
Een arbeider krijgt in 2013 een beroepsziekte erkend wegens gehoorverlies door lawaai. Acht jaar later, wanneer hij een verergering aanvraagt, stelt FEDRIS – Federaal agentschap voor beroepsrisico’s- Agence fédérale des risques professionnels plots dat de blootstelling aan het beroepsrisico destijds onvoldoende was aangetoond. Het Arbeidshof van Brussel fluit het agentschap terug. Maar de zaak legt een kwetsbaarheid bloot die elke preventieadviseur zou moeten kennen: dossiers die vandaag goed lijken, kunnen jaren later aangevochten worden; en dan telt de bewijslast zwaar.
Wat was er aan de hand?
De betrokken werknemer was al jaren als magazijnier en heftruckchauffeur actief in een sorteercentrum. De arbeidsarts adviseerde hem in 2013 een beroepsziekteaanvraag in te dienen op basis van bilateraal gehoorverlies. FEDRIS erkende de beroepsziekte (code 1.603 = Hypoacousie of doofheid ten gevolge van het lawaai) en stelde een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4% vast.
Jaren later, na meerdere gerechtelijke procedures over de graad van arbeidsongeschiktheid, diende de werknemer in 2021 een nieuwe aanvraag in voor verergering. Plots herzag FEDRIS het volledige dossier en besliste dat er bij de oorspronkelijke erkenning sprake was van een “vergissing”: de blootstelling aan het beroepsrisico zou onvoldoende aangetoond zijn geweest. De erkenning werd ingetrokken, acht jaar na de feiten.
De kern van het juridische debat: wie draagt de bewijslast?
In principe rust de bewijslast van blootstelling aan het beroepsrisico bij de werknemer. Maar het Arbeidshof stelde vast dat het na acht jaar onredelijk is om die volledige bewijslast nog bij de werknemer te leggen. Bewijsstukken zijn verdwenen, de werkplek is veranderd, getuigen zijn niet meer beschikbaar.
Het hof paste artikel 8.6 van het Burgerlijk Wetboek toe. Dat artikel bepaalt dat wie de bewijslast draagt van een positief feit, kan volstaan met het aannemelijk maken van dat feit wanneer het gezien de aard van het feit onredelijk is een zekere bewijslevering te eisen. In uitzonderlijke omstandigheden kan de rechter zelfs de bewijslast verschuiven.
Doorslaggevend was de plotse ommezwaai van Fedris. Het agentschap had de blootstelling zelf erkend in 2013, het dossier meerdere jaren mee begeleid, en stelde nu, enkel bij gelegenheid van een verergingsaanvraag, dat er een fout was gemaakt. Het hof oordeelde dat dit gedrag de aannemelijkheid van de blootstelling voldoende onderbouwt. De intrekking werd vernietigd.
Wat betekent dit voor de preventieadviseur in de praktijk?
De zaak is technisch-juridisch, maar de lessen zijn heel concreet. Fedris heeft het recht om bij een verergingsaanvraag het volledige dossier te herbekijken, inclusief de oorspronkelijke blootstellingsvoorwaarden. Wat bij de eerste erkenning niet werd betwist, kan jaren later opnieuw in vraag worden gesteld. Dat vergroot het belang van robuuste, bewaarde documentatie bij de aanvraag zelf.
In dit geval won de werknemer niet omdat zijn dossier sluitend was, maar omdat het hof de bewijsdrempel verlaagde: de aannemelijkheid van de blootstelling was voldoende, mede omdat Fedris zelf jarenlang de erkenning had mee gedragen en pas bij de verergingsaanvraag van een “vergissing” sprak. Die plotse ommezwaai ondermijnde de geloofwaardigheid van het agentschap en gaf de rechter voldoende grond om artikel 8.6 BW toe te passen.
Vijf concrete aandachtspunten bij beroepsziekteaanvragen
- Documenteer de blootstelling zo concreet mogelijk bij de aanvraag zelf. Wie werkte de werknemer waar? Hoe lang? Met welke machines of stoffen? Dit zijn de elementen die bij een latere betwisting beslissend zijn.
- Bewaar alle stukken die de werkpost beschrijven: functieomschrijvingen, werkpostfiches, metingen, risicoanalyses. Bij reorganisaties of fusies verdwijnen deze gegevens snel.
- De arbeidsarts speelt een centrale rol. Een duidelijke en gedetailleerde medische getuigschrift bij de aanvraag, met verwijzing naar de concrete werkomgeving, versterkt het dossier sterk.
- Houd rekening met langetermijnblootstelling. Bij lawaai, chemische stoffen of andere cumulatieve risico’s kan een beroepsziekte pas jaren later manifest worden. De bewijslast geldt ook voor eerdere blootstelling, ook bij vroegere werkgevers.
- Werk samen met de sociale diensten en het RIZIV. Een beroepsziekteaanvraag stopt niet bij de erkenning; ook vervolgprocedures (verergering, verwijdering uit het beroepsrisico) vereisen onderbouwde documentatie.
De bredere context: FEDRIS en de druk op blootstellingsbewijs
Dit arrest staat niet op zichzelf. Steeds vaker zien arbeidsjuristen dat Fedris bij verergingsaanvragen de oorspronkelijke blootstellingsvoorwaarden opnieuw ter discussie stelt. Dat is juridisch niet verboden, maar het plaatst werknemers en hun adviseurs voor een zware uitdaging wanneer het dossier jaren oud is.
Het Arbeidshof signaleert hier terecht een probleem: de bewijslast mag niet volledig bij de werknemer liggen wanneer de eigen handelwijze van Fedris heeft bijgedragen aan het verlies van bewijs. Die redenering biedt een zekere bescherming voor werknemers in gelijkaardige situaties, maar ze vereist wel dat een rechter bereid is artikel 8.6 BW toe te passen, iets wat per definitie onzeker is. Dat risico kan men verkleinen door bij elke aanvraag meteen een solide basis te leggen.