
Het voorstel om rookkamers in ondernemingen wettelijk af te schaffen botst met de realiteit op de werkvloer. Dat stelt de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk in haar recente advies nr. 279. Niet omdat roken gezond zou zijn (integendeel), maar omdat een absoluut verbod zonder ruimte voor sociaal overleg nieuwe welzijns- en veiligheidsproblemen kan creëren.
Rookkamers afschaffen: eenvoudig idee, complexe werkvloer
Het wetsontwerp wijzigt de wet van 22 december 2009 rond rookvrije plaatsen en wil de mogelijkheid schrappen om rookkamers in ondernemingen te voorzien. Dit kadert in de ambitie naar 100% rookvrije omgevingen, in lijn met internationale gezondheidsdoelstellingen en het federaal tabaksplan. De argumenten zijn bekend: normalisering van roken tegengaan, bescherming tegen tweede- en derdehands rook en aansluiting bij andere EU-landen waar rookkamers al verdwenen zijn.
De Hoge Raad erkent die gezondheidsdoelstellingen, maar geeft negatief advies over de afschaffing. Dat is geen pleidooi vóór roken, wel een pleidooi voor werkbaarheid en welzijnslogica.
Even terug naar de essentie van de welzijnswetgeving
Hoofdstuk 4 van de Rookwet komt oorspronkelijk uit de welzijnsreglementering. De kern was altijd: bescherm werknemers die niet roken tegen blootstelling aan tabaksrook tijdens het werk.
Het doel is dus een rookvrije werkomgeving voor niet-rokers, niet het reguleren van de persoonlijke gezondheidskeuzes van rokende werknemers. Vanuit die logica konden rookkamers mits sociaal overleg een middel zijn om blootstelling elders te vermijden.
Dat onderscheid is belangrijk: het gaat om blootstellingsbeheersing op de werkplek, niet om leefstijlbeleid pur sang.
Waarom een totaalverbod in de praktijk kan wringen
De Hoge Raad wijst op situaties waar “ga gewoon buiten roken” minder evident is dan het klinkt tijdens een beleidsvergadering met goede koffie:
- grote of gesloten sites waar je niet even de deur uit wandelt
- functies waarbij de werkpost niet zomaar verlaten kan worden
- omgevingen met strikte hygiëne- of veiligheidsprocedures (zorg, voeding, productie)
- lange tijdsverliezen bij uit- en inklokken, omkleden, sluizen, PBM’s
In zulke contexten fungeerde een rookkamer soms als gecontroleerd kanaal: roken wordt gebundeld op één plaats, in plaats van verspreid op verboden of risicovolle plekken. De vrees is dat een absoluut verbod leidt tot meer “verborgen” rookgedrag, met extra brand-, veiligheids- of hygiënerisico’s.
Het echte pijnpunt: het sociaal overleg verdwijnt
Vandaag is de inrichting van een rookkamer gekoppeld aan overleg met het CPBW (of via de cascaderegeling). Het wetsvoorstel zou die ondernemingsspecifieke beslissingsruimte schrappen.
Volgens de Hoge Raad is dat problematisch omdat rookbeleid traditioneel net via overleg wordt gedragen om spanningen tussen rokers en niet-rokers te beperken. Een uniforme top-downregel zonder ruimte voor lokale realiteit wordt niet als wenselijk gezien.
Voor preventieadviseurs is dit herkenbaar terrein: wat juridisch strak klinkt, botst soms op menselijke dynamiek. En die laatste win je niet met een KB alleen.
Wat betekent dit voor het preventiebeleid in ondernemingen?
Los van de wetgevende uitkomst blijft dit overeind: alle werknemers hebben recht op lucht zonder tabaksrook in alle werkruimtes. Hoe dat organisatorisch het best wordt gerealiseerd, hoort thuis in het welzijnsbeleid en het sociaal overleg.
De Hoge Raad schuift een aantal duidelijke sporen naar voren:
- behoud van overleg op ondernemingsniveau over rookbeleid
- vermijden van buitensporige technische eisen als rookkamers nog zouden bestaan
- inzetten op sensibilisering
- toegankelijk aanbod van rookstopbegeleiding
Dat laatste is geen detail. Zonder begeleiding verschuif je gedrag zelden duurzaam; je verschuift vooral de plek waar het gebeurt.
Reflectie voor preventieadviseurs
Dit dossier raakt aan een klassiek spanningsveld in preventie: normeren versus faciliteren.
Enkele vragen om intern te stellen:
- Gaat ons rookbeleid vooral over regels of over risicobeheersing?
- Waar zitten in onze organisatie de functies waar “even buiten roken” praktisch moeilijk is?
- Hoe voorkomen we dat een verstrenging leidt tot minder controle en meer verborgen risico’s?
- Is rookstopbegeleiding echt laagdrempelig, of vooral een mooie zin in een policy?
Pragmatische aanbevelingen
Zelfs zonder definitieve wet:
- Breng de realiteit in kaart: wie kan de werkpost niet verlaten, en waarom?
- Bespreek rookbeleid expliciet in het CPBW, niet alleen als welzijnsthema maar ook als organisatievraagstuk (pauzes, doorlooptijden, veiligheid).
- Koppel rookbeleid aan ondersteuning: rookstopprogramma’s, medische begeleiding, vertrouwelijkheid.
- Communiceer helder over het waarom: bescherming van collega’s, niet moraliseren over individuele keuzes.
Conclusie
Roken blijft een gezondheidsrisico, daar is weinig discussie over. Maar in ondernemingen gaat het voor preventie vooral over hoe je risico’s beheerst zonder nieuwe te creëren. Dat vraagt minder slogans en meer overleg. Niet sexy, wel effectief.