Artikel

Schaarse arbeidsartsencapaciteit: wat de Europese enquête over België leert

België staat voor een hertekening van het gezondheidstoezicht. Een belangrijke aanleiding is de schaarse capaciteit aan arbeidsartsen: hoe zet je de beschikbare artsentijd in waar die de meeste preventieve meerwaarde heeft? Tegen die achtergrond is een nieuwe Europese vergelijking opvallend. Ze laat niet alleen zien hoeveel arbeidsartsen België rapporteert, maar ook waaraan zij hun tijd besteden en welke uitdagingen vooropzet worden.

Een nieuwe discussienota van EU-OSHA rapporteert voor België 1.000 artsen met een specialisatie arbeidsgeneeskunde, en evenveel artsen die effectief in het vak werken, bij 5,165 miljoen werkenden. Die cijfers komen uit een enquête van de UEMS-sectie Arbeidsgeneeskunde bij de nationale beroepsverenigingen van 22 landen. Het gaat om aantallen artsen. Voltijdse equivalenten staan er niet in, terwijl Belgische cijfers van Co-Prev eerder op ongeveer 700 VTE wijzen. Beide getallen kunnen tegelijk kloppen. Maar voor de vraag hoeveel arbeidsartsencapaciteit werkelijk beschikbaar is, is VTE de relevantere maat.

Lees ook: Naar een andere invulling van het gezondheidstoezicht?

1.000 artsen is niet hetzelfde als 1.000 VTE

De nota verwijst naar een internationale vergelijkende studie van Krakov en collega’s uit 2023. Die concludeerde dat een verhouding van één arbeidsarts per 5.000 werknemers redelijk is voor landen met een bruto binnenlands product per inwoner boven 30.000 dollar. Dat is een referentiewaarde uit één studie, geen Europese norm en geen wettelijke ondergrens.

Op de 1.000 gerapporteerde artsen komt België uit op ongeveer één arts per 5.165 werkenden. Op 700 VTE wordt dat ongeveer één voltijdse arbeidsarts per 7.400 werkenden. Die tweede berekening leg ik bewust niet naast de referentiewaarde van Krakov. Zolang niet vaststaat of die studie met VTE werkt en dezelfde populatie hanteert, levert zo’n vergelijking een schijnprecisie op. België antwoordde in de enquête dat er een tekort aan specialisten is, samen met 18 andere landen.

Lees ook: Onderzoek – Van theorie naar praktijk: hoe jonge bedrijfsartsen taakdelegatie ervaren

Hoe de cijfers tot stand kwamen, bepaalt hoe hard ze zijn

De auteurs zijn expliciet over de beperkingen. De antwoorden geven het standpunt weer van de deelnemende nationale beroepsverenigingen, en andere nationale stakeholders kunnen anders antwoorden. Bij de personeelscijfers konden sommige landen exacte registratiegegevens leveren, terwijl andere opgaven ramingen zijn. De nota zegt niet in welke categorie het Belgische cijfer valt.

Dat maakt de tabel niet onbruikbaar. Ze toont hoe de nationale beroepsverenigingen hun eigen systeem inschatten, en die inschattingen lopen sterk uiteen. Duitsland rapporteert 4.400 specialisten en 9.000 praktiserende artsen. Tsjechië 100 specialisten en 3.000 praktiserenden. Ierland 80 en 300. België rapporteert twee keer hetzelfde getal (1.000).

De Belgische enquête rapporteert geen groep niet-specialisten naast de specialisten

Dat de twee Belgische getallen samenvallen, betekent dat de respondent geen noemenswaardige groep niet-gespecialiseerde artsen in het vak rapporteert. Het bewijst op zich niet dat de Belgische regelgeving zo’n groep uitsluit. Wie de capaciteitsvraag wil beantwoorden, moet die twee dingen uit elkaar houden: wat de Europese enquête laat zien, en wat de codex toelaat.

De nota beschrijft wel wat er in Europa gebeurt zodra de wettelijk opgelegde vraag het aanbod aan specialisten overstijgt. Een eerste antwoord is niet-gespecialiseerde artsen machtigen om arbeidsgeneeskundige activiteiten uit te voeren, met een risico op inconsistente gespecialiseerde zorg. Een tweede is het herdenken van verantwoordelijkheden en het delegeren van taken aan andere zorgverleners, met de occupational nurses in het Verenigd Koninkrijk als voorbeeld. Gelijkaardige oplossingen bestaan in Frankrijk en Nederland.

Lees ook: Nieuw advies Hoge Raad over toekomst arbeidsgeneeskunde

België en Nederland zetten als enige de aanpassing van het werk op de eerste plaats

De landen rangschikten de elf functies uit ILO-conventie C161 naar geschatte tijdsbesteding. In 14 van de 20 landen die dat konden inschatten, staat het gezondheidstoezicht op één. België en Nederland zijn de enige twee landen die “het bevorderen van de aanpassing van het werk aan de werknemer” bovenaan zetten. Portugal, Roemenië en Spanje plaatsen die functie tweede.

De enquête bevat één meetmoment, dus ze toont geen evolutie. Wat ze wel vaststelt, is dat de Belgische beroepsvereniging werkaanpassing vandaag als de grootste tijdspost inschat. Dat is een positie die maar vijf van de twintig landen delen.

Niet-nationale werknemers: meer dan een taalbarrière

De respondenten rangschikten ook negen uitdagingen. Gemiddeld over alle landen staat de vergrijzende beroepsbevolking op één: negen landen zetten die bovenaan, zes op de tweede plaats. België niet. Samen met Denemarken plaatst België niet-nationale werknemers eerst, een uitdaging die gemiddeld derde staat.

De nota behandelt dat thema los van “veranderende arbeidsrelaties”, dat gemiddeld tweede staat en in Duitsland en Italië bovenaan. Platformwerk, nulurencontracten en gedwongen zelfstandigheid horen bij die tweede categorie. Bij niet-nationale werknemers noemt de nota taalbarrières, andere veiligheidsculturen, werkonzekerheid en oververtegenwoordiging in vuile, gevaarlijke en vernederende taken. De twee categorieën overlappen in de praktijk, maar de Belgische respondent koos uitdrukkelijk de eerste.

Het multidisciplinaire model is de Belgische eigenheid in deze nota

De nota beschrijft België op twee punten als bijzonder. Arbeidsveiligheid en arbeidsgezondheid moeten hier in één dienst worden aangeboden, met artsen en verpleegkundigen in hetzelfde preventieteam als de andere deskundigen. Daarnaast noemt de nota het Belgische systeem uniek omdat elke werknemer toegang moet hebben tot een deskundige zoals een ergonoom, een arbeidshygiënist of een psychosociaal preventieadviseur.

Dat model is ook de plaats waar de capaciteitsvraag concreet wordt. Als de artsencapaciteit de krapste schakel in dat team is, dan bepaalt de taakverdeling binnen het team hoeveel er met die schakel gebeurt. In de SWOT-antwoorden noemden acht van de twintig analyseerbare landen de expertise en opleiding van hun artsen als sterkte, met België als een van de voorbeelden. Diezelfde antwoorden noemen het specialistentekort als belangrijkste zwakte.

Negentien landen melden een tekort, en ze reageren er verschillend op

De nationale stelsels verschillen te sterk in opdracht, financiering en opleidingsvereisten om de Europese vergelijking als blauwdruk voor het Belgische gezondheidstoezicht te gebruiken. Als vergelijkingsmateriaal is ze wel bruikbaar, op een moment dat de inzet van schaarse artsencapaciteit hier een open vraag is. Die vraag komt samen met stijgende verwachtingen rond duurzame inzetbaarheid en re-integratie, en met een ziekteverzuim dat hoog op de maatschappelijke agenda staat.

Negentien van de 22 landen meldden een tekort aan specialisten, en ze gaan er binnen hun eigen stelsel verschillend mee om. Twee antwoorden benoemt de nota rechtstreeks: niet-gespecialiseerde artsen inzetten, of taken delegeren naar andere zorgverleners. Versterkte multidisciplinaire samenwerking en digitale ondersteuning komen elders in de nota naar voren, als kansen in de SWOT-antwoorden. Geen van die routes wordt als de beste aangeduid.

Dat maakt de capaciteitsvraag breder dan een rekensom. Naast hoeveel gezondheidstoezicht met de beschikbare artsen georganiseerd kan worden, staat de vraag welke inzet van diezelfde uren de meeste gezondheidswinst en preventieve meerwaarde oplevert. De Europese ervaringen beantwoorden die tweede vraag niet. Ze tonen wel welke keuzes andere stelsels op dat punt al gemaakt hebben.

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.