Nieuwsbrief

Wegwijs in welzijn #40: Aanwezig is niet hetzelfde als in orde

Wie mijn nieuwsbrief van vorige week gelezen heeft, weet dat mijn voet (minstens) zes weken in het gips zit. Ik schreef over de val, de diagnose die ik niet had zien aankomen, en de plotse herorganisatie van mijn leven. Ik eindigde stoïcijns: aanpassen, omarmen wat is, verder gaan.

En dan moest ik het aankondigen op het werk. Noodgedwongen telewerk. Mijn collega’s waren heel begripvol. Ik kreeg meerdere voorstellen van collega’s die wel een aantal keren als taxichauffeur wilden optreden. Maar zelfs een langere rit als passagier is voorlopig geen optie: ik moet de voet zoveel mogelijk omhoog houden. Het geeft ook niet echt een professioneel beeld om in een vergaderzaal mijn voet op de tafel neer te ploffen.

Ik merkte dat ik me schuldig voelde. Alsof ik overdreef. Alsof de orthopedist misschien wat te voorzichtig was geweest. Alsof ik me, ergens, toch een beetje aanstelde.

Ik heb een tijdje bij dat gevoel stilgestaan. Want het is merkwaardig om schuldgevoel te hebben als je voet paars wordt zodra je hem vijf minuten laat zakken; en waarbij je ’s nachts meerdere malen wakker wordt omdat je een “verkeerde” beweging hebt gemaakt.

En dan realiseerde ik me: ik heb eigenlijk geluk. Het gips is zichtbaar. Wie me ziet binnenkomen op krukken, of op een scherm, als ik terloops vermeld wat er aan de hand is, begrijpt meteen dat er iets niet klopt. Het bewijs is er. De twijfel verdwijnt.

Dat doet me denken aan mijn Barry White-stem. Bij een zware verkoudheid slaat het op mijn stembanden: een bijzonder diepe stemklank, soms helemaal geen stem. Eerlijk gezegd ben ik daar altijd een beetje dankbaar voor; niet voor de verkoudheid, maar voor de stem. Want met die stem horen mensen dat ik ziek ben. De verwachtingen dalen vanzelf. Ik krijg zelfs niet de vraag om “You’re the First, the Last, My Everything” ten gehore te brengen (gemiste kans, maar dat terzijde).

Gips werkt hetzelfde. Het is een fysiek signaal dat voor mij spreekt. En dat maakt het makkelijker voor mij, maar ook voor de mensen rondom mij.

Maar hoe zou het zijn als er geen gips is? Geen Barry White-stem? Geen enkel zichtbaar signaal?

Hoeveel mensen in organisaties functioneren op halve kracht door een burnout die officieel “voorbij” is, door chronische pijn die niet te zien is, door een rouwproces dat na een paar weken geacht wordt afgerond te zijn, door angstklachten die perfect verborgen blijven achter een professionele buitenkant; en voelen zich daar schuldig over? Niet omdat iemand hen expliciet iets verwijt, maar omdat de omgeving nu eenmaal reageert op wat ze ziet. En wat ze niet ziet, bestaat minder.

Ze zijn aanwezig. Ze vergaderen. Ze antwoorden. Ze zien er normaal uit. En dus worden ze behandeld alsof ze normaal functioneren.

Het schuldgevoel dat ik voelde; met een gebroken voet, omringd door begripvolle collega’s, met een gips als zichtbaar bewijs: dat is ongegrond en bovendien tijdelijk. Maar voor veel mensen is het structureel. Dag na dag het gevoel dat je beperking niet geloofwaardig genoeg is. Dat je niet genoeg bewijs hebt. Dat je je aanstelt.

Een cultuur die welzijn serieus neemt, lost dat niet op met een beleid of een procedure. Ze lost het op met een reflex. De reflex om bij iemand die zegt dat het moeilijk gaat, eerst te vragen: wat heb je nodig? En pas daarna (of misschien zelfs helemaal niet) te vragen: maar hoe lang gaat dat dan nog duren?

Een voet geneest. Maar hoeveel mensen in een organisatie lopen rond met iets wat niemand kan zien, en zijn al lang gestopt met het zeggen?


Deze week verschenen vijf artikels op mijn LinkedIn-pagina.

  1. De terug-naar-werkvoucher werkt te weinig: wat staat een goede uitrol in de weg? – Het terug-naar-werkfonds bestaat al een tijdje, maar het gebruik blijft structureel achter: te weinig bekend, te complexe aanvraagprocedure, te weinig bereik bij de mensen voor wie het bedoeld is. Een actualiteitsdebat in de commissie Sociale Zaken bracht de knelpunten in beeld, met nieuwe hervormingsaankondigingen van minister Vandenbroucke in het verschiet.
  2. Wanneer management toxisch wordt: wat het vonnis van Huy ons leert over de grens tussen stijl en pesten op het werk – Een arbeidsrechtbank in Huy boog zich over een zaak van morele intimidatie na een radicale managementwissel. Het vonnis trekt een scherpe lijn: slecht management is niet automatisch pesterij, maar een bureau afpakken, constant bekritiseren en iemand uitsluiten van vergaderingen, wél.
  3. Rugklachten als beroepsziekte: wat een arrest leert over blootstelling en bewijslast – Een politie-inspectrice met dertig jaar interventiedienst dient een aanvraag in bij Fedris voor lumbale aandoeningen. Na een aanvankelijke afwijzing wegens gebrek aan bewijs, corrigeert het Arbeidshof van Luik: in de overheidssector geldt een wettelijk vermoeden van blootstelling, en dat vermoeden was niet weerlegd.
  4. Eerste aanwerving, eerste risico: waarom preventie bij startende bedrijven te laat begint – Hoe vroeger een bedrijf preventie inbedt, hoe minder schade nadien. Een evidence synthesis maakt duidelijk dat er nauwelijks gerichte programma’s bestaan voor nieuwe bedrijven. Een lacune met een hoge prijs.
  5. Aprotische oplosmiddelen onder REACH: wat moet u concreet doen? – ECHA publiceerde een geactualiseerd richtsnoer voor bedrijven die werken met NMP, DMF, DMAC en NEP.

Hieronder vind je alle artikels van deze week, in chronologische volgorde.