
Nachtwerk verhoogt het algemene kankerrisico niet; maar een nieuwe, grootschalige prospectieve cohortstudie vindt wel een statistisch significante associatie tussen elf tot twintig jaar cumulatief nachtwerk en een verhoogd risico op alvleesklierkanker. De studie, gepubliceerd in het Scandinavian Journal of Work, Environment & Health, omvat meer dan 61.000 mannen met een mediane follow-up van 16,1 jaar. De bevinding verdient aandacht, maar ook methodologische voorzichtigheid: ze steunt op kleine aantallen, vertoont geen lineaire dosis-respons en is niet gecorrigeerd voor meervoudig testen.
De studie nuanceert het debat op een manier die relevant is: niet nachtwerk op zich is het probleem, maar langdurige, cumulatieve blootstelling aan een specifieke locatie. Dat vraagt om een andere benadering van risicobeheer.
Wat onderzocht werd, en hoe
De studie maakte gebruik van gegevens uit de Shanghai Men’s Health Study, een populatiegebaseerde prospectieve cohort van 61.078 mannen tussen 40 en 74 jaar. Nachtwerk werd gedefinieerd als minstens drie keer per maand starten na 22u, gedurende meer dan een jaar. Deelnemers werden bevraagd over startleeftijd, cumulatieve duur en gemiddelde frequentie van nachtdiensten.
Tien veelvoorkomende kankerlocaties werden gevolgd via koppeling met het Shanghais kankerregister: long, colorectum, lever, maag, schildklier, slokdarm, prostaat, blaas, alvleesklier en nier. Analyses werden gecorrigeerd voor leeftijd, opleiding, inkomen, BMI, rookgedrag, alcoholgebruik en fysieke activiteit. Aanvullende lag-analyses onderzochten of blootstelling van vijf, tien, vijftien of twintig jaar eerder bijdroeg aan het risico.
Geen verhoogd algemeen risico – met één uitzondering
Voor het merendeel van de onderzochte kankers, inclusief long, colorectum, lever, maag en prostaat, werden na correctie voor confounders geen significante verbanden gevonden. Dat staat enigszins op gespannen voet met de classificatie van nachtwerk als “waarschijnlijk carcinogeen voor mensen (Groep 2A)” door het International Agency for Research on Cancer (IARC, 2019), die onder meer verwees naar borstkanker, prostaatkanker en colorectale kanker.
De auteurs verklaren dit deels door populatieheterogeniteit en inconsistente blootstellingsdefinities in eerder onderzoek. Bovendien zijn studies bij vrouwen (voornamelijk rond borstkanker) niet zomaar extrapoleerbaar naar mannen. De null-bevinding voor het algemene kankerrisico sluit aan bij vergelijkbaar onderzoek in Japanse en Duitse populaties.
De uitzondering is alvleesklierkanker. Deelnemers met elf tot twintig jaar cumulatief nachtwerk hadden een significant verhoogd risico ten opzichte van mensen die nooit nachtdiensten draaiden (hazard ratio 1,59; 95% BI 1,09–2,31). Dat is een stijging van circa 59%. Dit verband bleef robuust over alle sensitiviteitsanalyses en lag-periodes, met een piekrisico bij een lag van vijftien jaar (HR 1,82). De interpretatie vraagt echter voorzichtigheid: zie de sectie hieronder.

Verbanden tussen de cumulatieve duur van nachtwerk en het risico op alvleesklierkanker. Van: Shen et al.
Waarom alvleesklierkanker, en waarom pas na tien jaar?
De biologische verklaring concentreert zich rond de melatonine-hypothese. Blootstelling aan kunstlicht tijdens de nacht onderdrukt de melatonineproductie, wat beschermende functies verzwakt. Melatonine remt onder meer ontstekingsprocessen, oxidatieve stress en angiogenese in de alvleesklier. Chronische verstoring van de circadiane klokgenen verstoort daarnaast DNA-reparatiemechanismen, wat mutageen werkt.
Een bijkomend mechanisme loopt via de metabole route: nachtwerk verstoort de insulinesecretie en verhoogt de insulineresistentie. Dit bevordert een hyperglykemisch milieu dat het risico op type 2 diabetes vergroot, zelf een erkende risicofactor voor alvleesklierkanker.
De bevinding dat het verhoogde risico specifiek zichtbaar is bij elf tot twintig jaar blootstelling (en niet bij korter of langer) is opvallend, maar ook methodologisch kwetsbaar. Ten eerste testte de studie tien kankerlocaties over meerdere blootstellingscategorieën en variabelen, zonder correctie voor meervoudig testen. Bij zoveel simultane toetsen is de kans op een toevalsvondst reëel. Ten tweede vertoont het patroon geen lineaire dosis-respons: kortere blootstelling geeft geen effect, middellange blootstelling wel, langere blootstelling weer niet. Dat is ongebruikelijk voor een causale relatie. De auteurs verklaren de afwezigheid van risico bij meer dan twintig jaar met het “healthy worker effect”: wie zo lang nachtdiensten volhoudt, is vermoedelijk selectief gezonder of valt eerder uit voor de diagnose plaatsvindt. Dat is biologisch plausibel, maar het is een post-hoc redenering die het onregelmatige patroon wegverklaart in plaats van voorspelt. Ten derde rust de significante bevinding op 32 gevallen van alvleesklierkanker in de groep van elf tot twintig jaar, wat de schatting inherent onstabiel maakt.
Beperkingen: wat de studie niet kan beantwoorden
Drie beperkingen zijn relevant voor de interpretatie. Ten eerste waren blootstellingsgegevens zelfgerapporteerd op het moment van instroom, zonder latere actualisatie. Dat leidt waarschijnlijk tot non-differentiële misclassificatie, waardoor de werkelijke verbanden mogelijk sterker zijn dan gemeten. Ten tweede ontbraken genetische gegevens over circadiane varianten, die de gevoeligheid voor nachtwerk kunnen moduleren. Ten derde waren gedetailleerde beroepsgeschiedenissen niet beschikbaar, zodat co-blootstelling aan werkplaatscarcinogenen niet volledig gecorrigeerd kon worden.
De studie omvat ook uitsluitend mannen in stedelijk China. Generalisatie naar vrouwen, andere etnische groepen of andere arbeidssectoren vraagt voorzichtigheid.
Wat betekent dit voor preventieadviseurs?
De praktische implicaties zijn concreter dan de nuances in het onderzoek misschien doen vermoeden. Enkele aanbevelingen:
- Breng cumulatieve nachtwerktijd in kaart als blootstellingsvariabele in het gezondheidsdossier. Niet of iemand nachtwerk doet, maar hoelang al, is de relevante parameter. De grens van tien jaar is op basis van één studie geen vastgestelde drempelwaarde, maar wel een signaal om te benoemen in het arbeidsgeneeskundig onderzoek.
- Overweeg cumulatief nachtwerk te bespreken in het arbeidsgeneeskundig onderzoek. Niet als aanleiding voor gerichte kankerscreening op basis van deze studie alleen (daarvoor is het bewijs te beperkt), maar als onderdeel van een breder gesprek over langetermijneffecten van nachtarbeid op de gezondheid.
- Herbekijk rotatiebeleid bij structureel nachtwerk. Regelmatige rotatie naar dagdiensten beperkt cumulatieve blootstelling en reduceert daarmee het hypothetische risico op de bevonden drempel.
Kanttekening bij de bredere IARC-classificatie
De studie reproduceert de verhoogde risico’s voor prostaat, borst en colorectum zoals beschreven in de IARC-monografie van 2019 niet. De auteurs wijzen op populatieheterogeniteit en methodologische verschillen als mogelijke verklaring. Dat doet niets af aan de precautionaire waarde van de IARC-classificatie die berust op een bredere bewijsbasis, maar benadrukt dat het risicoprofiel van nachtwerk populatie- en locatiespecifiek is.
De afwezigheid van een verband in deze studie betekent niet dat het elders afwezig is. Andersom impliceert een IARC-groep 2A-classificatie geen uniform kankerrisico voor elke werknemer in elke context.
Besluit
Nachtwerk is geen uniform carcinogeen, maar een blootstelling waarvan de langetermijneffecten wetenschappelijk nog niet uitgekristalliseerd zijn. De associatie met alvleesklierkanker bij elf tot twintig jaar cumulatief nachtwerk is statistisch significant, maar steunt op beperkte aantallen, vertoont geen consistente dosis-respons en vraagt replicatie voor harde beleidsmatige conclusies getrokken kunnen worden.