Home / Artikel / Rechter fluit Codex terug: wat blijft er overeind voor HR en preventie?

Rechter fluit Codex terug: wat blijft er overeind voor HR en preventie?

Het Arbeidshof Antwerpen oordeelde op 3 februari 2026 dat artikel I.4-4 van de Codex Welzijn zó vaag is geformuleerd dat het niet kan dienen als basis voor een strafrechtelijke inbreuk. De bepaling werd daarom buiten toepassing gelaten. Gevolg: geen misdrijf, geen schadevergoeding op die grond. Een belangrijke juridische reality check.


Wat speelde er?

De zaak draaide om een magazijnmedewerker die sinds 2018 tewerkgesteld was in een logistieke omgeving met fysiek belastend werk in gekoelde ruimtes. Vanaf 2019 ontwikkelde hij toenemende heupklachten. In december 2019 en februari 2020 werden medische attesten opgesteld waarin “voorlopig aangepast werk” en “zo mogelijk minder belastend werk” werd geadviseerd.

De kern van het conflict lag niet in het bestaan van klachten op zich, maar in de vraag wat de werkgever daar juridisch mee moest doen, en wanneer.

Volgens de werknemer:

  • had hij zijn medische toestand tijdig gemeld;
  • had hij aangepast werk gevraagd;
  • had de werkgever nagelaten de arbeidsarts te informeren;
  • en had men geweigerd redelijke aanpassingen te treffen.

Volgens de werkgever:

  • waren de klachten onvoldoende duidelijk of formeel onderbouwd;
  • waren er al lichtere taken voorzien;
  • had men voorgesteld om de arbeidsarts te betrekken;
  • en was er geen sprake van een weigering.

De situatie escaleerde pas echt nadat de werknemer in september 2020 een kijkoperatie onderging en nadien langdurig arbeidsongeschikt werd. Uiteindelijk eindigde de arbeidsovereenkomst in 2023 wegens medische overmacht.

In hoger beroep formuleerde de werknemer twee juridische pijlers voor zijn schadeclaim:

  1. Discriminatie op basis van handicap, wegens het niet voorzien van redelijke aanpassingen.
  2. Een fout ex delicto, omdat de werkgever artikel I.4-4 van de Codex Welzijn op het Werk zou hebben geschonden door de arbeidsarts niet te verwittigen.

Het hof veegde beide pistes van tafel.


Luik 1: Handicap en redelijke aanpassingen

Het hof herhaalt de Europese lijn: een aandoening is pas een handicap als ze langdurig is én de deelname aan arbeid daadwerkelijk belemmert. Tijdelijke of onduidelijk geëvolueerde klachten volstaan niet zomaar.

Belangrijker voor de praktijk: Redelijke aanpassingen veronderstellen een duidelijke vraag én medewerking.

In dit dossier:

  • De werknemer leverde volgens het hof onvoldoende bewijs dat medische attesten tijdig aan de werkgever waren bezorgd.
  • De werkgever stelde voor om de arbeidsarts te betrekken. De werknemer ging daar niet op in.
  • Er waren al deels andere taken toegewezen.

Kort samengevat: zonder duidelijke medische onderbouwing en zonder het formele spoor via de arbeidsarts wordt het moeilijk om achteraf te stellen dat de werkgever “weigerde”.


Luik 2: Artikel I.4-4 Codex Welzijn

Artikel I.4-4 verplicht werkgevers de arbeidsarts te verwittigen wanneer een werknemer:

  • klaagt over ongemakken die aan het werk te linken zijn, of
  • wanneer diens toestand de risico’s “onmiskenbaar” verhoogt.

Maar die termen zijn volgens het hof te vaag om iemand strafrechtelijk te kunnen veroordelen. Dat botst met het grondwettelijk wettigheidsbeginsel: strafbepalingen moeten precies zijn.

Daarom: bepaling buiten toepassing -> geen misdrijf -> geen schadevergoeding op die basis.


Betekent dit dat werkgevers nu niets meer moeten melden?

Nee. Het hof zegt niet dat melden overbodig is. Het zegt dat de strafrechtelijke verankering van deze specifieke formulering wankel is.

De zorgplicht, risicoanalyse, gezondheidstoezicht en de rol van de arbeidsarts blijven volledig overeind via andere bepalingen en het algemene welzijnskader.

Dus dit arrest is géén “je mag klachten negeren”-kaart. Het is eerder: “Wetgever, schrijf je strafbepalingen duidelijker.”


Wat moeten werkgevers hier nú mee?

  1. Formaliseer signalen van gezondheidsproblemen: Maak een laagdrempelige maar duidelijke interne route: klacht -> documentatie -> beoordeling noodzaak arbeidsarts.
  2. Zet sneller de arbeidsarts in: Niet omdat artikel I.4-4 nu “zwakker” staat, maar omdat het hét objectieve scharnierpunt blijft tussen beleving en medische inschatting.
  3. Documenteer wederzijds gedrag: Ook relevant is of de werknemer meewerkt aan onderzoek, attesten bezorgt, voorstellen bespreekt.
  4. Vermijd informele grijze zones: “Hij deed al wat lichtere taken” is sympathiek, maar zonder formele duiding ook weinig waard bij conflict.
  5. Check je interne procedures: Niet juridisch uit angst, maar uit professioneel zelfrespect: een goed systeem beschermt iedereen.

Conclusie

Dit arrest toont iets dat we in welzijnsbeleid vaker zien: De praktijk werkt met grijstinten. Het strafrecht eist zwart-wit.

Dit arrest verzwakt een strafrechtelijke haak, maar versterkt het belang van goede organisatie. En daar ligt, gelukkig maar, nog altijd onze echte impact.