Artikel

Uber onder gezag: arbeidshof bevestigt statuut werknemer voor chauffeur

Het arbeidshof van Brussel bevestigde op 13 juni 2025 dat een Uber-chauffeur moet worden beschouwd als werknemer, niet als zelfstandige. Daarmee krijgt het debat over de status van platformwerkers een belangrijke juridische richting: wie werkt onder digitale controle, werkt niet zelfstandig.

Wat stond er op het spel?

De zaak draaide rond een chauffeur die via de Uber X-app ritten uitvoerde in Brussel. Uber stelde dat hij zelfstandige was, met een eigen BTW-nummer en volledige vrijheid om te werken wanneer hij wilde. De Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie vond het tegendeel: de chauffeur werkte onder gezag, en Uber en de Belgische Platform Rider Association (BPRA) waren zijn werkgevers. Het arbeidshof bevestigt nu die visie.

De juridische kern: schijnzelfstandigheid onder algoritmisch gezag

Het hof boog zich over de criteria uit de programmawet van 27 december 2006, die bepaalt of iemand werknemer of zelfstandige is. Belangrijk element: de mate van gezag en controle.

Uber stelde enkel een “platform” te zijn dat vraag en aanbod verbindt, maar de rechters keken naar de realiteit van het werk:

  • De prijs van de rit wordt volledig door Uber bepaald.

  • Het werkvolume hangt af van het algoritme, niet van de chauffeur.

  • De klantrelatie verloopt uitsluitend via de app; de chauffeur heeft geen eigen klanten.

  • De vervangbaarheid is louter theoretisch; wie zijn account deelt, wordt uitgesloten.

  • Het materieel (de app en software) is eigendom van Uber; de chauffeur kan zonder toegang tot het systeem niet werken.

Op basis van deze feiten oordeelde het hof dat de chauffeur geen economisch risico draagt en feitelijk werkt binnen een gezagsverhouding. Meer dan de helft van de negen wettelijke criteria voor een arbeidsovereenkomst waren vervuld, en Uber kon de wettelijke vermoedens van werknemerschap niet weerleggen.

Een precedent voor het platformtijdperk

Het arrest is baanbrekend omdat het expliciet erkent dat digitale controle via algoritmen een moderne vorm van hiërarchisch gezag is. Wie afhankelijk is van de beslissingen van een app (wie ritten krijgt, wat ze opleveren, en of die nog toegang houdt), is niet echt vrij.

Het hof verwijst naar eerdere rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (zaak Elite Taxi vs. Uber): Uber biedt geen “neutrale” dienst van intermediair aan, maar organiseert effectief transport. Het is dus niet enkel softwareleverancier, maar werkgever.

Wat betekent dit verder?

Dit arrest werpt een nieuw licht op de grenzen van flexibiliteit en autonomie in het werk. Drie reflecties:

  1. Schijnzelfstandigheid is niet enkel een fiscale kwestie. Het raakt ook aan psychosociaal welzijn, werkzekerheid en sociale bescherming.

  2. Digitale platforms creëren reële gezagsrelaties, ook zonder kantoor, chef of prikklok. Preventieadviseurs zullen dus vaker digitale structuren moeten analyseren op machtsverhoudingen.

  3. Compliance alleen volstaat niet. Organisaties die beroep doen op “freelancers” via platformen of apps moeten kritisch nagaan of die samenwerking écht zelfstandig is, of in feite neerkomt op een verkapte arbeidsovereenkomst.

En voor Uber?

Uber kan nog in cassatieberoep gaan, maar het arrest is definitief in de feiten en kan dienen als leidraad voor andere platformwerkers. Het is een duidelijke waarschuwing: wie de controle niet wil dragen, moet ook de autonomie echt toekennen.

Tot slot: werk zonder baas, of baas zonder kantoor?

De digitale economie schuift het klassieke beeld van gezag op: geen chef achter een bureau, maar een algoritme dat beslist wie mag werken, wanneer en voor hoeveel. Het arbeidshof van Brussel zet de toon: technologie verandert het werk, maar niet de basisprincipes van arbeidsrecht: Wie controle uitoefent, is werkgever.