
Ik heb een digitaal archief dat ruimschoots dertig jaar teruggaat.
Dat klinkt geruststellender dan het is. Het betekent vooral dat ik documenten kan terugvinden waarvan andere mensen denken dat ze niet meer bestaan. Mappenstructuur, datumlogica, zoekfunctie. Ik raak niets kwijt. Een handige eigenschap voor een arts; een lastige eigenschap voor wie soms zou willen dat sommige dingen wel gewoon zoek raakten.
Zo is er een document uit 2001. Een visietekst, geschreven door een groep “jonge arbeidsgeneesheren”. Ik was er één van. Net afgestudeerd, bezig met de specialisatie arbeidsgeneeskunde, en uitgenodigd om mee na te denken over de toekomst van ons vak. Een eer, vond ik toen. We schreven over een probleem dat al toen erkend werd: er waren te weinig arbeidsartsen, en het systeem was niet gebouwd voor de toekomst.
Ik dacht: dit gaat hervormd worden. Misschien duurt het een paar jaar, maar het gaat gebeuren. Ik was vijfentwintig.
Ik ben nu vijftig.
—
Tussen dat document en vandaag zit een halve carrière. Ik ben arbeidsarts geworden, dan medisch directeur, dan algemeen directeur en directeur Wellbeing Business. Ik heb in werkgroepen gezeten over re-integratie, psychosociale risico’s, kankerverwekkende stoffen, aanvullende medische handelingen, trio-platformen. Sommige leverden iets op. Andere niet.
De fundamentele logica van het gezondheidstoezicht (periodiek iedereen met een arbeidsrisico oproepen bij de arts) bleef overeind. Een logica die in 1968 zeker zinvol was, toen het beroepsleven er anders uitzag, toen de werkpopulatie er anders uitzag, toen wat we van een arbeidsarts verwachtten er anders uitzag.
Eind vorig jaar mocht ik een werkgroep van medisch directeurs voorzitten. We schreven samen een conceptnota voor een hervorming van het gezondheidstoezicht. Nu moet je weten, de kernpunten van 2025 lijken verdacht veel op wat we in 2001 al opschreven. De arbeidsarts moet er zijn voor iedereen die werkt. Een doelstellingenwetgeving in plaats van een middelenwetgeving. Periodieke contacten waar dat zinvol is, niet als ritueel. Capaciteit verschuiven naar wie ze écht nodig heeft.
Ben je nog mee?
Ik heb 2001 en 2025 naast elkaar gelegd. Andere bewoordingen. Andere voorbeelden. Andere data. Maar de diagnose is dezelfde. De koers die voorgesteld wordt, is dezelfde. Wat ontbreekt, is dezelfde: een besluit.
—
Een doelstellingenwetgeving. Daar zit voor mij de kern. In Wegwijs in Welzijn #31 schreef ik nog over check-the-box-mentaliteit: het klooster met enkel 60-plus-nonnen dat een procedure moederschapsbescherming moest kunnen voorleggen. Een wetgeving die voorschrijft hoe je dingen moet doen in plaats van waarom, produceert per definitie zulke absurditeiten. Ze stuurt de aandacht naar het formulier en weg van het doel.
Toepassen op gezondheidstoezicht: vandaag worden werknemers opgeroepen volgens een frequentie die in een tabel staat. Wie écht een arbeidsarts nodig heeft (na een burn-out, na een ongeval, bij een dreigende uitval) moet daar dwars op het systeem in zien te raken, want we hebben nu eenmaal een tekort aan artsen en de lijst van periodieke onderzoeken moet afgehandeld worden. Het ritueel is wettelijk verplicht; de zinvolle interventie moet zich erlangs wringen.
Een doelstellingenwetgeving keert dat om: zorg dat wie het nodig heeft, je vindt; en zorg dat je bij wie risico loopt, op het juiste moment kijkt. Met evalueerbare doelen: re-integratiesuccessen, reductie van blootstelling, workability. Beschikbare expertise wordt ingezet waar ze het meest verschil maakt. Het periodiek gezondheidstoezicht waar mogelijk uitgevoerd door goed opgeleide bedrijfsverpleegkundigen, met gevalideerde protocollen. Om zo kwaliteit te kunnen blijven leveren waar ze echt nodig is.
Het is geen revolutionaire gedachte. Ze stond in 2001 al op papier.
—
Intussen tikt de klok door. Het aantal arbeidsartsen daalt nog steeds structureel; de gemiddelde leeftijd stijgt; nieuwe instroom kan dat niet compenseren. Externe diensten doen acrobatie om hun wettelijke opdrachten in te vullen. Werkgevers krijgen een rekening van een dienst die soms niet kan leveren wat ze nodig hebben uit capaciteitsgebrek. Werknemers worden opgeroepen voor onderzoeken die in hun specifieke situatie weinig toegevoegde waarde hebben. Dat is wat er vandaag, in mei 2026, op vele werkvloeren gebeurt.
Het ontwerp-KB Gezondheidstoezicht zou binnenkort op tafel komen. Ik schrijf “zou”, want ik heb sinds 2001 geleerd voorzichtig te zijn met werkwoordstijden bij dit dossier. Maar deze keer lijkt er beweging.
—
Ik denk soms aan die vijfentwintigjarige die meeschreef aan de visietekst. Aan zijn overtuiging dat het systeem wel mee zou bewegen, omdat de problemen toch zo duidelijk waren. Ik zou hem nu willen vertellen dat duidelijkheid en beweging twee verschillende dingen zijn. Dat dossiers in hun eigen tempo bewegen.
Maar ik zou hem ook iets anders willen vertellen. Dat je niet stopt met schrijven. Dat je een dossier dat een kwarteeuw stilligt, in een paar weken kan zien bewegen. Dat het feit dat het nu eindelijk beweegt geen reden is om cynisch te worden over de vorige vijfentwintig jaar, maar een reden om er klaar voor te zijn in de laatste meters.
Ik raak geen documenten kwijt. Het ongemakkelijke aan zo’n archief is dat het je herinneringen aan eerdere generaties van hetzelfde gesprek onverstoorbaar bewaart. Naast 2001 staan 2008, 2014, 2019. Allemaal varianten op dezelfde melodie.
Wat ik wens? Dat ik over twee jaar terug kan blikken op het document uit 2025, en kan zeggen: het is dan uiteindelijk toch geland.
Deze week verschenen vier artikels op mijn LinkedIn-pagina. Eerst nog iets bijzonders: in De Morgen, is een opiniestuk van mijn hand verschenen. Een ingekorte versie van mijn nieuwsbrief van vorige week. Dat doet me deugd.
- Menopauzale symptomen verdrievoudigen de kans op werkimpairment – Een ondersteunende psychosociale werkomgeving vangt de impact van menopauzale klachten niet grotendeels op. De biologische realiteit weegt zwaarder dan veel menopauzebeleid veronderstelt.
- Het recht op deconnectie: een wet die alleen werkt waar de organisatie er klaar voor is – Vijf Europese landen, dezelfde wet, tegengestelde uitkomsten. De wet zet een vloer; wat erboven gebeurt, is werk voor de organisatie zelf.
- Niet alleen het ritme: nachtwerkers blootgesteld aan meer kankerverwekkende stoffen – Canadese cijfers tonen dat nachtploegen 3,1 keer meer kans hebben op blootstelling aan minstens één carcinogeen, ook na correctie voor sector en beroep. Niet alleen circadiaan, ook chemisch.
- Het mobiliteitsbudget wordt verplicht: een organisatorische keuze, geen HR-formaliteit – Werkgevers met bedrijfswagens zullen het mobiliteitsbudget moeten aanbieden. Het dossier schuift van HR of fleet management naar directieniveau.
Hieronder vind je alle artikels van deze week, in chronologische volgorde.