Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Het recht op deconnectie: een wet die alleen werkt waar de organisatie er klaar voor is

Een Europese vergelijking van vijf landen met deconnectiewetgeving leidt tot de vaststelling dat dezelfde wet leidt tot tegengestelde uitkomsten. In België en Frankrijk verbetert het welzijn van medewerkers, in Spanje, Ierland en Portugal stagneert het of gaat het achteruit. In Spanje daalde de levenstevredenheid significant, in Ierland de gezondheid, in Portugal beide. Het kernpunt: een wet op papier verandert weinig zolang de institutionele en culturele kaders eromheen ontbreken. De wet zet een vloer; wat erboven gebeurt, bepaalt jouw organisatie zelf.


België scoort goed, maar de winst gaat voornamelijk naar mannen

De Belgische resultaten lijken op het eerste zicht positief: significante stijgingen in geluk en gezondheid na invoering van de wet in 2018. Wie de cijfers opsplitst, ziet echter iets anders. De gezondheidswinst (+0,18 SD) en geluksstijging (+0,38 SD) bij mannen zijn statistisch significant. Bij vrouwen is het effect op gezondheid exact nul, en op geluk verwaarloosbaar. De Belgische “succesoperatie” is dus vooral een mannensucces.

Frankrijk is in dat opzicht de uitzondering: daar profiteren vrouwen iets meer dan mannen, met een significante stijging in geluk. In Spanje gebeurt het tegenovergestelde: de levenstevredenheid van Spaanse vrouwen daalt na invoering van de wet (-0,60 SD, significant). Het patroon is dus niet “wetgeving werkt slechter voor vrouwen”, maar wel “wetgeving werkt selectief, en de uitkomst hangt af van wat er rond die wet bestaat”.

Effect van deconnectiewetgeving op levenstevredenheid, geluk en gezondheid in België. Van: Regier.

Genderverschillen. Van: regier.


De werktijddata vertelt waarom

Het onderzoek bekeek ook hoe de totale werktijd verschoof na invoering. In Spanje daalt de werktijd van mannen, terwijl die van vrouwen stijgt na invoering van de wet. In België is het net andersom: mannen werken meer, vrouwen werken minder.

Wat dat betekent voor jouw organisatie: een algemene deconnectieregel werkt niet uniform door op alle medewerkers. Wie zorgtaken combineert met betaald werk (in praktijk vaker vrouwen), kan een formele afkoppelingsregel ervaren als bijkomende druk om “unpaid work” op te vangen. Zonder begeleidende maatregelen (werklast, taakverdeling, rolafspraken) lekt de besparing op betaalde werktijd weg naar onbetaalde verplichtingen.


Het verschil zit in collectieve instituties, niet in goede bedoelingen

Regier wijst het institutionele landschap aan als verklarende factor. Frankrijk en België scoren hoog op de Eurofound Industrial Relations Index: hoge dekkingsgraad van cao’s, sterke werknemersvertegenwoordiging, reële handhavingscapaciteit. Daar functioneert deconnectiewetgeving als “beneficial constraint” op werkgevers. In Spanje is de loonvorming sterk gedecentraliseerd richting bedrijfsniveau, met zwakkere vakbondsinvloed in kleinere organisaties. Ierland heeft alleen een niet-bindende gedragscode. Portugal heeft een prescriptieve wet maar zwakke handhavingscapaciteit, vooral in kleinere bedrijven en de dienstensector.

Voor België is dat relevant. De wet werd in 2023 uitgebreid: van bedrijven met 50+ medewerkers naar 20+, met verplichte bedrijfspolicy bij afwezigheid van een akkoord. Die uitbreiding viel buiten de onderzoeksperiode en is empirisch nog niet getest. Of de positieve effecten standhouden bij organisaties zonder syndicale vertegenwoordiging, of waar de policy zonder echte onderhandeling tot stand komt, is een open vraag. Het onderzoek suggereert dat het antwoord afhangt van wat in die bedrijven feitelijk gebeurt rond bespreking en handhaving, niet van wat er in het arbeidsreglement staat.


Wat dit betekent voor wie de organisatie aanstuurt

De wet legt een vloer, geen plafond. De Belgische cijfers tonen dat zelfs in een land met sterke instituties de effecten ongelijk verdeeld zijn. Voor directies levert dat een aantal concrete aandachtspunten op:

  • Het gedrag van leidinggevenden bepaalt of het beleid leeft. Een policy die zegt dat er geen werkcommunicatie buiten de uren verwacht wordt, doet weinig als de directie zelf ’s avonds mailt. Top-down gedrag is de feitelijke norm.
  • Splits de welzijnsdata op. Aggregaat-cijfers verbergen wat het Europese onderzoek precies blootlegt: dat effecten verschillen naargelang functie, levenssituatie en zorgrol. Een psychosociale risicoanalyse die alleen gemiddeldes rapporteert, mist informatie die voor sturing relevant is.
  • Werklastverdeling is een deconnectiekwestie. Als de verwachte output gelijk blijft maar de beschikbaarheid wordt afgekapt, comprimeert het werk zich in kortere tijdsblokken. Het onderzoek vermeldt dat risico expliciet. Deconnectie zonder herziening van targets verschuift de druk, ze verlicht ze niet.
  • In kleinere entiteiten zonder syndicale aanwezigheid is extra waakzaamheid nodig. De uitbreiding van de Belgische wet in 2023 betekent dat ook organisaties van 20 tot 50 medewerkers nu onder de plicht vallen. Daar is het risico op een symbolisch beleid het grootst, omdat er minder formele tegendruk bestaat.
  • Voor genderpatronen geldt: kijk naar wat medewerkers doen, niet wat ze zeggen. De Spaanse cijfers tonen dat vrouwen na invoering méér gingen werken (niet minder). Dat soort verschuiving wordt zichtbaar in werkroosters, niet in tevredenheidsenquêtes.


Tot slot

Het onderzoek positioneert deconnectiewetgeving als een “institutioneel gemedieerde interventie”: de wet zelf is een minderheidsaandeel in wat het uiteindelijke effect bepaalt. De rest komt van het systeem eromheen: handhavingscapaciteit, vakbondsdekking, organisatiecultuur, en de mate waarin medewerkers in de praktijk hun recht durven inroepen.

Voor België is de boodschap dubbel: het bestaande institutionele kader heeft tot meetbare welzijnswinst geleid, maar die winst is ongelijk verdeeld en geconcentreerd bij groepen die al sterker stonden. De uitbreiding van de wetgeving naar kleinere organisaties test of dat patroon stand houdt of verergert.