
Op een dinsdagochtend zat ik op de achterbank van mijn eigen auto. Achter het stuur: een jobstudent die ik een halfuur eerder voor het eerst de hand had geschud, en die me nu vlot door de file naar een strategische meeting reed. Tijdens de vergadering wachtte hij. Daarna bracht hij me weer thuis.
Ik moet toegeven: aan dat privéchauffeurleven zou ik best kunnen wennen.
Even de context, voor wie de vorige afleveringen gemist heeft: mijn middenvoet lag in het gips. Rijden mocht ik niet. Niet alleen omdat mijn tenen paars kleurden zodra ik de voet liet zakken, maar ook omdat mijn werkgever me erop wees dat de verzekering bij een ongeval misschien niet zou tussenkomen. Onverzekerd de baan op: geen goed plan.
Het ongeluk gebeurde tijdens de laatste week van mijn vakantie. Ik meldde het meteen. En die maandag startte ik gewoon. Niet op kantoor, maar via Teams, alles online, zoals tijdens covid.
Voor de momenten waarop ik écht fysiek aanwezig moest zijn, was er Get Driven: jobstudenten die met jouw auto rijden en wachten tot je klaar bent. Zo geraakte ik op strategische meetings, op het personeelsfeest, op een teambuilding. Mijn collega’s schakelden moeiteloos over naar online vergaderen. Niemand maakte er een punt van.
Geen formulieren. Geen platform. Geen procedure. Gewoon: wat heb je nodig, en hoe lossen we dat samen op. Herken je dat? Waarschijnlijk wel. Het is precies het soort regeling dat in elk team elke week gebeurt, zonder dat iemand het zo benoemt.
En daar wringt iets.
Want wat ik net beschreef, is een re-integratie. Een geslaagde, zelfs. Geen enkele dag ziekteverlof, geen enkele werkdag gemist. En toch staat ze nergens. Geen dossier, geen traject, geen cijfer.
Dat is geen detail. We meten vooral de formele re-integratietrajecten en de procedures medische overmacht. Kijk je naar díe cijfers, dan lijkt het alsof werkgevers structureel falen om aangepast werk te bieden (een conclusie waar ik al jaren tegenin schrijf). Terwijl het werk dat het meeste oplevert, het vroege, pragmatische, informele, net buiten beeld blijft. Wat niet gemeten wordt, wordt niet besproken.
Ondertussen woedt in de politiek en de media een debat over wie het ziektebriefje mag/moet schrijven (bij deze wat schaamteloze reclame voor mijn opiniestuk in De Morgen) en over de rol van de adviserend arts tegenover de arbeidsarts. Begrijpelijk, met bijna 600.000 langdurig zieken (zie meer hierover in nieuwsbrief 42). Maar zo blijf je dweilen met de kraan open. De grootste impact zit stroomopwaarts: in een beleid dat al klaarstaat vóór iemand uitvalt, zodat een leidinggevende en een medewerker weten wat kan, nog voor er iets misgaat.
En oh, de ironie. Ik ben arbeidsarts. Ik ben directeur Wellbeing Business. Mijn werk draait, letterlijk, om re-integratie. En de meest geslaagde re-integratie die ik nu zelf heb meegemaakt, is er eentje waar geen enkele arts aan te pas kwam. Geen huisarts, geen arbeidsarts, geen adviserend arts. Ikzelf incluis.
Nu, dit is geen pleidooi om artsen overbodig te verklaren, verre van. Het is een pleidooi om te erkennen dat de meest waardevolle dingen vaak het minst zichtbaar zijn. In een vorige nieuwsbrief was die onzichtbaarheid het probleem. Deze keer is ze de oplossing.
Dus vraag ik me af: hoeveel stille, geslaagde re-integraties lopen er op dit moment rond in jouw organisatie? Geregeld aan een keukentafel of in een kort gesprek, en geteld door niemand. En wat zou er veranderen als we die leerden zien?
Overzicht van deze week
Deze week verschenen vijf artikels op mijn LinkedIn-pagina. Toeval of niet: meerdere ervan gaan precies over wat in mijn essay buiten beeld blijft, namelijk de prijs van uitval en het belang van wat een organisatie dóét vóór het misloopt.
- Wie aanbevelingen van de arbeidsarts negeert, loopt dubbel risico – Een Frans cassatiearrest van 7 januari 2026 oordeelt dat een werkgever die de adviezen van de arbeidsarts niet aantoonbaar opvolgt, niet enkel de zorgplicht schendt, maar ook een vermoeden van discriminatie op grond van gezondheid kan doen ontstaan. Fransrechtelijk, maar de logica is meteen herkenbaar onder de Belgische Welzijnswet.
- Veiligheid voor lichaam én geest komt vóór loon – Uit Eurofounds nieuwe European Working Conditions Survey (ruim 36.000 bevraagden) blijkt een veilige mentale en fysieke werkomgeving de absolute topprioriteit (71%), nog vóór loon. Empirische munitie om welzijnsbeleid als kernopdracht te positioneren, niet als nice-to-have.
- Een op de twaalf werknemers in België meldt pesten op het werk – Onderzoek over 35 Europese landen plaatst België in de top drie: 8,2% rapporteert pesten of intimidatie in het afgelopen jaar. Wie dat wegredeneert als rapportage-effect, mist het robuuste verband met mentale gezondheid.
- Een op vier werknemers overweegt ontslag wegens mentale gezondheid – Uit het NAMI/Ipsos-onderzoek blijkt dat een kwart ooit overwoog op te stappen om de mentale impact van het werk, terwijl slechts 28% van de leidinggevenden zich voldoende getraind voelt voor zo’n gesprek. Een Amerikaans cijfer, een Belgische realiteit.
- Arbeidsongevallen dalen, maar de gevolgen worden zwaarder – Fedris telde in 2024 bijna 12% minder ongevallen dan in 2019, maar de ernst en hersteltijd nemen toe. Twee patronen herkennen we meteen: oudere medewerkers wegen zwaarder door wanneer ze uitvallen, en wie net begint, loopt buitenproportioneel veel risico.
Hieronder vind je alle vijf artikels van deze week, in chronologische volgorde.