Ongeveer zeventig procent van de elektrische incidenten op Amerikaanse bouwplaatsen treft werknemers die geen elektricien zijn. Dat cijfer bracht Bobek Memarian, risk engineer bij Zurich Resilience Solutions, tijdens een recent webinar van het Amerikaanse bouwonderzoeksinstituut CPWR. Hij verwijst naar de analyses die de Electrical Safety Foundation International op de OSHA-cijfers maakt. De getroffenen werken in een ander vak: ze staan naast een geopend bord of in een lokaal dat die ochtend onder spanning is gezet.
De Franse cijfers wijzen dezelfde kant op. Volgens het INRS eisen werken nabij elektrische netten in Frankrijk gemiddeld tien mensenlevens per jaar. De slachtoffers komen vooral uit de bouw, de landbouw, het groenonderhoud en de telecom, zo besprak ik in juni 2025. Twee onafhankelijke bronnen komen dus bij dezelfde groep uit: mensen die zelf geen elektrisch werk uitvoeren.
Dat verlegt de vraag wie het elektrische risico op een werf beheert. In onze praktijk zit elektrische bekwaamheid vervat in de BA4- en BA5-codificatie, toegekend per werkgever en per taak. Die codificatie regelt wie aan of nabij een installatie mag werken. Ze zegt weinig over de stukadoor die enkele meters van een geopende kast op materiaal staat te wachten.
Lees ook: Eindwerk – BA4 of BA5? Zo pak je codificatie rond elektrische veiligheid correct aan
Werfstroom verandert elke week, het werfdossier zelden
Tijdelijke elektrische installaties krijgen op de meeste werven minder opvolging dan definitieve. Joseph McManigal, risk engineer en voormalig elektricien, onderzocht een incident met een verplaatsbaar verdeelbord op zwenkwielen. De bevestiging die de kabel in de kast op zijn plaats moest houden, was niet de juiste. Door het herhaalde verplaatsen kwam ze los. De geleider schuurde tegen de rand van de opening tot het koper contact maakte, en er ging een gat in de zijkant van de kast.
Bij oplevering was die installatie in orde. De toestand ontstond daarna, door verplaatsen en gebruiken. Op een werf wijzigt de tijdelijke installatie voortdurend. Kabels worden verlegd, borden verhuizen, generatoren komen erbij, en verschillende aannemers hangen op hetzelfde net. Naarmate het project naar inbedrijfstelling gaat, stijgt het elektrische risico.
Een wissel van materieel maakt de bestaande taakrisicoanalyse ongeldig
McManigal stelt dat het risico stijgt zodra de toestand van een installatie verandert en het plan die verandering niet volgt. Het CNESST-onderzoek dat ik eind augustus besprak, toont hoe dat afloopt. Een chauffeur in Québec kreeg een langere oplegger toegewezen omdat zijn eigen vrachtwagen in herstelling stond. Op dat terrein vroeg die oplegger om een andere werkmethode, precies vanwege de leidingen erboven. Die methode bereikte hem niet, en hij manoeuvreerde het chassis onder een lijn van 14.400 volt.
De werkgever had een preventieplan dat de minimumafstanden benoemde. De handleiding van de oplegger waarschuwde voor hoogspanning. De CNESST weerhield als tweede oorzaak een opleiding die deze combinatie nooit had geoefend. Op een werf met wisselende ploegen en wisselend materieel is dat de gevoeligste plek.
Lees ook: Elektrische veiligheid op bouwplaatsen
Een contactloze spanningszoeker meldt spanning en bewijst nooit de afwezigheid ervan
De stap die het vaakst ontbreekt, is de vaststelling dat er werkelijk geen spanning meer staat. Een scheider openen en er een slot op hangen bewijst nog niets. McManigal wijst op het gebruik van contactloze spanningszoekers, in het Engels bekend onder de bijnaam “widowmaker”. Zo’n toestel geeft aan dat spanning aanwezig is. Het bewijst nooit dat spanning ontbreekt, en het geeft bij verkeerd gebruik valse indicaties.
De controle zelf verloopt in drie stappen, in het Engels “live dead live” genoemd. De meter wordt eerst getest op een gekende spanningsbron. Daarna volgt de meting op de installatie, fase tegen fase, fase tegen aarde en fase tegen nul. Ten slotte gaat de meter opnieuw naar de gekende bron, om te bevestigen dat hij tijdens de meting werkte. Wie die laatste stap overslaat, weet niet wat de nulmeting waard was.
Wie niets aanraakt, staat daarom niet veilig
McManigal toonde beelden van een vlamboog waarbij de betrokkenen niets hadden bediend. Ze stonden voor een geopende schakelinstallatie op de dag van de eerste inbedrijfstelling. De deuren stonden al open, er waren meerdere aannemers aanwezig en de planning stond onder druk. Een vlamboog ontwikkelt in milliseconden temperaturen van duizenden graden, vaak met een drukgolf erbij.
De beslissende vragen gaan op zo’n moment over toegang en communicatie. Wie beslist over het onder spanning brengen, wie mag in de zone komen, en kennen de andere ploegen die handeling? Fysieke afbakening weegt daar even zwaar als de bescherming van wie de handeling uitvoert.
Lees ook: Ontwerp AREI-hoofdstuk 9.3: de zes aandachtspunten van de Hoge Raad
Vijf vragen voor er iemand onder spanning werkt
McManigal vat zijn eigen praktijk samen in vijf vragen, te stellen voor de ploeg aan het werk gaat:
- Staat de installatie onder spanning?
- Kan ze spanningsloos gemaakt worden, en waarom gebeurt dat niet?
- Is ze vergrendeld en gemarkeerd?
- Is de afwezigheid van spanning gemeten volgens de drie stappen hierboven?
- Wie is de bekwame persoon die de handeling uitvoert of aanstuurt?
Die laatste vraag levert ook de bruikbare vraag aan een onderaannemer op. Een attest bewijst dat iemand een opleiding volgde. Het zegt niets over deze taak, op deze installatie, bij deze spanning. Vraag dus hoe de onderaannemer die toewijzing maakt en wie ze bevestigt.
Op de meeste werven staat nergens wie eigenaar is van de tijdelijke installatie
McManigal formuleert het als een toewijzingsprobleem. Staat in het veiligheidsplan niet wie een maatregel bezit, dan bezit niemand ze. Vijf punten horen daarom in het werfdossier thuis:
- Een benoemde eigenaar van de tijdelijke elektrische installatie per werf, met een vastgelegde inspectiefrequentie en een aanspreekpunt bij wijzigingen.
- Een vaste trigger die de taakrisicoanalyse heropent zodra materieel, methode of zone op de dag zelf wijzigt.
- Onthaal voor niet-elektrische ploegen dat drie dingen behandelt: wat een afgebakende zone betekent, wat niemand aanraakt, en wie gebeld wordt bij twijfel.
- Plaatsgebonden risico’s die de externe uitvoerder bereiken als een concrete werkmethode. Een algemene waarschuwing volstaat daarvoor niet.
- De eerste inbedrijfstelling als apart agendapunt op het werfoverleg, met de andere aanwezige aannemers erbij.

Het beeld van elektriciteit als vakprobleem van de elektricien houdt bij deze cijfers geen stand. De meerderheid van de getroffenen stond ernaast, in een zone waarvan ze de status niet kenden. Wie is op uw werven vandaag de eigenaar van de tijdelijke elektrische installatie: de hoofdaannemer, de elektrische onderaannemer, of staat dat nergens vastgelegd?
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.