
Vanaf september 2026 wordt werkverwijdering van zwangere leerkrachten niet langer het automatische eindpunt, maar het laatste redmiddel. Scholen krijgen extra middelen om aangepast of ander werk mogelijk te maken, zo stelt Vlaams minister van onderwijs Zuhal Demir. Dat klinkt als een beleidswijziging, maar in werkelijkheid wordt vooral iets rechtgezet: wat al jaren wettelijk de bedoeling was, wordt organisatorisch haalbaar(der) gemaakt.
Voor preventieadviseurs en HR-professionals betekent dit geen versoepeling van moederschapsbescherming, wel een strengere eis tot doordachte risicoanalyse en realistische taakhertekening.
Wat verandert er concreet?
Minister Demir vertrekt van een eenvoudig principe: wie wil werken en dat ook veilig kan doen, moet die mogelijkheid krijgen. Wanneer de arbeidsarts een risico vaststelt in het kader van moederschapsbescherming, moet de school voortaan expliciet nagaan of veilige, zinvolle alternatieve taken mogelijk zijn. Pas als dat niet lukt, volgt werkverwijdering.
Dat is niet nieuw: de arbeidsarts zet de werknemer niet “ongeschikt”, maar geeft aan dat ze uit welbepaalde risico’s verwijderd moet worden. Werkgevers zijn hierbij ook verplicht om een beleid rond moederschapsbescherming te voeren, gebaseerd op een risicoanalyse (Codex over het Welzijn op het Werk, Boek X, Titel 5). Het is aan de werkgever om dan voor elk specifiek dossier te bekijken of aangepast of ander werk mogelijk is, dat aan de voorwaarden voldoet.
Nieuw is dat scholen hiervoor extra budget krijgen, zodat ze tegelijk een vervanger kunnen aanstellen. De zwangere medewerker blijft in dienst, behoudt loon en rechten, en werkt aangepast. In tijden van structurele personeelstekorten is dat geen detail.
Niet alleen CMV: moederschapsbescherming is breder dan het publieke debat
Het publieke debat focust nu wel sterk op cytomegalovirus (CMV) bij zwangere kleuterleerkrachten. Begrijpelijk, want CMV kan bij een primaire infectie tijdens de zwangerschap ernstige gevolgen hebben voor het ongeboren kind. Maar wie de risicoanalyse moederschapsbescherming erbij neemt, ziet meteen dat CMV slechts één risico is binnen een veel ruimer geheel.
Voor zwangere werknemers en werknemers die borstvoeding geven, worden onder meer beoordeeld:
- Biologische agentia: naast CMV ook rubella, varicella, parvovirus B19, mazelen, bof, hepatitis A/B/C, HIV en toxoplasmose.
- Fysische agentia: tillen van lasten, agressierisico’s, fysieke belasting en vermoeidheid.
- Andere, niet expliciet opgelijste risico’s, mits gemotiveerd door de preventieadviseur-arbeidsarts.
De essentie: verwijdering gebeurt nooit “omdat iemand zwanger is”, maar omdat een concreet beroepsrisico (met tijdens zwangerschap nieuwe risico’s) niet voldoende kan worden weggenomen.
Verwijdering is wettelijk het laatste spoor, niet het eerste
De wetgeving rond moederschapsbescherming is al jaren duidelijk. De hiërarchie van maatregelen is vastgelegd:
- Aanpassing van de arbeidsomstandigheden: Bijvoorbeeld vermijden van contact met risicodragende leerlingen, herorganisatie van taken, aangepaste werkpost.
- Aangepast of ander werk: Tijdelijke functiewijziging, andere opdracht, overplaatsing; mits zinvol en veilig.
- Vrijstelling van arbeid (werkverwijdering): Alleen wanneer de vorige opties redelijkerwijs niet haalbaar zijn.
Wat tot nu toe vaak ontbrak, was organisatorische en financiële ruimte om stap 1 en 2 ernstig te nemen. Net daar wil de aangekondigde maatregel verandering in brengen.
Risico is context- en taakgebonden, niet functiegebonden
De risicoanalyse maakt iets duidelijk wat voor HR en directies soms ongemakkelijk is: het risico zit niet in de functietitel, maar in de concrete taak en context.
Het risico verschilt naargelang:
- onderwijsniveau (kleuter, lager, buitengewoon, MFC),
- aard van het contact (verzorging, individueel onderzoek, observatie),
- kenmerken van de leerlingen (leeftijd, zindelijkheid, zorgnood),
- en zelfs de ruimte waarin gewerkt wordt (klaslokaal vs. CLB-lokaal met strikte hygiënische voorzieningen).
Gevolg: Eenzelfde werknemer kan in de ene opdracht verwijderd worden en in een andere niet. Dat maakt generieke oplossingen juridisch én preventief onhoudbaar.
Wat betekent dit concreet voor preventieadviseurs en HR?
De aangekondigde extra middelen veranderen vooral de lat voor professionaliteit:
- Een risicoanalyse moet taakgericht en actueel zijn, geen theoretisch document in de schuif.
- Alternatieve taken moeten vooraf doordacht zijn, niet ad hoc verzonnen bij de eerste zwangerschap.
- De rol van de preventieadviseur-arbeidsarts wordt nog explicieter beslissend.
- Werkverwijdering blijft noodzakelijk in sommige situaties, maar moet verdedigbaar zijn als ultimum remedium.
Of anders gezegd: Het debat verschuift van “mag ze thuisblijven?” naar “hebben we ons preventiehuiswerk degelijk gemaakt?”
Tot slot
De beleidswijziging vanaf september 2026 is geen afbouw van bescherming, maar een herwaardering van werk als mogelijk onderdeel van bescherming. Mits correct toegepast kan ze moeder en kind veilig houden, expertise behouden én personeelskrapte milderen.
Maar alleen als scholen, HR en preventiediensten de nuance respecteren. Wie van deze maatregel een simpel verhaal maakt, loopt het risico dat de praktijk opnieuw vervalt in oude reflexen; of in nieuwe frustraties.
Moederschapsbescherming vraagt geen gezond verstand alleen, maar professionele preventie.