
Een industriële wasserij waar werknemers werken via een artikel 60-traject, waarbij velen de Nederlandse taal nog niet machtig zijn, en waar bij de verhuis naar een nieuw gebouw de toiletten, kleedkamers en pauzeruimte gewoon ontbraken: het klinkt als een testcase voor preventieadviseurs. Dat is het, op zijn manier, ook. Het eindwerk van Eva De Decker, pas afgestudeerd preventieadviseur niveau II bij Stad Lokeren, biedt een eerlijk en methodisch doordacht verslag van wat er gebeurt als je een risicoanalyse maakt in een omgeving die tegelijk sociaal, organisatorisch en technisch complex is.
De wasserij van Stad Lokeren is geen doorsnee werkplek. Gemiddeld een tiental werknemers wassen en strijken er wekelijks zo’n 2.700 kg kledij en linnen, hoofdzakelijk afkomstig van woonzorgcentra. Ze doen dat in het kader van tijdelijke werkervaring: het gaat om mensen die langdurig uitgesloten waren van werkloosheidsuitkeringen en via dit traject opnieuw aansluiting zoeken bij de arbeidsmarkt. Dat heeft implicaties voor alles: van communicatie tot opleidingsniveau, van PBM-gebruik tot het soort risico’s dat op de voorgrond treedt.
Taalbarrière als veiligheidsprobleem, niet als HR-irritant
Het meest opvallende structurele risico in dit eindwerk is niet technisch van aard. Het is communicatief. Veel werknemers begrijpen geen of onvoldoende Nederlands, terwijl de wetgeving (Codex IV.2-5) uitdrukkelijk stelt dat informatie en gebruiksaanwijzingen begrijpelijk moeten zijn voor de betrokken werknemers. Dat is een juridisch vereiste, geen vrijblijvend streefdoel.
De wasserij werkt al deels met visuele instructies: foto’s aan machines en karren die uitleggen wat medewerkers moeten doen. Maar De Decker stelt vast dat een te groot aantal visuele prikkels ook averechts kan werken. Meer foto’s is niet altijd meer veiligheid. Tegelijk zijn volledige vertalingen van instructies geen optie: de werknemers zijn er net om Nederlands te leren. Het spanningsveld tussen taalverwerving als doelstelling en veiligheid als vereiste verdient in dit soort sociale werkplaatsen expliciete aandacht in de risicoanalyse.
De oplossing die De Decker voorstelt, is pragmatisch: gesprekskaartjes waarmee leidinggevende en werknemers interactief Nederlands kunnen oefenen, inclusief veiligheidsinstructies. Geen les, maar een gesprek. Een aanpak die de taalverwerving en de veiligheidscultuur samenbrengt in plaats van ze tegenover elkaar te plaatsen.

Sensibilisering PBM. Van: Eindwerk De Decker.
Brandveiligheid als hoogste prioriteit: een onvolledig dossier is een risico op zichzelf
Via de Fine-en-Kinney-methode rangschikte De Decker brandveiligheid als het hoogste risico. Niet omdat de brandblusapparaten niet gekeurd zijn (die zijn het), maar omdat de organisatorische randvoorwaarden ontbreken: geen brandbestrijdingsdienst, geen evacuatieoefeningen, een waarschuwingssignaal dat na de verhuis nooit meer getest is, en een evacuatieplan dat nog in opmaak is. In zone A (de vuile zone, met grote stapels textiel en warmte producerende wasmachines) is de brandlast reëel.
Dit is een patroon dat preventieadviseurs in kleine en middelgrote entiteiten regelmatig herkennen: de materiële middelen zijn op orde, maar de procedurekant hinkt achterop. Een verhuis is een risicomoment. Niet alleen voor de veiligheidsinstallaties zelf, maar voor de continuïteit van het volledige brandpreventiedossier. Het is dan ook geen toevalligheid dat de Codex brand (Boek III, Titel 3) elf afzonderlijke documenten vereist: van risicoanalyse tot evacuatieoefeningen tot informatie aan de hulpdiensten. Een checklist bij elke verhuis of ingebruikname van een nieuw gebouw is geen luxe.
Ergonomie: de strijkrol als zwakste schakel in een verder goed doordacht systeem
Wat opvalt bij de beschrijving van de werkposten, is dat er al heel wat doordachte maatregelen genomen zijn. Wasmachines zijn verhoogd geplaatst. Karren zijn uitgerust met een veermechanisme dat de was automatisch omhoog brengt. Er liggen dempende matten op de vloer. De strijktafels zijn in hoogte verstelbaar. Het uurrooster wisselt werkposten af om statische belasting te beperken.
Toch signaleerde de ergonomische risicoanalyse via de VERV-tool (risicoanalyse staand werken) één knelpunt: de strijkrol. Deze werkpost combineert langdurig stilstaan op een beperkte ruimte met een repetitief bewegingspatroon, wat bij langdurige blootstelling tot klachten aan benen, rug en voeten kan leiden. De aanbeveling is duidelijk: meer rotatiediscipline, kortere werktijden per shift aan deze post, en meerdere medewerkers opleiden zodat de pool van werknemers die aan de strijkrol kan worden ingezet groter is.
Het illustreert een bredere les: een goed ingerichte werkplek sluit ergonomische risico’s niet uit. De organisatie van het werk (wie doet wat, hoe lang, in welke volgorde) is een even belangrijke pijler als de fysieke inrichting.

Evaluatie en beoordeling van de werkpost “Bediening strijkrol” met de VerV tool staand werken. Van: Eindwerk De Decker.
Sociale voorzieningen als wettelijke verplichting, niet als bijzaak
Na de verhuis in 2023 beschikten de medewerkers van de wasserij jarenlang niet over eigen toiletten, kleedkamers of een pauzeruimte. Ze moesten de toiletten van de naburige Kringwinkel gebruiken. Pauzes werden in de gang genomen, op stoelen tussen kledijkasten. Pas bij het schrijven van dit eindwerk, in 2025, waren de werkzaamheden voor de sociale voorzieningen volop aan de gang.
De Codex is op dit punt ondubbelzinnig (Boek III, Art. III.1-44): kleedkamers, sanitaire voorzieningen en rustruimtes moeten volledig gescheiden zijn van de arbeidsplaats en voldoen aan concrete minimumvereisten. Dit zijn geen streefnormen. De omstandigheid dat een gebouw net betrokken is of dat verbouwingen gepland zijn, vormt juridisch geen rechtvaardiging voor langdurig niet voldoen aan die normen.
Voor preventieadviseurs die betrokken zijn bij verhuis- of ingebruiknameprojecten is dit een concreet aandachtspunt: sociale voorzieningen zijn een basisvereiste die mee in het projectplan hoort, met een harde deadline.
Chemische agentia: het doseersysteem als slimste investering
In de wasserij worden professionele reinigingsproducten gebruikt, waaronder een zuurstofbleekmiddel (Ecobrite Perfekt) en een vetkrachtversterker (Ecobrite Booster) die beide een verhoogd risico inhouden. Toch is de blootstelling van werknemers in de praktijk minimaal, dankzij een geautomatiseerd doseersysteem. De wasmachines worden automatisch voorzien van de juiste hoeveelheid product; handmatig contact met de stoffen is beperkt tot het verwisselen van een lege bidon, een handeling van ongeveer tien minuten.
Dit is een goed voorbeeld van de preventieprincipes in de Codex (Boek I, Art. I.2-6 en I.2-7): collectieve bescherming gaat voor individuele bescherming. Technische maatregelen die blootstelling aan de bron elimineren of beperken, zijn effectiever en betrouwbaarder dan te vertrouwen op consequent PBM-gebruik bij elke handeling. Het doseersysteem verlaagt het risico structureel; het mondmasker bij het verwisselen van de bidon is de noodzakelijke restbescherming.
Wat elke preventieadviseur hieruit kan meenemen
Een aantal inzichten uit dit eindwerk zijn breed toepasbaar:
- Taalbarrières zijn een veiligheidsrisico dat expliciet in de risicoanalyse hoort. Een procedure die niet begrepen wordt, is geen procedure. Visuele communicatie helpt, maar vereist dosering en regelmatige evaluatie van de effectiviteit.
- Een verhuis of ingebruikname van een nieuw gebouw vraagt een systematische doorlichting van het volledige veiligheidsdossier: brandpreventie, sociale voorzieningen, signalisatie, evacuatieplan. Al deze elementen “resetten” bij een verhuis.
- Ergonomische risicoanalyse op werkpostniveau loont ook in omgevingen waar al maatregelen zijn. De organisatie van het werk (rotatiediscipline, tijdsduur per werkpost) is minstens even belangrijk als de fysieke inrichting.
- Kwetsbare doelgroepen vragen een preventieaanpak die verder gaat dan de standaardinstrumenten. Kortere contracten, wisselend personeel en lagere taalvaardigheid maken onthaalbeleid, PBM-sensibilisering en veiligheidscommunicatie complexer en tegelijk crucialer.
- De preventieadviseur als procesbegeleider: dit eindwerk laat zien hoe een pas afgestudeerde preventieadviseur, dankzij een gestructureerde methodiek (Kinney, VERV-ergonomietool, werkpostanalyse), snel een bruikbare prioriteitenlijst kan opbouwen en een jaaractieplan kan onderbouwen. De methodiek staat ten dienste van het handelen.
Tot slot
Eindwerken van preventieadviseurs in opleiding zijn zelden onderwerp van publieke aandacht. Toch zijn ze een rijke bron van praktijkkennis: ze beschrijven echte situaties, met echte beperkingen en echte oplossingen. De wasserij van Stad Lokeren is geen uitzonderlijk geval. Er zijn tientallen soortgelijke werkplekken in Vlaanderen waar kwetsbare werknemers tewerkgesteld zijn in arbeidsintensieve omgevingen, met beperkte middelen en een hoog verloop.
De vraag die dit eindwerk stelt, is dezelfde als die op elke werkplek zou moeten worden gesteld: zijn onze veiligheidsmaatregelen afgestemd op wie er werkelijk werkt? Niet de gemiddelde werknemer uit de risicoanalyse, maar de mensen die er elke dag staan.
Wil je meer lezen? Je kunt het eindwerk opvragen bij het AP – Veiligheidsinstituut door een mail te sturen naar veiligheidsinstituut@ap.be.