Artikel

Hoe snel moet een arbeidsarts ingeschakeld worden bij verzuim?

Dat werknemers met klachten best snel gezien worden door een arbeidsarts, klinkt vanzelfsprekend. Hoe vroeger de begeleiding start, hoe sneller de terugkeer naar werk, zo luidt het klassieke uitgangspunt. Maar recent Nederlands onderzoek brengt daar nu nuance in. De studie toont dat een vroege eerste raadpleging bij psychisch verzuim slechts een bescheiden effect heeft op de duur van de afwezigheid. Alleen bij aanpassingsstoornissen lijkt vroeg ingrijpen echt verschil te maken. Voor burn-out, depressie of angststoornissen is het effect minimaal.

Wat Nederland onderzocht

In Nederland is wettelijk bepaald dat een werknemer met een common mental disorder (CMD) binnen twee weken na ziekmelding een eerste gesprek moet hebben met de bedrijfsarts. Onderzoekers van HumanTotalCare en Amsterdam UMC wilden weten of die termijn effectief iets uitmaakt. Ze analyseerden de dossiers van meer dan 12.000 werknemers met psychisch verzuim en vergeleken wie binnen twee weken werd gezien met wie later aan de beurt kwam.

De resultaten: werknemers die pas na twee weken hun eerste consultatie kregen, keerden gemiddeld slechts iets trager terug; een verschil van zo’n 11% in kans op werkhervatting. Na week 2 verdwenen de verschillen grotendeels. Of iemand nu in week 3, 4 of 5 de bedrijfsarts zag, maakte nauwelijks uit.

Dosis-respons effect van timing gesprek met de bedrijfsarts per diagnosegroep. Van: van Rossum et al.

Wat betekent dat voor België?

In België bestaat geen wettelijke termijn voor de eerste tussenkomst van de arbeidsarts bij psychisch verzuim. Toch leeft ook hier het idee dat “hoe vroeger, hoe beter” een absolute regel is. Het KB Re-integratie 2.0 heeft in 2022 het contact na 4 weken ingevoerd, het huidige ontwerp-KB Re-integratie 3.0 wil daar een “inschatting van het arbeidspotentieel” na 8 weken arbeidsongeschiktheid aan toevoegen. Op zich zeker nuttig dat de weg naar de arbeidsarts laagdrempelig is.

Maar de realiteit in de externe diensten is wel dat de schaarste aan arbeidsartsen hiermee enkel nog nijpender wordt. In dat licht is het niet vanzelfsprekend om nog meer tijdsdruk te creëren zonder duidelijke gezondheidswinst. Belangrijker dan wanneer het eerste gesprek plaatsvindt, is hoe het verloopt: de kwaliteit van de dialoog, de afstemming op de noden van de werknemer en de continuïteit van opvolging.

Een vroege consultatie heeft dus alleen zin als ze ook inhoudelijk iets toevoegt. Een gehaast, formeel gesprek om een wettelijke termijn te halen, helpt niemand vooruit.

Het nieuwe ontwerp-KB

Het Belgisch ontwerp-KB Re-integratie 3.0 wil werkgevers verplichten om vanaf 8 weken arbeidsongeschiktheid een inschatting van het arbeidspotentieel te vragen aan de arbeidsarts. Wanneer die inschatting positief is, moet uiterlijk na 6 maanden een formeel traject worden opgestart.

De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk steunde de doelstelling, maar uitte in hun advies nr. 274 stevige bedenkingen:

  • het KB legt extra administratieve lasten op aan preventiediensten, terwijl de basispreventie al onder druk staat;

  • het dreigt de arbeidsarts te herleiden tot controlefiguur in plaats van vertrouwenspersoon;

  • en het verschuift middelen van primaire en secundaire naar tertiaire preventie, terwijl net vroegtijdige zorg op de werkvloer langdurige afwezigheid kan voorkomen.

Met andere woorden: het beleid wil vroeger tussenkomen, maar zonder bewijs dat dit echt effectiever is; terwijl de middelen om dat te doen almaar schaarser worden.

De les uit Nederland

De Nederlandse data laten zien dat snelheid niet altijd gelijkstaat aan effectiviteit. Alleen in specifieke situaties (zoals aanpassingsstoornissen) is vroeg contact zinvol. Voor de meerderheid van de werknemers volstaat het om binnen enkele weken een betekenisvolle, goed voorbereide consultatie te plannen.

Dat pleit voor differentiatie en maatwerk in plaats van uniforme termijnen. Een regel die iedereen na exact acht weken verplicht uitnodigt, is (zonder aanpassing van het gezondheidstoezicht) noch realistisch noch evidence-based.

Tijd voor waardegedreven preventie

Zowel de Nederlandse studie als het Belgische advies leggen dezelfde paradox bloot: we willen sneller re-integreren, maar vergeten te investeren in wat echt werkt: vertrouwen, samenwerking en duurzame aanpassing van werk.

Echte vooruitgang ligt niet in nog vroeger ingrijpen, maar in waardegedreven preventie:

  • werknemers met reëel herstelperspectief tijdig en persoonlijk begeleiden;

  • informele trajecten stimuleren in plaats van bureaucratische;

  • en de beperkte capaciteit van arbeidsartsen inzetten waar ze het meest gezondheidswinst oplevert.

Tot slot

Het is duidelijk dat er iéts moet veranderen, het aantal langdurig arbeidsongeschikte werknemers neemt almaar toe. En een begeleiding door de arbeidsarts kan zeker een nuttig deel van de oplossing zijn. De vraag is echter niet louter “Hoe snel moet de arbeidsarts tussenkomen?” maar “Wanneer is tussenkomen zinvol?”.

Snel contact kan helpen, maar te vroege of te formele verplichtingen leveren weinig extra op. Als we willen dat re-integratie écht werkt, moeten we het hele arbeidsgeneeskundige gezondheidstoezicht onder de loep nemen.