
Er bestaan in België geen exacte cijfers over de omvang van welwillendheidsattesten, ziektebriefjes die zonder objectiveerbare medische grond worden afgeleverd. Dat bevestigde minister Frank Vandenbroucke in antwoord op een parlementaire vraag van Hervé Cornillie (MR). De minister maakt daarbij een relevant onderscheid: er is het “valse ziektebriefje” in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet (artikel 31), en daarnaast het getuigschrift arbeidsongeschiktheid dat recht geeft op een uitkering via het RIZIV. Twee documenten, twee circuits, en voor geen van beide is vandaag de werkelijke omvang gekend. Toch komt er beweging: sinds 1 januari 2026 is de GAOCIT-databank operationeel, en die moet het voorschrijfgedrag van artsen voor het eerst op grote schaal in kaart brengen.
Een oud probleem, maar nu pas meetbaar
Dat sommige artsen lichtvaardig omspringen met ziektebriefjes is geen nieuw gegeven. De Orde der artsen – Ordre des médecins waarschuwde er al in 2022 voor, na een stijgend aantal klachten bij de provinciale raden en een undercoverreportage waarin artsen zonder enige consultatie attesten uitschreven. Een arts die een welwillendheidsattest voorschrijft, riskeert vervolging wegens valsheid in geschrifte. Toch bleef het fenomeen grotendeels onzichtbaar, bij gebrek aan structurele data.
De parlementaire vraag bracht de bestaande controlemechanismen in kaart. Vier instanties kunnen in theorie ingrijpen:
- de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) van het RIZIV
- de Orde der Artsen
- de adviserend artsen van de verzekeringsinstellingen
- het openbaar ministerie
Maar de DGEC heeft een beperkte rol bij welwillendheidsattesten, de Orde werkt autonoom en vaak traag, en het openbaar ministerie komt alleen in beeld bij strafrechtelijke feiten. In de praktijk ontbreekt het dus aan een gecoördineerd controlemechanisme dat afwijkend voorschrijfgedrag vroegtijdig detecteert.
De GAOCIT-databank: voorschrijfgedrag wordt transparant
Daar wil de GAOCIT-databank (Getuigschrift ArbeidsOngeschiktheid – Certificat d’Incapacité de Travail) verandering in brengen. Deze nieuwe databank binnen het RIZIV verzamelt alle gegevens over elektronisch verzonden getuigschriften van arbeidsongeschiktheid. Het doel is drieledig: huisartsen bewust maken van hun eigen voorschrijfgedrag, afwijkende patronen detecteren, en een basis leggen voor gerichte preventiemaatregelen.
Concreet registreert de databank hoeveel keer een arts arbeidsongeschiktheid voorschrijft, in verhouding tot de omvang van diens praktijk en patiëntenbestand. Ook de duur van de voorgeschreven arbeidsongeschiktheid wordt bijgehouden, gekoppeld aan de diagnose. Bovendien wordt zichtbaar hoeveel verschillende huisartsen een sociaal verzekerde raadpleegt in het kader van arbeidsongeschiktheid, een indicator die kan wijzen op het zogenaamde “shoppen” tussen artsen.
De gegevens worden in principe gepseudonimiseerd. Maar wanneer er “klaarblijkelijke aanwijzingen” van afwijkend gedrag zijn, kunnen bepaalde personen de data op naam identificeren; de precieze modaliteiten daarvoor moeten nog bij koninklijk besluit worden vastgelegd.
Onderdeel van een bredere responsabiliseringsbeweging
De GAOCIT-databank staat niet op zichzelf. Ze kadert in de wet van 19 december 2025 tot uitvoering van een versterkt terug-naar-werkbeleid, die werkgevers, werknemers, mutualiteiten én artsen sterker responsabiliseert. Zo is sinds 1 januari 2026 ook de regel van kracht dat het elektronisch getuigschrift van arbeidsongeschiktheid maximaal drie maanden mag bedragen. Attesten van meer dan veertien dagen moeten voortaan verplicht elektronisch worden verstuurd. En de solidariteitsbijdrage voor werkgevers (die de vroegere responsabiliseringsbijdrage vervangt) legt de financiële druk nu ook nadrukkelijker bij bedrijven met een hoge instroom in arbeidsongeschiktheid.
De wetgever vertrekt daarbij vanuit een helder uitgangspunt: niet alle verzuim is medisch onverantwoord, maar het gebrek aan transparantie maakt het onmogelijk om proportioneel in te grijpen. De GAOCIT-databank is in die zin geen sanctie-instrument maar een spiegelinstrument, bedoeld om artsen feedback te geven over hun eigen praktijk, vergelijkbaar met hoe audits van geneesmiddelenvoorschrijving al langer bestaan.
Wat betekent dit voor werkgevers?
Werkgevers zitten niet aan de knoppen van de GAOCIT-databank; dat is op zich evident. Maar de discussie rond welwillendheidsattesten raakt wel degelijk aan hun dagelijks werk. De geloofwaardigheid van het ziekteattest is immers de scharnier waarop het hele afwezigheidsbeleid draait. Wanneer attesten niet betrouwbaar zijn, ondermijnt dat het vertrouwen tussen werkgever en werknemer, bemoeilijkt het de planning, en vertroebelt het het onderscheid tussen wie werkelijk steun nodig heeft en wie misbruik maakt van het systeem.
Tegelijk vraagt deze evolutie ook om nuance. De overgrote meerderheid van ziektebriefjes is wél medisch gegrond. De focus op welwillendheidsattesten mag niet leiden tot een klimaat van wantrouwen tegenover zieke werknemers in het algemeen. Wie na een burn-out uitvalt met een attest van de huisarts, verdient steun en begeleiding, geen argwaan.
Concrete reflecties voor de eigen organisatie
- Hoe is het afwezigheidsbeleid ingericht? Is er een helder protocol dat zowel de rechten van de werknemer respecteert als tijdig signalen van problematisch verzuim capteert? Sinds januari 2026 is contacthouden met afwezige werknemers wettelijk verplicht; dat biedt een kader.
- Wordt de controlearts correct ingezet? De controlearts (artikel 31 arbeidsovereenkomstenwet) verifieert de arbeidsongeschiktheid, niet de diagnose. Dat onderscheid is essentieel. Een controlebezoek is geen wapen, maar een verificatie-instrument. Gebruik het proportioneel.
- Is er samenwerking met de arbeidsarts rond terugkeerpatronen? De arbeidsarts ziet patronen die HR niet ziet. Een werknemer die herhaaldelijk kortdurend uitvalt met wisselende huisartsen, kan een signaal zijn. Het bezoek voorafgaand aan werkhervatting, dat nu ook op initiatief van de werkgever kan worden gevraagd, biedt daar een opening.
- Bewaakt het beleid de balans tussen controle en vertrouwen? Een te streng verzuimbeleid werkt contraproductief en drijft werknemers net richting welwillende artsen. Een te laks beleid laat misbruik ongestoord passeren. De kunst zit in een afwezigheidsbeleid dat consistent, transparant en menselijk is.

De vraag achter de vraag
De GAOCIT-databank zal niet van vandaag op morgen het probleem van welwillendheidsattesten oplossen. Maar ze maakt wél zichtbaar wat tot nu toe onzichtbaar bleef. En dat is een eerste stap. De echte uitdaging ligt dieper: waarom vragen werknemers om een attest dat ze strikt genomen niet nodig hebben? Is het de druk van een werkgever die geen ongewettigde afwezigheid tolereert? De angst om zonder papier niet geloofd te worden? Of een werkcultuur waarin ziek zijn zonder bewijs verdacht is?
Wie het fenomeen welwillendheidsattesten serieus neemt, kijkt niet alleen naar de arts die tekent, maar ook naar de context die het tekenen noodzakelijk maakt.