Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Werkhervatting begint bij de huisarts: NCSVG breidt fiches uit naar 29 aandoeningen

Het Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake Arbeidsongeschiktheid (NCSVG) breidt hun reeks fiches voor werkhervatting uit van negen naar twintig. De nieuwe fiches geven de behandelend arts een onderbouwd kader om met de werknemer te bespreken hoe herstel en terugkeer naar werk kunnen samenlopen. Hier staat ook een richtcijfer bij: een referentieduur voor werkonderbreking per aandoening.


Wat begon als een vraag naar normduurtijden, werd een gespreksinstrument

De aanleiding dateert van 2017. Toenmalig minister van Volksgezondheid Maggie De Block vroeg een referentiekader dat zou bepalen wat de optimale duur van arbeidsongeschiktheid is voor een aantal aandoeningen. Haar opvolger Frank Vandenbroucke nam de fakkel over en vroeg een oplossingsgerichte ondersteuning voor het gesprek tussen arts en patiënt over herstel en terugkeer. Dat leidde in 2022 tot een eerste reeks van negen fiches, over onder meer burn-out, milde depressie, lage rugpijn en borstkanker.

De twintig nieuwe fiches volgen dezelfde logica. Ze vertrekken van het principe dat elke beslissing over arbeidsongeschiktheid geïndividualiseerd wordt en dat herstel hand in hand kan gaan met de terugkeer naar werk. Voor de interpretatie is één punt belangrijk: de fiches leggen niets op. Het gebruik is niet verplicht en hangt af van de inschatting van de arts. Volgens dr. Alex Peltier, voorzitter van de werkgroep, is het doel de kwaliteit van de arts-patiëntdialoog te versterken, niet om die dialoog over te nemen.


Vier luiken brengen diagnose en werkhervatting in hetzelfde kader samen

De burn-outfiche, een van de oorspronkelijke negen, illustreert de opbouw goed. Ze valt uiteen in een luik medische informatie, dat burn-out beschrijft via de drie dimensies van Maslach: emotionele uitputting, cynisme tegenover het werk en een dalende persoonlijke werkefficiëntie. Daarop volgt een luik over herstel, een luik over het traject terug naar werk, en een overzicht van referentieduurtijden met de factoren die de situatie van de werknemer bepalen.

Dat derde luik verdient aandacht. Omdat burn-out per definitie aan het werk gelinkt is, vraagt de fiche om de werkomgeving aan te passen zo snel mogelijk na, en bij voorkeur al vóór, het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Ze verwijst daarvoor expliciet naar de arbeidsarts, en bij een vermoeden van intimidatie naar de preventieadviseur psychosociale aspecten. Ook bij de factoren om de situatie te beoordelen staan arbeidsomstandigheden, de mate van ondersteuning op het werk en de mogelijkheden tot aanpassing van werkpost of functie. Dat is terrein van de arbeidsarts en de preventieadviseur, die hier dus mee in het denkkader van de huisarts terechtkomen.


Hoe lees je een referentieduur zonder er een norm van te maken?

Bij burn-out zijn de duurtijden fasegewijs opgebouwd:

  • Eerste symptomen: twee weken volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, om de screening uit te voeren.
  • Bevestigde burn-out: indien nodig een verlenging van één tot drie maanden, met opvolging door psycholoog en arbeidsarts.
  • Aanhoudende klachten: een verdere verlenging tot gemiddeld zes tot negen maanden, afhankelijk van de evolutie.

Het contrast met andere aandoeningen is groot. Waar migraine, een van de nieuwe fiches, in de lichtste vorm op nul tot drie dagen uitkomt, loopt burn-out op tot maanden. Dat verschil maakt meteen duidelijk waarom één algemene normduur nooit het opzet was.

De fiche voegt er zelf een waarschuwing aan toe: deze duurtijden houden geen rekening met de tijd om een diagnose te bevestigen of met de wachttijd voor therapie. Het gaat om een optimale timing, niet om een telbare norm. De kans is reëel dat zulke cijfers een eigen leven gaan leiden, bij werknemers die zich eraan spiegelen, bij werkgevers die ernaar verwijzen of bij adviserend artsen die ze als toetssteen gebruiken. Wie met deze fiches werkt, houdt het onderscheid tussen ankerpunt en plafond het best scherp.

Van: Fiche burn-out.


Voor de arbeidsarts en preventieadviseur verschuift het beginpunt

De fiches zijn op huisartsen gericht, maar ze raken de re-integratiepraktijk rechtstreeks. Ze duwen de behandelend arts ertoe om werk vroeger ter sprake te brengen en om naar de arbeidsarts te verwijzen (luik 3). Dat sluit aan bij de logica van het KB Re-integratie 3.0, dat sinds januari 2026 vroeger beginnen en contact houden tot wettelijke verplichting maakt, en bij het TRIO-platform, waarop behandelend arts, arbeidsarts en adviserend arts hun communicatie bundelen.

Het praktische gevolg is dat een werknemer straks bij het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting kan arriveren met een huisarts die werk al als deel van het herstel heeft gekaderd. Dat is bruikbare beweging, op voorwaarde dat de arbeidsarts en de preventieadviseur klaarstaan om ze op te vangen. Het terug-naar-werktraject in de fiche verwijst naar werkaanpassingen, en dat is bij uitstek het terrein van de preventieadviseur.


Wat neem je hier concreet uit mee?

  • Bekijk de fiches zelf, ook al zijn ze voor huisartsen geschreven. Ze tonen welk vocabulaire en welke duurtijden de werknemers en hun behandelend arts straks zullen hanteren.
  • Stem met de arbeidsarts af hoe je vroege werkhervattingsvragen opvangt, zodat de dynamiek die de huisarts op gang brengt niet stilvalt door een te laat ingepland bezoek voorafgaand aan de werkhervatting.
  • Behandel de referentieduurtijden in je interne communicatie als richtsnoer voor het gesprek. Ze zijn niet bedoeld om de legitimiteit van een afwezigheid te toetsen.
  • Leg de link met je actief afwezigheidsbeleid onder Re-integratie 3.0: de fiches versterken de boodschap dat contact houden en werkhervatting bij het herstel horen.

Tot slot

De nieuwe fiches veranderen geen wetgeving en verplichten niemand tot iets. Hun waarde ligt in de timing: ze brengen werk vroeg in het herstelgesprek, op het moment dat re-integratie het meest kans maakt. De twintig fiches dekken aandoeningen van astma en diabetes type 1 tot multiple sclerose en lumbale artrodese, en voor elk daarvan kan de behandelend arts straks een werkhervattingsperspectief op tafel leggen voordat een formeel traject begint. Dat verschuift het startpunt van de re-integratie naar voren, en daarmee ook het moment waarop de arbeidsarts en de preventieadviseur in beeld komen.