Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Vonnis bevestigt: recht op uitkering bij halftijdse werkhervatting onder artikel 100, §2 ZIV-wet


Vonnis bevestigt: recht op uitkering bij halftijdse werkhervatting onder artikel 100, §2 ZIV-wet

Created on 2025-04-30 15:04

Published on 2025-05-05 06:30

De arbeidsrechtbank Gent heeft in een recent vonnis van 17 maart 2025 een principiële uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 100 van de Ziekte- en Invaliditeitsverzekeringswet. Het vonnis bevestigt dat een werknemer die arbeid hervat met toelating van de adviserend arts, nog steeds recht kan hebben op uitkeringen op basis van artikel 100, §2, zelfs als hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van §1.


Twee vormen van arbeidsongeschiktheid

De ZIV-wet kent twee vormen van arbeidsongeschiktheid:

  • Artikel 100, §1 beoordeelt of het verdienvermogen van een werknemer door ziekte of ongeval is verminderd tot minder dan een derde van dat van een gezonde persoon. Dit is de klassieke beoordeling van economische arbeidsongeschiktheid.

  • Artikel 100, §2 focust op het gezondheidsvermogen. Werknemers die minstens 50% verlies van fysieke, psychische of sociale capaciteiten behouden, kunnen — mits toelating van de adviserend arts — hun werk gedeeltelijk hervatten met behoud van uitkeringen. Deze bepaling is bedoeld als stimulans tot re-integratie.


De casus: werkhervatting na knieproblemen

In de voorliggende zaak ging het om een vleesbewerker die na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid omwille van ernstige kniepijn zijn werk hervatte aan 50%, met goedkeuring van de adviserend arts. Kort daarna werd zijn erkenning als arbeidsongeschikte ingetrokken. De man vocht dit aan.

Na een deskundigenonderzoek en een inhoudelijke beoordeling oordeelde de rechtbank dat de man weliswaar niet meer voldeed aan de criteria van artikel 100, §1 (inkomensverlies), maar nog steeds voldeed aan de voorwaarden van §2 (medisch bepaald capaciteitsverlies ≥ 50%).


Essentie van het vonnis

De rechtbank stelde duidelijk dat §1 en §2 van artikel 100 op zichzelf staande regelingen zijn, elk met een eigen finaliteit:

  • §1 wil inkomensverlies compenseren;

  • §2 beoogt werkhervatting te stimuleren, zelfs bij gedeeltelijke medische ongeschiktheid.

Volgens de rechtbank is het niet vereist dat een werknemer blijvend voldoet aan de voorwaarden van §1 om erkend te blijven onder §2. Een andere interpretatie zou de bedoeling van de wetgever ondermijnen en re-integratie ontmoedigen.


Impact voor de praktijk

Dit vonnis bevestigt wat al langer in rechtspraak en rechtsleer naar voren komt: artikel 100, §2 is geen afgeleide van §1, maar een zelfstandige grond voor arbeidsongeschiktheid. Concreet betekent dit:

  • Een werknemer die halftijds werkt met toestemming van de adviserend arts, kan onder bepaalde voorwaarden uitkeringsgerechtigd blijven.

  • Het oordeel over arbeidsongeschiktheid moet aangepast worden aan het doel van re-integratie: vooruitgang stimuleren, niet bestraffen.

  • De adviserend arts heeft ruimte om werkhervatting op ruimere schaal toe te laten, ook bij meer dan halftijdse tewerkstelling, zolang dit medisch verantwoord is.


Conclusie

De arbeidsrechtbank Gent herbevestigt met dit vonnis dat artikel 100, §2 van de ZIV-wet een autonome rechtsgrond vormt voor uitkeringen bij progressieve werkhervatting. Dit creëert rechtszekerheid voor werknemers bij re-integratie en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van zowel verdien- als gezondheidsvermogen in het kader van langdurige arbeidsongeschiktheid.


Bron

Arbeidsrechtbank Gent – Vonnis 17 maart 2025

Een reactie achterlaten