volgens mij zit de fout eerder in de vraag die we onszelf stellen. Wij vragen: kan iemand anders dit doen? Terwijl de echte vraag is of het resultaat van jou moet zijn.
Poetsen bijvoorbeeld, dat geef ik moeiteloos volledig uit handen. Het geeft me geen voldoening whatsoever, ik heb er geen mening over, en zolang het gebeurt is het goed. Geen instructies, geen feedback. Pure winst.
Klussen kàn ik dan weer gewoon niet; alles waar een boormachine bij komt kijken valt buiten mijn mandaat. Dus besteed ik het uit, en zit ik er tegelijk bovenop. Ik kan het niet zelf, maar ik weet heel precies wat ik wil.
En dan zijn er de teksten. Wat ik hier schrijf is van mij. Op het werk ligt dat anders; daar maakt marketing teksten die ik vervolgens valideer. Dat is prima werk, en het hóéft mijn tekst niet te zijn. Maar deze wel. Altijd.
Drie taken, drie totaal verschillende antwoorden. In geen van de drie was tijdswinst doorslaggevend. Eigenaarschap wel.
Organisaties maken die afweging bijna altijd op één as. Wat goedkoper of sneller elders kan, gaat elders. Verdedigbaar, en ik pas het zelf ook toe. Maar onvolledig. Soms besteden we net dat ene stuk werk uit waar iemand zijn voldoening uit haalde. De gewonnen tijd staat in de teller. Wat eruit verdween, staat nergens.
En het werkt evengoed de andere kant op. Wij overschatten wat we zelf gebouwd hebben. Dat rapportagesysteem, dat sjabloon, die procedure die ooit een reëel probleem oploste… de maker ziet er nog altijd het vakwerk in, terwijl de gebruikers zich er al een tijdje aan bezeren. De maker doet dit niet uit koppigheid, maar ziet het gewoon letterlijk anders dan de rest.
Daarom hoort de vraag of iets nog deugt zelden thuis bij wie het gemaakt heeft, maar bij wie er elke dag mee moet werken. Dat is ook de kortste samenvatting van waarom participatie in preventiebeleid geen formaliteit is.
Ik heb geen sluitend criterium. Wel drie vragen die ik mezelf stel voor ik iets uit handen geef, of net niet. Geeft dit mij energie? Kan ik dit eigenlijk wel? En moet het resultaat van mij zijn?
De hoogslaper is intussen weg; de Kringwinkel kan er iemand anders een plezier mee doen. Mijn dochter is heel tevreden met het nieuwe bed dat ik met grote expertise in elkaar heb gezet. En dat het jàren mee zal gaan, heb ik haar benadrukt. Herhaaldelijk.
Welk meubel in jouw organisatie zou jij als laatste afbreken?
Deze week zette ik zes artikels online:
1 Langer werken lost het personeelstekort niet op
Een hogere pensioenleeftijd houdt meer ouderen aan het werk, maar verhoogt ook arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en inactiviteit, vooral bij medewerkers met een kwetsbare gezondheid. Zonder aangepast beleid worden de kosten vooral verschoven.
2 Kunstmest ontploft niet door onbekende chemie
Bij een brand in Essex explodeerde opgeslagen kunstmest, met twintig gewonde brandweerlieden en zware schade tot gevolg. De risico’s van ammoniumnitraat zijn bekend: het probleem zit meestal in de opslag en het beheer ervan.
3 Psychosociale preventie werkt door consequente opvolging
Negen nieuwe EU-OSHA-cases tonen dat kleine ingrepen vaak het verschil maken: een kort meldformulier, vier gerichte vragen of gesprekskaarten. Niet de omvang, maar de volgehouden opvolging bepaalt het resultaat.
4 Bij stressverzuim kan digitale zelfhulp extra belasten
Onderzoek toont dat medewerkers met stressklachten e-health soms als zwaar ervaren door een gebrek aan energie en concentratie. Een gestructureerd gesprek met de leidinggevende werd het meest gewaardeerd.
5 Een ongeval zonder getuigen vraagt een sluitende aangifte
Een arbeidsongeval van een poetshulp werd pas vijf jaar later erkend. De zaak toont hoe een gebrekkige aangifteprocedure een reëel letsel kan veranderen in een langdurige juridische betwisting.
6 EFSA legt een nieuw ijkpunt voor TFA vast
EFSA verlaagde de aanvaardbare dagelijkse inname van TFA naar 0,014 mg per kilogram lichaamsgewicht en stelde voor het eerst een acute referentiedosis vast. De belangrijkste bezorgdheid is een daling van het schildklierhormoon T4.
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.