Vijfenveertig Britse werknemers tussen 50 en 66 jaar droegen een jaar lang een polssensor. Volgens die metingen sliepen ze meestal zeven tot acht uur per nacht. Toch scoorde de grote meerderheid boven de klinische drempel voor slechte slaap. Hun nachten liepen stuk in ontwakingen, en die ontwakingen hingen samen met werkstress. Wie in zo’n situatie slaaptips uitdeelt, draait dus aan de verkeerde knop.
De studie verscheen onlangs in Scientific Reports, vanuit het SHAW-project van de University of Edinburgh. De onderzoekers verzamelden met hun team 1.901 vragenlijsten en 5.258 dagen sensordata. De deelnemers werkten in vier sectoren: industrie, zorg, financiële dienstverlening en als zelfstandige. Bijna zeven op de tien deelnemers hadden aanhoudende, klinisch relevante slaapproblemen.
Wie zeven uur slaapt, kan nog steeds slecht slapen
Geen van de deelnemers had een gekende slaapstoornis. Toch lag hun score op de Pittsburgh Sleep Quality Index bij aanvang in alle vier de sectoren boven de gebruikelijke drempel van 5. In eerder onderzoek bij zorgvuldig gescreende oudere volwassenen zonder klachten lag dat aandeel op 33 procent bij vrouwen en 16 procent bij mannen. Het verschil zit volgens de auteurs in die screening.
Dat onderscheid telt voor wie personeelsbeleid maakt. Cijfers over slaap komen doorgaans uit studies die mensen met slaap- of psychische problemen vooraf uitsluiten. De vijftigplussers in uw organisatie zijn niet voorgeselecteerd.
De deelnemers weten hun slechte slaap zelf meestal aan te weinig uren. De sensordata wezen vaker op onderbrekingen tijdens de nacht. Dat verschil is relevant, want wie de eigen slaap beoordeelt op duur, meldt zelden een probleem zolang ze acht uur in bed gelegen hebben.
Werkdruk en werk-privébalans voorspelden de slaapscores, leeftijd en geslacht niet
De onderzoekers bouwden statistische modellen om te zien welke factoren de slaap- en welzijnsscores verklaarden. Werk-privébalans kwam daar als voorspeller uit voor allebei. Leeftijd en geslacht waren dat vrijwel nooit. Werken in de industrie hing samen met meer slaapproblemen, zonder effect op het algemene welbevinden.
Een onderscheid uit die modellen is bruikbaar voor beleid. Veel werk hebben en moe zijn hingen sterk samen met slaapproblemen, maar niet met welbevinden. Een aangename sfeer op het werk deed het omgekeerde. Een goed team compenseert de gevolgen van een overvolle planning dus niet. De auteurs stellen daarbij vast dat slaaphygiëne de problemen niet verklaart. De deelnemers gingen niet opvallend laat slapen en hielden in het weekend geen sterk afwijkend ritme aan.
Acht van de vijfenveertig deelnemers werkten regelmatig na tienen ’s avonds
Twee deelnemers werkten in ploegen. Zes anderen gaven aan met enige regelmaat minstens twee uur te werken tussen 22 uur en 5 uur. Hun bewegingsdata bevestigden dat ze vaak pas na middernacht insliepen. De onderzoekers lezen dat als werkdruk eerder dan als eigen voorkeur. Bij die groep zagen ze meer beweging tijdens de slaap en een hogere minimale polstemperatuur.
Avondwerk is nogal eens een planningskeuze van de organisatie. Wie vergaderingen na 18 uur normaal maakt, of verwacht dat mails ’s avonds beantwoord worden, schuift werk op tot vlak voor de nacht.
De schommeling in slaapefficiëntie voorspelde het welbevinden beter dan het gemiddelde
De sterkste voorspeller van welbevinden was de spreiding van de slaapefficiëntie over de zeven voorgaande dagen. Het gemiddelde over diezelfde periode deed het minder goed. Wie de ene week goed slaapt en de volgende slecht, voelt zich slechter dan wie constant matig slaapt.
Dat maakt pieken in werkdruk relevant voor het welzijnsbeleid, ook als het maandgemiddelde daarna weer klopt. Een drukke week met een rustige week ernaast is niet hetzelfde als twee gemiddelde weken.
De Belgische cijfers gaan over dezelfde kost, maar dan zonder de meting erbij
In augustus 2025 besprak ik de slaapwhitepaper van KBC Bank & Verzekering. Die raamde de kost van slaaptekort voor Belgische ondernemingen op minstens 4,5 miljard euro per jaar, vooral door presenteïsme. Per medewerker met slaapproblemen komt dat neer op ongeveer één maand brutoloon. Eén op de drie werkenden in België meldde daar aanhoudende slaapproblemen.
Uit datzelfde rapport bleek ook dat slechts één op de drie werkgevers slaap op enige manier in kaart brengt. De Britse studie voegt daaraan toe waar die inventarisatie naar moet kijken: werkdruk, werk-privébalans en avondlijke bereikbaarheid.
Deze bevindingen verplaatsen de vraag van slaapadvies naar werkorganisatie
Voor wie beleid maakt, volgen hier drie keuzes uit.
- Neem de werkkenmerken die met slaap samenhangen expliciet op in de psychosociale risicoanalyse: werkdruk, werk-privébalans en avondlijke bereikbaarheid.
- Analyseer per afdeling of ploeg. Een gemiddelde over de hele organisatie kan een verschil onzichtbaar maken.
- Leg een grens vast voor avondwerk en toets die aan de tijdstippen van mails, planningen en interventies. Beleid op papier zegt weinig over de praktijk.
Wat hier niet uit volgt, is het uitdelen van slaaptrackers aan het personeel. De onderzoekers gebruikten onderzoeksapparatuur, met analyse door een gespecialiseerd team en met anonimiteit tegenover de werkgever. Slaapdata van medewerkers verzamelen levert een organisatie vooral een verwerkingsvraagstuk op.
Lees ook: Slaapstress door smartwatches: wanneer meten omslaat in malen

De studie volgde 45 mensen, en de auteurs waarschuwen zelf dat die omvang de veralgemening beperkt. De richting komt wel overeen met het onderzoek van Guo en collega’s op 27.825 Europese werknemers, dat ik in juni 2024 besprak. Daar woog de kwaliteit van het werk zwaarder dan het aantal uren, met werkintensiteit en werktijdkwaliteit als sterkste voorspellers.
Vanaf welk uur beschouwt uw organisatie avondwerk als een uitzondering, en hoe vaak deed die uitzondering zich de voorgaande maand voor?
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.