
Eergisteren verscheen in De Morgen een opiniestuk van advocaat arbeidsrecht Steven Renette met een opmerkelijk voorstel: haal de beoordeling van arbeidsongeschiktheid weg bij de huisarts, en leg ze bij de arbeidsarts. Renette wijst terecht op de tegenstrijdige opdracht waarmee huisartsen vandaag worden opgezadeld: zorgverlener én poortwachter van de sociale zekerheid tegelijk. Zijn referentiepunt is Nederland, waar die scheiding sinds jaren bestaat.
Het stuk is goed gedocumenteerd, helder geschreven, en stelt de juiste diagnose. Maar de remedie die hij voorschrijft, lost het verkeerde probleem op.
De plas en de kraan
In mijn vorige nieuwsbrief schreef ik dat het opvegen van de plas iets anders is dan de kraan dichtdraaien. De cijfers van eind 2025 (576.643 langdurig zieken, plus 39 procent depressies en burn-outs op vijf jaar) zijn niet ontstaan op het moment dat een huisarts een attest tekende. Ze zijn ontstaan op werkvloeren, in leidinggevende gesprekken die niet gevoerd werden, in functioneringstrajecten die ontspoorden, in werkorganisaties die uitval bleven uitlokken tot iemand uitviel.
De vraag wíé het briefje schrijft, is een vraag over wat er gebeurt nadat de kraan al openstaat. Een belangrijke vraag, zeker. Maar niet de vraag waar de structurele winst zit.
Het Nederlandse model dat Renette aanhaalt, illustreert dat goed. Onze noorderburen hebben de rolconflict-kwestie elegant opgelost door huisarts en arbeidsarts uit elkaar te trekken, en op de cijfers heeft dat wel degelijk effect gehad: door forse hervormingen daalde de instroom in arbeidsongeschiktheid daar substantieel. Maar de prijs was hoog: een gemedicaliseerd-juridisch systeem waarin werknemer en arbeidsarts vaak als tegenpartijen tegenover elkaar komen te staan, met een hele begeleidende industrie van bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en juridische bijstand eromheen. En zelfs met al die hervormingen blijft Nederland samen met België aan de Europese top wat betreft het aandeel inactieven door ziekte of handicap. De rolverdeling op zich heeft het probleem dus niet opgelost, maar in een andere vorm gegoten.
Dat is geen argument om niets te doen. Wel om voorzichtig te zijn met een hervorming die de tegenstrijdige opdracht van de huisarts vervangt door een evenzeer tegenstrijdige opdracht voor de arbeidsarts: die van compagnon de route én controleur. De Wet op het Welzijn is op dat punt expliciet: de arbeidsarts is geen controlearts; en die afgrenzing heeft een reden. Werknemers spreken vrijuit met hun arbeidsarts over wat er op het werk speelt, precies omdat die arts geen oordeel velt over hun recht op uitkering. Verschuif dat oordeel naar de arbeidsarts, en je verliest die spreekruimte. Je vervangt één rolconflict door een ander.
Wat dan wel
Desalniettemin klopt er wel iets aan de intuïtie van Renette. De arbeidsarts heeft vandaag een marginale positie in het traject rond arbeidsongeschiktheid, en dat is een gemiste kans. Want we hebben wel degelijk iets te zeggen dat anderen niet kunnen: wij zien de werkplek, wij kennen de functie-eisen, wij voeren vanuit een onafhankelijke positie het gesprek met werknemer én werkgever. Niemand anders heeft die drie elementen samen op tafel.
Concreet zie ik twee interventies die het systeem fundamenteel kunnen verbeteren zonder van de arbeidsarts een poortwachter te maken.
De eerste: een vroegtijdig contactrecht. Vandaag wordt de arbeidsarts in de praktijk pas na enkele weken ziekte betrokken; als die al wordt betrokken. Dat zijn precies de weken waarin re-integratie nog laagdrempelig zou kunnen. Geef de arbeidsarts het recht (niet de plicht) om vanaf dag één contact op te nemen met werknemer en huisarts. Niet om te beoordelen of iemand effectief ziek is, maar om de re-integratiehorizon vroeg op tafel te leggen, om te zien wat er op de werkvloer mogelijk is, om eventueel een aangepaste hervatting voor te bereiden. Het beroepsgeheim bindt alle betrokken artsen, dus die uitwisseling kan vertrouwelijk gebeuren.
De tweede: een formeel adviesmoment bij verlenging. De regering beperkt de eerste arbeidsongeschiktheidsperiode voortaan tot drie maanden. Maak van die drie maanden een echt scharnierpunt: wanneer een huisarts wil verlengen, wordt advies van de arbeidsarts standaard ingewonnen. Een tweede perspectief vanuit iemand die de werkplek kent en die kan inschatten of er arbeidspotentieel is dat met de juiste aanpassingen aangesproken kan worden. De huisarts behoudt de eindverantwoordelijkheid voor het attest. De arbeidsarts brengt in wat de huisarts niet kan zien.
Geen van beide interventies maakt de arbeidsarts tot controleur. Beide maken ons wel tot wat we zouden moeten zijn: een evidence-based compagnon de route (in de mooie formulering van een collega die op mijn vorige stuk reageerde). Onafhankelijk genoeg om iets te zeggen wat noch huisarts, noch werkgever, noch adviserend arts kan zeggen. Vroeg genoeg betrokken om verschil te maken.
De volgorde der dingen
Eén kanttekening blijft. Zelfs deze twee interventies zijn nog steeds opvegen van de plas: vroeger opvegen, beter opvegen, maar opvegen. De echte kraan zit op de werkvloer: in werkorganisatie, leidinggevend gedrag, psychosociale risico’s, vroege signaalherkenning. Dat is waar de instroom naar arbeidsongeschiktheid ontstaat, en dat is waar onze beroepsgroep historisch sterk is. Het is ook wat de Nederlandse ervaring ons leert: zelfs een fundamentele herschikking van wie het briefje schrijft, krijgt de cijfers niet onder controle als er stroomopwaarts niets verandert.
De aanstaande herziening van het KB gezondheidstoezicht gaat in die richting: door het periodiek gezondheidstoezicht te verschuiven naar bedrijfsverpleegkundigen, komt er bij arbeidsartsen tijd vrij voor complexere dossiers; spontane raadplegingen, werkhervattingsonderzoeken, re-integratietrajecten, medische overmacht. Dat is de juiste beweging. Als wij die vrijgekomen tijd inzetten op vroege betrokkenheid bij dreigende uitval, en op een zichtbare rol bij verlengingsbeslissingen, dan vullen we onze positie in zonder die te verraden.
Renette stelt de juiste diagnose, maar zijn behandelplan kopieert een Nederlands model dat zijn eigen pathologieën heeft. Wat we nodig hebben, is geen import van een rolverdeling die elders evenmin het structurele probleem oplost, maar een Belgische invulling waarin de arbeidsarts vroeger aan tafel zit en bij scharniermomenten gehoord wordt, zonder aan de poort te staan.
Achter elk van die 576.643 cijfers zit een dossier. In een aanzienlijk deel daarvan was een vroeger gesprek mogelijk geweest. Laten we als beroepsgroep zorgen dat dat gesprek volgende keer wel gevoerd wordt.
Een korte week, dus ook slechts drie artikels. Ik test nu ook uit om de hoofdafbeelding of in de tekst zelf een infografiek toe te voegen, die ChatGPT maakt op basis van het artikel. Benieuwd wat jullie gedacht daarover is.
- Pesten en geweld op het werk maken medewerkers letterlijk zieker. Een grootschalige Noord-Europese studie laat zien dat wie voor het eerst geconfronteerd wordt met grensoverschrijdend gedrag op het werk, binnen één tot twee jaar significant vaker obees wordt of problematisch begint te drinken. Het label “welzijnsbeleid” dekt de lading niet meer.
- Lichte arbeid voor 15-jarigen: nieuwe doelgroep, oude welzijnsverplichtingen. Sinds 4 mei 2026 mogen vijftienjarigen onder een studentenovereenkomst werken. Voor preventieadviseurs in kleinhandel, horeca, zorg en logistiek betekent dat een nieuwe doelgroep met strengere beschermingseisen dan in de meeste huidige risicoanalyses zijn opgenomen.
- Lage rugpijn: arbeidsparticipatie daalt al twee jaar vóór de doorverwijzing. Een Deense registerstudie over 8.256 patiënten laat zien dat de werkprognose niet ontspoort op het moment van de assessment, maar twee jaar eerder. Wie wacht op een specialistisch oordeel om in te grijpen, komt structureel te laat; een bevinding die rechtstreeks raakt aan het pleidooi voor vroege betrokkenheid in dit nummer.