Artikel

Het RIZIV-rapport en de vragen die niemand stelt

Open: Pasted image 20260531102728.png

Een intern rapport van drie arts-inspecteurs uit 2020, gebaseerd op 290 dossiers, is deze week uitgegroeid tot een politiek en mediaspektakel van de eerste orde. ” 59 procent van de langdurig zieken kan wél werken “, klonk het. Verschillende politieke partijen grepen de conclusie gretig aan. De discussie draait nu volledig rond controle, fraude en de rol van ziekenfondsen. En terwijl iedereen roept, blijft de belangrijkste vraag onbeantwoord: hoe komt het dat al die mensen überhaupt ziek worden?


Een rapport met serieuze methodologische beperkingen

Laat me beginnen met wat het rapport feitelijk is: een interne steekproef van 290 mensen die recent invalide waren verklaard, uitgevoerd door drie arts-inspecteurs. Geen gepubliceerd onderzoek, geen peer review, geen transparante methodologie. De steekproef was representatief naar leeftijd, geslacht en woonplaats, maar niet naar ziekteprofiel. Ernstig zieke patiënten (zoals bijvoorbeeld kankerpatiënten) werden hierbij al bewust buiten beschouwing gelaten. Mensen zonder medicatie werden automatisch als “niet ziek” gecategoriseerd, een benadering die elke arbeidsarts of preventieadviseur meteen zal herkennen als problematisch: bijvoorbeeld bij burn-out, depressie en andere psychische aandoeningen maakt medicatie vaak geen deel uit van het behandelplan.

Dat de steekproef bovendien focuste op recent verklaarde invaliden, en niet op de volledige populatie van meer dan een half miljoen langdurig zieken, maakt veralgemening naar die bredere groep statistisch onhoudbaar, zoals CM-voorzitter Luc Van Gorp al stelde in een reactie op de stellingen uit het artikel. Dit zie ik niet als politieke argumenten van ziekenfondsen die hun vel willen redden. Het zijn effectieve basisregels van onderzoeksmethodologie.

Dat het rapport jarenlang niet publiek werd gemaakt, is op zich een legitieme vraag voor een parlementaire hoorzitting, zoals nu voorzien is. Maar “niet gepubliceerd” betekent niet automatisch “in de doofpot gestopt om fraude te verbergen”. Het kan evengoed betekenen dat betrokkenen oordelen dat een methodologisch fragiel intern document geen basis biedt voor publiek beleid. Die mogelijkheid verdient minstens evenveel aandacht als de doofpottheorie.


“Kunnen werken” is niet hetzelfde als “werk hebben”

Zelfs als we de cijfers uit het rapport voor een moment voor waar aannemen, dan nog is de sprong naar “die mensen kunnen gewoon terug aan de slag” een gevaarlijke simplificatie. In de praktijk gaat het bij een groot deel van deze mensen om een beperkte en opbouwbare arbeidscapaciteit: misschien één dag per week, aangepast werk, in een omgeving die rekening houdt met hun belastbaarheid (waar ik het in een recent artikel naar aanleiding van een bevraging van UGent@Work nog over had). De jobs die daarvoor in aanmerking komen, bestaan in de meeste sectoren nauwelijks. Re-integratie is geen schakelaar die je omzet.

Wie dagelijks bezig is met re-integratietrajecten, weet hoe moeizaam dat proces verloopt, zelfs bij gemotiveerde werknemers en welwillende werkgevers. De nieuwe regels van KB Re-integratie 3.0, die dit jaar van kracht worden, erkennen dat zelf: vroeger beginnen, informeler werken, meer overleg tussen artsen. Omdat re-integratie nogal eens structureel stroef verloopt door organisatorische en relationele drempels.


De vraag die niet gesteld wordt

Maar het meest opvallende aan dit hele debat is niet wat er gezegd wordt, maar wat er niet gezegd wordt. Meer dan een derde van de langdurig zieken heeft een psychische oorzaak: depressie, angst, burn-out. Nog eens een derde kampt met musculoskeletale aandoeningen. Een substantieel deel van beide groepen is het directe gevolg van hoe werk vandaag georganiseerd is: hoge werkdruk, weinig autonomie, onduidelijke verwachtingen, gebrek aan sociale steun van leidinggevenden, slechte ergonomie.

We stevenen af op 600.000 langdurig zieken. Dat is geen fraude-epidemie. Dat is een volksgezondheidscrisis met een duidelijk werkgerelateerde component. En toch gaat het debat bijna uitsluitend over controle achteraf: strengere poortwachters, adviserend artsen los van ziekenfondsen, parlementaire hoorzittingen. Nul aandacht voor wat er op de werkvloer misgaat.

Preventie is goedkoper dan re-integratie. Re-integratie is goedkoper dan langdurige invaliditeit. Dat is geen ideologische stelling die ik hier inneem, maar een rekensom die al decennia gemaakt wordt in de arbeidsgeneeskunde en de preventiewetenschap. Zoals collega arbeidsarts en schrijver Wim Van Hooste aangeeft in een recent opiniestuk voor de Artsenkrant: De vijf A’s, arbeidsorganisatie, arbeidsinhoud, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen, bieden een gestructureerd kader om die oorzaken aan te pakken. Psychosociale risicoanalyse, jaaractieplannen, preventiecomités: de instrumenten bestaan. Ze worden alleen systematisch onderbenut, of ingezet als papieren oefening.


Wat het politieke debat ons leert over onze prioriteiten

De snelheid waarmee dit rapport politiek werd gerecupereerd, zegt iets over hoe we als samenleving naar ziekte en arbeidsongeschiktheid kijken. De reflex is er onmiddellijk: misbruik opsporen, controle aanscherpen, verantwoordelijken aanwijzen. Dat is begrijpelijk, en deels ook terecht. Maar het is een benadering die de kijkrichting omkeert: van output naar input, van symptoom naar oorzaak.

Als de helft van de langdurig zieken zou kunnen werken, dan is de vervolgvraag niet “hoe pakken we die aan”, maar “in welke werkomgeving zouden ze dat dan kunnen, en waarom zijn we er niet in geslaagd die te creëren”. Dat is een ongemakkelijkere vraag, want ze richt zich niet enkel naar individuen maar ook naar werkgevers, sectoren en beleid.


Wat preventieadviseurs en HR-professionals hieruit kunnen meenemen

Los van het politieke spektakel zijn er concrete lessen:

  1. Gebruik dit momentum. Als arbeidsongeschiktheid op de politieke agenda staat, is dit het moment om intern het gesprek te voeren over werkdruk, leiderschapskwaliteit en psychosociale risico’s.
  2. Houd de nuance vast. Het rapport zegt iets over een specifieke subgroep in 2019. Het zegt niets over de half miljoen mensen die vandaag thuiszitten. Wie intern of extern over dit thema communiceert, moet die nuance bewust bewaken.
  3. Verschuif de focus naar primaire preventie. Elke euro die geïnvesteerd wordt in werkpostanalyse, leiderschapsontwikkeling en psychosociale risicoanalyse bespaart meerdere euro’s aan verzuimkosten. Dat argument is nu makkelijker te maken dan ooit.
  4. Bewaak de menselijke maat. De sfeer van wantrouwen die dit soort berichten creëert, heeft directe effecten op werknemers die al kwetsbaar zijn. Mensen die twijfelen of ze buiten durven komen omdat ze “voor profiteur versleten worden”, staan verder van re-integratie, niet dichter.
  5. Volg de parlementaire hoorzittingen. De kans bestaat dat er aanbevelingen uit komen die direct raken aan de rol van de arbeidsarts, het re-integratietraject of de financiering van preventiediensten. Anticipeer daarop.

Een debat dat we anders moeten voeren

Het RIZIV-rapport verdient serieuze aandacht: als signaal dat controles tekortschoten, als aanleiding voor transparantie over hoe interne onderzoeken behandeld worden, en als vertrekpunt voor een gesprek over de kwaliteit van dossiervorming en beoordeling, met ook een rol voor de werknemer zelf, de werkgevers en de betrokken artsen (behandelend, adviserend en arbeidsarts). Wat het niet verdient, is gebruikt te worden als bewijs dat honderdduizenden mensen die vandaag thuis zitten dat onterecht doen.