
Onlangs zat ik vanuit mijn nieuwe rol voor het eerst in een vergadering met serieuze inzet, rond de tafel met mensen die op papier al gewicht in de schaal leggen nog vóór ze hun mond opendoen.
Maar het was een fijne meeting. Mensen bleken vriendelijk, aanspreekbaar, constructief. En ik deed ook gewoon mijn ding. Inclusief mijn trademark flauwe mopjes, die op het werk blijkbaar ondertussen als een soort identiteitsbewijs functioneren. (Als ik ooit mijn badge vergeet, ga ik gewoon een slechte woordspeling maken aan de receptie. Kijken of de slagboom dan vanzelf opengaat.)
Achteraf zei een collega: “Het ging goed hé! En goed dat je jezelf gebleven bent.”
Mijn eerste reflex was: ja, duh. Wie anders zou ik kunnen zijn? Maar ze verduidelijkte: sommige mensen veranderen in zulke situaties zichtbaar van gedaante. Alsof er plots een “corporate mode” wordt aangezet. Stijver, afstandelijker, gecontroleerder. Soms zelfs een ander vocabulaire. Dezelfde persoon, maar met een gladder jasje en minder zuurstof.
Soms zie je het ook in hun dagelijkse manier van werken: mensen met twee gezichten die zich totaal anders gedragen (en andere dingen verkondigen) tegenover collega’s dan tegenover hun leidinggevenden.
En hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte: ze heeft gelijk. Niet alleen over die “maskers” (meestal uit onzekerheid, soms uit strategie, zelden uit pure slechtheid), maar ook over iets fundamentelers: we dragen allemaal meerdere persona’s in ons. Niet als toneelspel, maar als contextgevoelige versies van dezelfde mens.
Ik ben bijvoorbeeld niet dezelfde persoon op het werk als thuis. Niet beter of slechter, gewoon anders. Op het werk ben ik meer richting, meer tempo, meer “we gaan dit oplossen”. Thuis ben ik meer “we zien wel”, maar soms ook meer… “waar is mijn iPhone en wie heeft mijn geduld verstopt?”
En ik zie hetzelfde bij anderen. Mijn echtgenote gedraagt zich anders bij haar ouders dan bij ons. Dat is niet “onecht”. Dat is relationele zwaartekracht: sommige contexten trekken automatisch een andere kant van je naar voren. Zoals een ruimte waar je plots weer 14 bent, zelfs al heb je ondertussen een hypotheek en een mening over isolatiewaarden.
De voorbije twee jaar hebben dat thema voor mij ook een extra laag gegeven. Iets minder dan twee jaar geleden overleed mijn moeder, en vijf maanden geleden mijn vader. En sindsdien zal ik ook nooit meer “de zoon” zijn in de levende betekenis van het woord. Dat deel van mij is mee “gestorven”. Het is vreemd hoe hard identiteit ook afhankelijk is van wie er naar je kijkt. Sommige rollen bestaan alleen zolang de andere kant van de relatie bestaat.
En dan is er nog een andere waarheid: zelfs los van context verandert een mens. We doen graag alsof we één stabiele kern hebben: “ik ben nu eenmaal zo”, maar als je eens echt terugkijkt naar jezelf van tien jaar geleden, dan zie je meestal een ander persoon. De meeste mensen erkennen dat zonder veel moeite. Alleen onderschatten ze vervolgens hoeveel ze in de komende tien jaar nog gaan veranderen. Alsof verandering een verhaal is dat achter je ligt, niet voor je.
Dat kan beangstigend klinken: je blijft niet wie je nu bent. Maar dat hoeft geen slecht nieuws te zijn. Verandering is ook groei.
Ik merk die verandering bij mezelf heel concreet in kleine symbolen. Jarenlang droeg ik op mijn jas een pin met een esculaap. Arts zijn, en medisch directeur, was niet gewoon een job, maar een stuk identiteit. Ik wilde dat ook tonen. Ik had zelfs in elke nieuwe wagen een herbruikbare sticker die ik dertig jaar geleden kreeg, om duidelijk te maken dat ik arts was.
Met daaronder een kleine, stille bijgedachte: als er straks een zwaar ongeval gebeurt en iedereen kijkt naar mij alsof ik MacGyver met een stethoscoop ben… dan ga ik hopeloos tekortschieten. Een mix van trots en verantwoordelijkheidsgevoel, gecombineerd met een vleugje imposter syndrome. Mijn brein kon dat perfect samen laten bestaan.
Onlangs kreeg ik een nieuwe wagen. En ik was vergeten die sticker opnieuw te plakken. En een paar dagen later dacht ik: ach, laat maar zo. En de esculaap-pin heb ik ook verwijderd. Niet omdat ik plots geen arts meer ben, maar omdat ik nu de hele organisatie vertegenwoordig, niet enkel het medisch departement.
In de plaats draag ik nu een pin met “don’t panic”. Wat verrassend vaak toepasselijk blijkt.
Want een groot deel van mijn meerwaarde in deze nieuwe rol is niet dat ik alles al weet. Het is dat ik rust kan brengen. Stabiliteit. Zelfzekerheid. Niet als toneel, maar als anker: “we lossen dit op, stap voor stap.” Dat is geen masker. Dat is een functie. En tegelijk: ook een keuze. De persoon die ik wil zijn in een omgeving waar veel beweegt.
Dus ja: in een korte tijd ben ik al niet meer exact dezelfde persoon als enkele maanden geleden. En dat is ok. Zolang ik maar kan blijven houden van de persoon die ik word.
Mijn omgeving zal dat wel mee bewaken. Mijn gezin is daar bijzonder efficiënt in. Niets zo corrigerend als twee dochters en een partner die je al te goed kennen. En ook op het werk heb ik een aantal collega’s die me “bij de orde” houden, waarbij één blik volstaat om je hele managementdeck te laten crashen 😉.
“Jezelf zijn” betekent dus niet dat je overal dezelfde versie van jezelf moet tonen. Het betekent dat je versies kloppen. Dat ze voortkomen uit waarden, niet uit angst. Dat je je niet kleiner maakt om erbij te horen, en jezelf niet groter maakt om indruk te maken.
Dus als je in een high stakes meeting gewoon jezelf kunt blijven (mét je flauwe mopjes) dan breng je ook de beste versie van jezelf. Oh, en wat je ook doet: don’t panic.
Deze week verschenen er vijf nieuwe artikels op mijn LinkedInpagina. Het stuk over charlatans, mooipraters die ook in het domein van welzijn op het werk hun “oplossingen” komen slijten, kreeg opvallend veel reacties. Blijkbaar raakte het een gevoelige snaar. Fijn dat er veel professionals zijn die mijn frustratie hieromtrent delen. Ook het artikel over welzijns- en veiligheidscommunicatie vond duidelijk zijn publiek. Daarnaast schreef ik over de nieuwe EU-richtsnoeren rond asbest, de veiligheidsrisico’s van opkomende digitale technologieën en de stofevaluatie van perfluamine.
Hieronder vind je alle artikels van deze periode, in chronologische volgorde.