
Een vrijwillig veiligheidsprogramma dat net voor een wereldwijde pandemie van start gaat: het is niet bepaald de ideale testomgeving. Toch levert precies die combinatie interessante inzichten op. Een studie van Sivaraj, Macpherson en McLeod (2026) onderzocht het Canadese Health and Safety Excellence program (HSEp) van de Workplace Safety and Insurance Board (WSIB) van Ontario, dat in november 2019 werd gelanceerd, en stelde vast: het programma heeft effect, maar niet overal, niet altijd, en niet op dezelfde manier.
Wat onderzochten de auteurs, en hoe?
Het HSEp is een vrijwillig programma waarbij bedrijven zich aansluiten bij een erkende aanbieder en stap voor stap actieplannen uitvoeren rond 41 veiligheidsthema’s (bij lancering: 36). Wie een actieplan afrondt, ontvangt erkenning en een premiereductie bij de WSIB. Deelname is gratis in die zin dat er geen verplicht certificeringsproces is, maar bedrijven investeren wel tijd en middelen.
De onderzoekers volgden 1.680 deelnemende bedrijven gedurende 48 maanden, verdeeld over twee instroommomenten: bedrijven die voor of net na het uitbreken van de pandemie inschreven (cohort 1) en bedrijven die later instroomden (cohort 2). Ze vergeleken die bedrijven met vergelijkbare niet-deelnemende bedrijven via een verschil-in-verschillen-methode (difference-in-differences), met nauwgezette matching op sector, bedrijfsgrootte, regio en voorafgaande veiligheidsprogramma-ervaring.
Een bijzondere methodologische keuze: de onderzoekers analyseerden de letsels met en zonder COVID-19-claims apart. Die splitsing bleek cruciaal voor het begrijpen van de resultaten.
COVID-19 versluierde het echte effect
De pandemie liet een duidelijke stempel op de data achter. Wanneer COVID-19-claims mee in de analyse werden opgenomen, was er geen statistisch significant verschil tussen deelnemende en niet-deelnemende bedrijven. Zodra die claims werden weggelaten, verscheen er wel een effect: een reductie van 9 tot 11% in niet-COVID-gerelateerde letsels met werkverzuim, afhankelijk van het instroomcohort.
Die bevinding heeft methodologische gevolgen die verder reiken dan dit ene onderzoek. Wie een veiligheidsprogramma evalueert dat werd ingevoerd of uitgerold tijdens een grote externe verstoring, zoals een pandemie maar ook een economische crisis, een grote reorganisatie of een fusie, moet rekening houden met de manier waarop die verstoring de letselcijfers zelf beïnvloedt. De nulmeting en de vergelijkingsgroep zijn dan minder stabiel dan ze lijken.
Industrie, bedrijfsgrootte en programmavoortgang bepalen het succes
De effecten van het programma verschilden sterk naargelang de context. De meest uitgesproken resultaten doken op in drie profielen:
- Maakbedrijven (manufacturing): een reductie van 17 tot 26% in niet-COVID-letsels over vier jaar opvolging, met een totale gemiddelde reductie van 13%. Dat is aanzienlijk, en vergelijkbaar met effecten die elders voor OHSAS 18001 en het Canadese COR-programma werden gerapporteerd.
- Grote bedrijven (100+ voltijdsequivalenten): een overall reductie van 8% in niet-COVID-letsels, met jaarlijkse reducties tot 11%. Kleine en middelgrote bedrijven lieten geen statistisch significant effect zien, wat in lijn is met eerder onderzoek naar programma’s gericht op kleine werkgevers.
- Bedrijven die actief door het programma progressie maakten: wie minstens één actieplan afrondde, kende een 9% lagere niet-COVID-letselgraad. Die bedrijven toonden ook reducties in de tweede en vierde opvolgingsjaar, wat suggereert dat het effect verder in de tijd toeneemt.
Twee sectoren staken negatief af. In de zorgsector was er geen enkel effect, wat de onderzoekers verklaren door de buitenproportionele belasting van zorgmedewerkers tijdens de pandemie: langere shifts, verhoogde blootstelling, intensief gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het programma was daar eenvoudigweg niet opgewassen tegen de omstandigheidsfactoren. Ook in de bouwsector bleef het effect uit, en dat sluit aan bij buitenlands onderzoek dat ook voor OHSAS 18001 weinig effect vond in die sector.
Inschrijven is niet hetzelfde als verbeteren
Een van de scherpste inzichten uit dit onderzoek is het onderscheid tussen loutere deelname en effectieve programmadoorloop. Inschrijven volstaat niet: het zijn de bedrijven die actief actieplannen afronden die het verschil laten zien. Dat is methodologisch interessant, maar ook praktisch relevant. Een programma waar bedrijven zich bij aansluiten zonder er actief in te investeren, levert weinig op.
De onderzoekers zijn voorzichtig met causale interpretatie. Bedrijven die zichzelf aanmelden voor een vrijwillig veiligheidsprogramma en er vervolgens actief doorheen gaan, zijn mogelijk ook zonder het programma al beter georganiseerd, beschikken over meer middelen en hebben een sterker veiligheidsbeleid. Het geobserveerde effect kan dus gedeeltelijk een selectie-effect zijn.
Wat betekent dit voor preventieadviseurs in België?
De geografische en institutionele afstand tot Ontario is reëel. Canada werkt met een verzekeringsmodel dat verschilt van het Belgische stelsel, en het HSEp heeft geen directe evenknie in de Belgische wetgeving. Toch zijn de mechanismen die achter de resultaten schuilgaan herkenbaar en overdraagbaar.
Vier lessen zijn relevant voor wie in België werkt aan veiligheidsmanagementsystemen:
- Sector en bedrijfsgrootte bepalen mee wat werkt. Een aanpak die scoort in een maakindustriebedrijf met 300 medewerkers, werkt vermoedelijk anders in een kleine bouwonderneming of een zorginstelling. Differentieer de ondersteuning naar context, en meet ook gedifferentieerd.
- Progressie telt, aanwezigheid volstaat niet. Een bedrijf dat de ISO 45001-norm haalt of een intern VMS heeft ingevoerd, is er nog niet. Wat telt is of medewerkers en leidinggevenden er actief mee werken. Integreer dat als evaluatiecriterium in je jaaractieplan.
- Evalueer veiligheidsprogramma’s op de juiste manier. Wie het effect van een interventie meet in een periode van hoge externe verstoring (pandemie, grote reorganisatie, economische schok), moet die verstoring mee modelleren. Vergelijk niet alleen letselcijfers vóór en na, maar controleer ook voor wat er structureel veranderde in de werkomgeving.
- Vrijwilligheid heeft grenzen. Programma’s waarbij bedrijven zelf kiezen of ze deelnemen, bereiken per definitie de meest gemotiveerde organisaties. Wie het minst investeert in veiligheid, schrijft zich zelden vrijwillig in voor een uitgebreid veiligheidsmanagementprogramma. Dat is een structurele beperking die ook in de Belgische context geldt voor allerlei vrijwillige initiatieven en preventiecharters.
Besluit
Veiligheidsmanagementsystemen kunnen werken, maar enkel als ze actief worden gebruikt, aangepast aan de sector en de bedrijfsgrootte, en geëvalueerd in een methodologisch robuust kader. De studie van Sivaraj en collega’s toont dat het effect van een VMS-programma pas zichtbaar wordt als je de externe ruis, in dit geval een pandemie, methodologisch onderschept. Dat is geen detail; het is de kern van hoe we veiligheidsinterventies moeten beoordelen.