Nederlandse bedrijfsartsen besteden gemiddeld 14 procent van hun werktijd aan preventie. Ongeveer 69 procent gaat naar verzuim- en re-integratiebegeleiding. Dat blijkt uit het proefschrift van Suzanne Orhan Pees. Aan de motivatie van de artsen ligt het niet: 96 procent beschouwt preventie als een kerntaak van het beroep. De sterkste voorspeller van de tijd die ze er effectief aan besteden, is de steun die ze ervaren van de werkgever.
Lees ook: De toekomst van de arbeidsarts: oproep tot herwaardering van preventie op het werk
Vier op de tien bedrijfsartsen voelen steun van de werkgever voor preventie
De Nederlandse bedrijfsarts vult dezelfde functie als onze preventieadviseur-arbeidsarts, maar in een systeem waarin de werkgever het loon tot twee jaar doorbetaalt bij ziekte. Die prikkel trekt de aandacht van werkgevers naar de duur van het verzuim en naar de kosten daarvan. Preventie levert pas later iets op en is moeilijker te becijferen.
Pees bevroeg 227 bedrijfsartsen over de steun die ze ervaren van vier partijen. Collega-artsen scoren hoog met 84 procent, andere preventieprofessionals met 78 procent. Van het management van hun eigen arbodienst voelt ongeveer 62 procent voldoende steun. Bij de werkgevers waarvoor ze werken zakt dat naar 43 procent.
Dat verschil blijft niet bij een gevoel. Artsen die steun van de werkgever ervaarden, besteedden gemiddeld 3,6 procentpunt meer van hun werktijd aan preventie dan artsen die die steun misten. Voor de houding van de arts tegenover preventie vond het onderzoek geen enkel verband met de tijdsbesteding. Overtuiging zonder opdracht levert geen preventie op.
De randvoorwaarden zijn bovendien schaars. Van de bevraagde artsen vond 37 procent dat er genoeg personeelscapaciteit was, 36 procent genoeg financiële middelen en 31 procent genoeg tijd om preventieve taken in te passen.
Lees ook: Beoordeling arbeidspotentieel na 2 maanden ziekte is logische stap, mits ondersteuning
Een studie bij 231 bedrijfsartsen verhoogde hun preventietijd niet
Pees ontwikkelde een programma om artsen in hun preventieve rol te ondersteunen, en testte het in een gerandomiseerde studie met 41 intervisiegroepen en 231 bedrijfsartsen. De deelnemers bespraken drie keer hun belemmeringen rond preventie en stelden een persoonlijk actieplan op. Het programma werd volgens plan uitgevoerd en positief geëvalueerd.
Het effect op de tijdsbesteding bleef evenwel uit. Zowel de interventie- als de controlegroep ging van 14 naar 17 procent preventietijd na twaalf maanden. Eén taak schoof wel op: preventief advies tijdens verzuimbegeleiding, met vijf uur per maand extra in de interventiegroep. Dat is ook de enige preventieve taak die de arts zelf kan starten. Een werkplekbezoek, een risicoanalyse of een open consultatie vragen een beslissing van de organisatie.
Lees ook: Nieuw advies Hoge Raad over toekomst arbeidsgeneeskunde
Wat één verzuimdossier door stress kost, is in Nederland becijferd
Het proefschrift verwijst naar een Nederlandse studie die voor één episode verzuim door stressklachten gemiddeld 101 verloren werkdagen en ongeveer 19.151 euro werkgeverskost berekende. Bij burn-out liep dat op tot 163 dagen en 30.770 euro. Die bedragen gelden voor het Nederlandse stelsel van loondoorbetaling. De richting van de vergelijking is bruikbaar voor België, maar de bedragen zijn dat niet.
Meer preventie maakt het werk aantrekkelijker zonder het zwaarder te maken
Een tweede analyse in hetzelfde proefschrift keek naar de werkbeleving van 207 bedrijfsartsen. Wie relatief meer tijd aan preventie besteedde, ervaarde vaker voldoende afwisseling in het werk en had vaker het gevoel de eigen competenties te gebruiken. De ervaren werkdruk nam daarbij niet toe. In een markt met een structureel tekort aan arbeidsartsen (zoals in België) is dat een argument dat organisatieleiders aanbelangt. Een opdracht die vrijwel uitsluitend uit verzuimdossiers bestaat, maakt de functie minder aantrekkelijk.
Lees ook: Onderzoek - Van theorie naar praktijk: hoe jonge bedrijfsartsen taakdelegatie ervaren

Preventieve opdrachten die niet in de jaarplanning staan, gebeuren niet
Drie beslissingen liggen bij de organisatie zelf.
- Bepaal per jaar welke preventieve opdrachten u effectief uitgevoerd wil zien, met een aantal erbij: hoeveel werkplekbezoeken, in welke afdelingen, en wie de bevindingen ontvangt.
- Vraag bij de jaarevaluatie een uitsplitsing van de gepresteerde uren tussen preventie en verzuimdossiers. Zonder dat cijfer is de verhouding niet stuurbaar.
- Zet de bevindingen van de arbeidsarts op de agenda van het comité voor preventie en bescherming op het werk met een beslissingsmoment, niet louter als kennisname.
Het proefschrift laat zien dat de preventieve rol van de bedrijfsarts vastloopt op de opdracht van de arts en op de tijd en middelen die erbij horen. Die keuze maakt een organisatie elk jaar opnieuw, ook wanneer ze nergens expliciet wordt gemaakt.
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.