Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Wie buitengewoon onderwijs verlaat, begint de arbeidsmarkt met een achterstand die zelden verdwijnt

Jongeren die buitengewoon onderwijs volgen, stromen de arbeidsmarkt op met structureel slechtere kansen. Dat stelt een nieuwe longitudinale studie van het Erasmus MC, gepubliceerd in april 2026 in het Scandinavian Journal of Work, Environment & Health. Zelfs zeven jaar na het verlaten van school heeft maximaal 53% van de oud-leerlingen buitengewoon onderwijs betaald werk gevonden, en voor de meest kwetsbare groep blijft dat cijfer steken op 10%. En binnen elk onderwijstraject bepalen gender en migratieachtergrond in aanzienlijke mate wie succesvol integreert en wie niet.


Van school naar werk: trajecten lopen sterk uiteen

Het onderzoek van Robert Ciliacus et al volgde ruim 74.000 oud-leerlingen van het Nederlandse voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en het praktijkonderwijs (PRO) gedurende maximaal zeven jaar na schoolverlating. Het Nederlandse VSO kent drie richtingen: een richting gericht op doorstroming naar regulier onderwijs, een richting gericht op directe arbeidsmarktintegratie, en een richting voor dagbesteding voor leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen.

De uitkomsten lopen sterk uiteen. Oud-leerlingen van de arbeidsmarktgerichte richting bereiken na drie jaar een tewerkstellingsgraad van 40 tot 45% en stagneren daarna. Die van de doorstroomrichting starten trager, maar overstijgen na 4,5 jaar de arbeidsmarktgerichte richting en bereiken uiteindelijk 53%. Leerlingen uit het praktijkonderwijs doen het het best: ruim 70% werkt zeven jaar na schoolverlating. Bij de dagbestedingsrichting ligt dat op ongeveer 10%.

Opvallend is de vergelijking tussen de arbeidsmarktgerichte VSO-richting en het praktijkonderwijs. Beide zijn bedoeld om leerlingen klaar te stomen voor directe arbeidsmarktinstroom, maar de uitkomsten op lange termijn zijn fundamenteel anders. De onderzoekers wijzen erop dat stigmatisering door het VSO-label meespeelt: werkgevers en opleidingsverstrekkers beoordelen VSO-kwalificaties minder gunstig, los van de feitelijke competenties van de betrokken persoon.

Kans op werk na de overgang uit buitengewoon onderwijs. Van: Ciliacus et al.


Zeven jaar later NEET: voor wie geldt dat?

Een van de scherpe bevindingen uit het onderzoek is het NEET-percentage na zeven jaar (not in education, employment or training). Van de oud-leerlingen uit de arbeidsmarktgerichte VSO-richting is op dat moment 52% NEET. Ter vergelijking: bij het praktijkonderwijs is dat 25%.

NEET is geen neutrale statistiek. Een langdurige NEET-periode vroeg in de loopbaan laat littekens na: verminderde kansen op kwalitatief werk, een verzwakte onderhandelingspositie en een hoger risico op latere werkloosheid. Daar bovenop is er het welzijnsperspectief. Betaalde arbeid draagt bij aan mentale gezondheid, zelfwaardegevoel en sociale participatie. Langdurige uitsluiting van de arbeidsmarkt is dus niet alleen een economisch probleem, maar ook een gezondheidsrisico. Voor jongeren met een beperking, die al vaker kwetsbaar zijn voor psychische problemen, versterkt dit een vicieuze cirkel.


Gelijke kansen bestaan niet: de rol van gender en migratieachtergrond

Binnen elk onderwijstraject identificeerden de onderzoekers drie tot vijf afzonderlijke loopbaanpatronen. Wat die patronen onderscheidt, is in belangrijke mate gender en migratieachtergrond. En het effect is niet beperkt tot één richting: het is structureel, over alle tracks heen.

Vrouwen zonder migratieachtergrond hebben meer dan 2,5 maal zoveel kans om in de minst gunstige werktrajectgroep terecht te komen als mannen zonder migratieachtergrond. Voor vrouwen mét migratieachtergrond loopt dat op tot meer dan het drievoudige. Het meest uitgesproken effect doet zich voor in het praktijkonderwijs, waar het risico voor die laatste groep oploopt tot een factor 13. De onderzoekers spreken van “double jeopardy”: de combinatie van genderstereotypering en stigmatisering op basis van beperking werkt cumulatief, en een migratieachtergrond voegt daar nog een extra laag aan toe.

Dit zijn cijfers uit Nederland, maar de structuren zijn in België niet wezenlijk anders. Het buitengewoon onderwijs, de overgang naar de arbeidsmarkt, de rol van VDAB, Forem en Actiris in tewerkstellingsondersteuning: de parallellen zijn duidelijk. De VN-conventie voor de rechten van personen met een beperking is ook door België geratificeerd, maar de weg tussen ratificatie en reële arbeidsmarktparticipatie is lang.

De rol van gender en migratieachtergrond. Van/ Ciliacus et al.


Wat dit betekent voor preventieadviseurs en HR

Op het eerste gezicht lijkt dit een onderwerp voor onderwijsspecialisten en arbeidsmarktbeleidsmakers. Maar voor welzijnsprofessionals is dit een dossier dat raakt aan de kern van hun werk: de overgang van school naar werk is een kritische periode voor gezondheid en welzijn, en die periode vraagt interventie.

Werkgevers kunnen op een aantal concrete punten het verschil maken:

  1. Werk samen met VDAB, Forem of Actiris aan gestructureerde stagetrajecten en instroompaden voor jongeren uit het buitengewoon onderwijs. Een eerste werkervaring in een ondersteunende context is een bewezen hefboom.
  2. Evalueer intern of het onthaalbeleid geschikt is voor medewerkers met een beperking. Praktische ondersteuning, duidelijke begeleiding, en een toegankelijk aanspreekpunt zijn geen extra’s, maar basisvereisten.
  3. Neem drempels voor werknemers met een beperking expliciet op in de psychosociale risicoanalyse. Stigmatisering en ongelijke behandeling op de werkvloer zijn werkgebonden risicofactoren.
  4. Zet in op bewustwording bij leidinggevenden over onbewuste vooroordelen bij werving en dagelijkse samenwerking. Disability bias is een reëel fenomeen met meetbare effecten op loopbanen.
  5. Volg actief de re-integratiemogelijkheden via het RIZIV en het KB Re-integratie 3.0 voor medewerkers met een beperking die tijdelijk uitgevallen zijn, en sluit aan bij de regionale tewerkstellingspartners bij definitieve arbeidsongeschiktheid.

Er is een bijkomend punt dat dit onderzoek agendeert, ook voor Belgische werkgevers: de keuze voor een bepaald onderwijstraject in het buitengewoon onderwijs wordt niet altijd gemaakt op basis van pedagogische fit. Praktische redenen zoals de nabijheid van een school spelen mee. Dat betekent dat de kans op succesvol werk deels bepaald wordt door toeval, niet door capaciteit. Wie dat weet, kijkt anders naar cv’s en loopbaangeschiedenissen.


Tot slot

De overgang van buitengewoon onderwijs naar de arbeidsmarkt is geen logistiek probleem dat vanzelf oplost met tijd. Het is een structureel ongelijkheidsmoment, waarbij gender en migratieachtergrond bepalen wie met een achterstand begint en wie die achterstand ooit kan goedmaken. De studie van Ciliacus et al. maakt dat zichtbaar met harde cijfers.