Artikel

Reset of nuance? De juiste rol van de arbeidsarts in langdurige afwezigheid

België telt intussen meer dan een half miljoen langdurig zieken; meer dan het aantal werklozen. De kostprijs voor onze samenleving loopt op tot 12 miljard euro per jaar. Werkgeversorganisatie Voka-Vlaams netwerk van ondernemingen pleit daarom in een opiniestuk voor een systeemreset: huisartsen zouden werknemers maximaal één maand ziek mogen schrijven; daarna moet de arbeidsarts het dossier opnemen. Daarnaast stellen ze de invoering van een “fitnote” voor, een attest dat aangeeft wat een werknemer nog wél kan.

Opvallende voorstellen, die het debat over ziekte-uitval op scherp zetten.

De arbeidsarts in de spotlights

De centrale rol van de arbeidsarts is terecht: we kennen het werk, de werkplek en de organisatiecontext. Bij psychosociale klachten, burn-out of werkgerelateerde fysieke problemen kan de arbeidsarts barrières wegnemen die een terugkeer verhinderen. Hier ligt een duidelijke meerwaarde, meer nog dan bij medische trajecten waar herstel voorspelbaar is (bv. een knieoperatie of een chemokuur).

De vraag is echter: wat is het juiste moment om die expertise in te schakelen? Een rigide regel van “na één maand altijd naar de arbeidsarts” klinkt daadkrachtig, maar negeert de diversiteit van aandoeningen. Een getrapte aanpak lijkt verstandiger: de huisarts blijft behandelaar, maar verwijst sneller door naar de arbeidsarts wanneer werk een bepalende factor is.

Ziektebriefje of fitnote?

Het klassieke ziektebriefje suggereert een binair onderscheid: ziek = niet werken. De realiteit is vaak genuanceerder. Veel werknemers kunnen wél nog bepaalde taken opnemen, mits aanpassingen. Een fitnote kan dat gesprek inderdaad mogelijk maken.

Maar ervaringen in het buitenland tonen dan wel weer dat het succes hiervan staat of valt met de reële mogelijkheden voor aangepast werk op de werkvloer, én als de arts die het attest invult, zicht heeft op de werkcontext. Dat laatste pleit opnieuw voor een nauwe rol van de arbeidsarts.

Vertrouwen boven controle

Minister Frank Vandenbroucke reageerde alvast scherp op het Voka-voorstel. Volgens hem getuigt het van “veel wantrouwen tegen artsen en weinig vertrouwen in werkgevers zelf“. Hij wees erop dat werkgevers vandaag al verplicht zijn om de arbeidsarts in te lichten wanneer een werknemer langer dan een maand ziek is, maar dat dit zelden gebeurt. En ja, dat kan ik wel beamen. Zijn boodschap was dan ook dat ook werkgevers verantwoordelijkheid moeten nemen, in plaats van de bal enkel naar artsen door te schuiven.

Ook de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (BVAS-ABSyM) kantte zich tegen het idee van een limiet van één maand. Zij pleiten voor maximaal drie maanden en wijzen op het TRIO-platform (overleg tussen mutualiteit, huisarts en arbeidsarts). Dat, wil ik hier toch even bij vermelden, momenteel niet naar behoren functioneert en waarover de Autorité de protection des données – Gegevensbeschermingsautoriteit vorige zomer nog een vernietigend advies heeft opgesteld. In ieder geval, de zorg van BVAS (en ook van onze sector via Co-Prev) is dat arbeidsartsen te veel in een controlerol zouden belanden, wat hun neutraliteit en vertrouwen kan ondermijnen.

Werk maakt soms ziek — en toch ook beter

We kennen allemaal voorbeelden van beroepsziekten en werkgerelateerde klachten die juist wél hun oorsprong vinden in het werk. Zelf had ik het nog onlangs over de enorme druk op het middenkader. Daarom moet primaire preventie altijd het vertrekpunt zijn. En dat gaat veel verder dan de werknemer “meer veerkracht geven” met tips rond gezonde voeding of voldoende slaap. In de eerste plaats moet de werkomgeving zelf onder de loep worden genomen. Voor psychosociale risico’s verwijzen preventieadviseurs psychosociaal daarbij naar de gekende “vijf A’s”.

Maar tegelijk klopt het dat werk vaak een positieve rol speelt in herstel. Studies tonen aan dat wie binnen drie à vier maanden na uitval opnieuw (gedeeltelijk) kan starten, veel meer kans heeft om duurzaam terug te keren. Wachten tot na zes maanden betekent vaak dat de band met de werkvloer definitief verloren gaat.

Reflectievragen voor HR en preventie

  • Hoe zorgen we dat de arbeidsarts sneller en beter betrokken wordt, zonder rigide termijnen die geen rekening houden met medische realiteit?

  • Op welke manier kunnen werkgevers hun verantwoordelijkheid waarmaken en effectief ruimte scheppen voor aangepast werk?

  • Hoe behouden we het vertrouwen in de arbeidsarts als begeleider, en vermijden we dat die als controleur wordt gezien?

Praktische aanbevelingen

  1. Werk aan een doorverwijslogica: betrek de arbeidsarts sneller wanneer werkfactoren een rol spelen, maar forceer geen starre termijnen.

  2. Maak de procedures werkbaar: combineer medische inschatting door de huisarts met werkgerichte beoordeling door de arbeidsarts.

  3. Bewaar het vertrouwen: hou de rol van de arbeidsarts zuiver, weg van sanctionerend of controlerend werk.

  4. Investeer in aangepast werk: re-integratie lukt alleen als er op de werkvloer reële mogelijkheden bestaan om taken aan te passen.

  5. Neem verantwoordelijkheid: werkgevers moeten arbeidsartsen tijdig informeren en hun rol als partner in welzijn erkennen.

Tot slot

De oproep van Voka klinkt luid, maar ook eenzijdig. Minister Vandenbroucke en artsenorganisaties hebben terecht gewezen op de nood aan vertrouwen, verantwoordelijkheid en nuance. Ons systeem is inderdaad ziek, maar de remedie is niet één simpele resetknop.

Voor HR-professionals en preventieadviseurs ligt hier een kans: niet wachten op wetgeving, maar nu al samenwerking organiseren tussen huisarts, arbeidsarts en werkgever. En vooral: de shift maken van “wat niet meer kan” naar “wat nog wél kan”.

Dat is misschien niet de grote reset, maar wel de broodnodige nuance.