Artikel

PFAS-bloedtest zinloos, ook bij zwangerschap en risicoberoepen

Een individuele PFAS-bloedtest heeft geen klinische meerwaarde, ook niet voor zwangere medewerkers, wie borstvoeding geeft of wie in een risicoberoep werkt. Dat bevestigt het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) in rapport 422A van juli 2026, het tweede deel van zijn PFAS-onderzoek. De reden: er bestaat geen drempelwaarde die op individueel niveau aangeeft vanaf welke PFAS-concentratie gezondheidsschade optreedt, en er is geen behandeling om een verhoogde waarde te verlagen. Een testresultaat verandert dus niets aan wat een arts of preventieadviseur daarna doet.

Vier criteria bepalen het klinisch nut van een test, en PFAS haalt er twee niet

Het KCE toetst het klinisch nut van een test aan vier criteria:

  1. is er sterk bewijs van een verband met ernstige gezondheidsproblemen,
  2. bestaat er een gevalideerde test,
  3. is er een drempelwaarde waarboven een individu risico loopt, en
  4. bestaat er een effectieve interventie die betere gezondheidsuitkomsten oplevert dan de gewone zorg.

Op de eerste twee valt iets te zeggen. Op de laatste twee loopt het vast.

Voor de meeste onderzochte gezondheidseffecten is de wetenschappelijke zekerheid laag tot zeer laag. Een verband is niet aangetoond en evenmin uitgesloten. Slechts voor twee uitkomsten is er matige zekerheid: tussen PFOA en zwangerschapsdiabetes, en tussen PFOS, PFOA, PFNA en een lager geboortegewicht. Zelfs daar helpt een individuele test niet, want er is geen concentratie waarboven je iemand als risicogeval kunt bestempelen, en geen ingreep die de waarde of het risico verlaagt.

Biomonitoring is hetzelfde staal met een ander doel

Voor arbeidsartsen en preventieadviseurs is dit het onderscheid dat telt. Een klinisch nuttige test ondersteunt een medische beslissing voor één persoon. Biomonitoring meet PFAS in bloed, urine, haar of moedermelk om de blootstelling van een groep in kaart te brengen. Bijvoorbeeld bewoners van een verontreinigd gebied of werknemers die met PFAS in contact komen. Ze dient om te weten hoe hoog de blootstelling in een populatie ligt en om op te volgen of maatregelen effect hebben. Individuen aanwijzen die medische opvolging nodig hebben, is er niet het doel van.

Dat verschil bepaalt hoe je een bezorgde medewerker antwoordt. Wie vraagt om hun PFAS te laten meten, stelt vaak eigenlijk een blootstellingsvraag, geen medische. Het KCE raadt de klinische test af, maar moedigt biomonitoring van blootgestelde werknemers net aan. Op voorwaarde dat ze gekoppeld wordt aan onderzoek met langdurige klinische opvolging.

Risicoberoepen zijn bekend, een systematisch overzicht ontbreekt

De hoogste blootstelling zit bij werknemers in de chemische industrie, brandweerlieden, wie skiwax aanbrengt en de textielsector. Biomonitoring bracht ook galvaniseerders en lassers in beeld, en er is risico bij laboratoriumpersoneel, afvalverwerking en beroepen met intensief bodemcontact zoals landbouw, wegenwerken en bouw. Een volledig en systematisch overzicht van risicoberoepen bestaat voorlopig niet. En over de blootstelling en de gezondheidseffecten in de werkomgeving is nog weinig onderzoek gedaan.

Biomonitoring is in de arbeidsgeneeskunde vandaag niet verplicht. Of ze gebeurt, hangt af van de risicoanalyse van de werkgever. Net als bij de BA4/BA5-codificatie, die ik eerder besprak, is die risicoanalyse het vertrekpunt: zonder analyse van waar en hoe medewerkers worden blootgesteld, valt niet te onderbouwen wie je zou opvolgen. Het KCE vraagt uitdrukkelijk om biomonitoring bij blootgestelde werknemers te koppelen aan onderzoek en er transparant over te rapporteren, zodat de gegevens het beleid voeden.

Voor zwangerschap en borstvoeding blijft de gewone begeleiding gelden

De boodschap voor zwangere medewerkers en wie borstvoeding geeft is geruststellend. De gebruikelijke opvolging door huisarts, gynaecoloog of vroedvrouw blijft gelden, en het vaccinatieschema van de baby hoeft niet aangepast: er is geen bewijs dat PFAS de bescherming door vaccins in het gedrang brengt. PFAS gaan via moedermelk over op het kind, maar de voordelen van borstvoeding wegen op tegen de nog onduidelijke risico’s. Het algemene borstvoedingsadvies blijft dus overeind.

Wat je hier concreet mee doet

Het rapport vertaalt zich in een aantal handelingen:

  • Communiceer open over de onzekerheid. Het KCE vraagt zorgverleners om helder en empathisch te antwoorden op vragen over PFAS, met een actueel en betrouwbaar informatiepakket als basis.
  • Vraag geen klinische PFAS-bloedtest aan voor individuele opvolging. Het resultaat kan het medisch beleid niet sturen.
  • Volg de standaardrichtlijnen, ook bij een vermoeden van verhoogde blootstelling, en wijk daar enkel van af in het kader van een wetenschappelijke evaluatie.
  • Overweeg biomonitoring bij blootgestelde werknemers vanuit de risicoanalyse, en koppel ze aan langdurige klinische opvolging en transparante rapportage.

Tot slot

Het KCE bevestigt met dit tweede rapport wat het een jaar eerder al concludeerde voor de algemene bevolking (rapport 403, waar ik het in een eerder artikel over had): een PFAS-meting geeft vandaag geen houvast voor individuele zorg, omdat zowel de drempelwaarde als de behandeling ontbreekt. De winst zit in biomonitoring die aan onderzoek wordt gekoppeld en in eerlijke communicatie over wat we nog niet weten. Voor wie een bezorgde medewerker moet begeleiden, is het volledige rapport, met uitleg over de interpretatie van richtwaarden, de meest bruikbare bron om bij de hand te houden.

Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.