Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

EINDWERK – Ioniserende straling in het ziekenhuis: wat de wet nu vraagt van jouw preventiedienst

Wie als preventieadviseur in een ziekenhuis werkt, weet dat ioniserende straling er altijd is geweest. Maar sedert het Koninklijk Besluit van 6 december 2018 is de verantwoordelijkheid voor stralingsbescherming fundamenteel verschoven: niet langer de externe deskundige draagt de eindverantwoordelijkheid voor de risicoanalyse per dienst, maar de interne dienst ter fysische controle (IDFC). Dat klinkt als een administratieve verschuiving. In de praktijk betekent het dat ziekenhuizen nu zelf, dienst per dienst, risicoanalyses moeten opstellen voor elk gebruik van ioniserende straling. En dat bleek voor veel instellingen meer werk dan verwacht. Een eindwerk van Marieke Claeys, uitgevoerd in het ALGEMEEN ZIEKENHUIS JAN PORTAELS in Vilvoorde, illustreert hoe die verplichting er concreet uitziet.


Het ARBIS-KB van 2018: een verschuiving van externe naar interne verantwoordelijkheid

Het Algemeen Reglement op de Bescherming van de Bevolking, de Werknemers en het Leefmilieu tegen het gevaar van de Ioniserende Stralingen (ARBIS) bestaat al langer. De wetswijziging van december 2018 bracht echter een concrete verschuiving teweeg: elke ingedeelde inrichting is nu verplicht een IDFC op te richten. Die dienst staat in voor het uitvoeren van risicoanalyses en het opstellen van procedures, en dit voor elke afdeling waar ioniserende straling gebruikt wordt.

In een middelgroot ziekenhuis zijn dat doorgaans meerdere diensten: nucleaire geneeskunde, radiologie, het operatiekwartier, endoscopie en mond-, kaak- en aangezichtschirurgie vallen elk onder een andere klasse-indeling van het ARBIS. Nucleaire geneeskunde valt als klasse II-inrichting onder de strengste regels omdat er radioactieve stoffen rechtstreeks bij patiënten worden ingespoten. De overige diensten zijn klasse III. Per afdeling geldt: een eigen stralingsagent, een eigen risicoanalyse, bijhorende procedures.

De externe deskundige in de stralingsbescherming blijft beschikbaar als adviseur, maar de uitvoeringsplicht ligt nu expliciet bij de interne dienst. Die verschuiving vraagt een samenwerking die in veel ziekenhuizen nog opgebouwd moet worden.


Wat dat in de praktijk vraagt: een risicoanalyse per dienst, niet per instelling

Preventieadviseur in opleiding Marieke Claeys voerde in het Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels (AZJP) voor de dienst nucleaire geneeskunde een volledige Fine & Kinney-risicoanalyse uit. Dat leverde een aantal inzichten op die verder gaan dan het ene ziekenhuis.

Fine & Kinney werkt met drie kengetallen: de ernst van de schade (E), de blootstellingsfrequentie (B) en de waarschijnlijkheid dat een voorziene onbedoelde gebeurtenis (VOG) zich effectief voordoet (W). Het risicogetal R = E x B x W bepaalt vervolgens in welke risicocategorie een handeling valt, en dus welke actie vereist is. De keuze voor deze methode is niet toevallig: het RIVM publiceerde een specifieke leidraad voor risicoanalyses rond stralingstoepassingen, die ook de basis vormde voor het werk in het AZJP.

In totaal werden 52 handelingen geïnventariseerd, waarvan 42 een potentieel risico op blootstelling inhielden. Dat leverde 90 voorziene onbedoelde gebeurtenissen op. Geen enkele bereikte de hoogste risicocategorie. Maar dat is geen reden tot zelfgenoegzaamheid: 18 van de 90 VOG’s scoorden tussen 70 en 200, waarvoor het ALARA-principe van kracht is: blootstelling zo laag als redelijkerwijs haalbaar houden.

Absolute verdeling van VOG’s per risicocategorieën zonder preventiemaatregelen. Van: Eindwerk Claeys, p. 22.


Prikgevaar en beademingsmaskers: risico’s die je niet verwacht bij beeldvorming

Twee risico’s springen eruit, ook nadat de bestaande preventiemaatregelen zijn meegerekend. Het eerste is prikgevaar bij het hanteren van naalden en injectiespuiten met radioactief product. Bij een prikincident met radioactieve stoffen is het gevolg tweeledig: biologische besmetting en blootstelling aan ioniserende straling. De risicoscore bedraagt 126 (E=7, B=6, W=3), risicocategorie 3. Er zijn op dit moment geen gerichte technische maatregelen om dit risico verder te verlagen; de analyse bevestigt dat men op dit punt moet steunen op goed opgeleide medewerkers, zorgvuldige techniek en regelmatige opfrissing van procedures.

Het tweede aandachtspunt is minder voor de hand liggend: bij een longventilatiescintigrafie houdt de verpleegkundige gedurende vijf minuten een beademingsmasker vast bij de patiënt, waardoor radioactieve stof wordt toegediend. Als het masker niet goed aansluit of de patiënt beweegt, ontsnapt er product langs de zijkant. Ook zonder preventiemaatregelen scoort deze VOG 108. Een mogelijke oplossing is het gebruik van een dubbelmasker, waarbij gecontamineerde lucht via het buitenste masker wordt afgevoerd. Dat type masker bestaat al voor andere toepassingen binnen het ziekenhuis, maar de compatibiliteit met de ventilatieapparatuur moet per instelling worden nagegaan.


Een overdraagbare methodiek: 8 stappen voor elke dienst

Wat het AZJP-eindwerk bruikbaar maakt voor andere instellingen, is het stappenplan dat uit het proces is gedestilleerd. Het biedt een gestructureerde werkwijze die per afdeling herhaalbaar is, ongeacht het type straling of de omvang van de dienst:

  1. Het toepassingsgebied bepalen: welke dienst, welk personeel, welke klasse-indeling?
  2. De handelingen observeren: ga mee op de werkvloer en noteer wat er effectief gebeurt.
  3. De handelingen inventariseren: orden per bron of procedure, geef elk een identificatienummer.
  4. De VOG’s bepalen: wat kan er misgaan bij elke handeling? Vraag ook naar eerdere incidenten.
  5. De risicoscores berekenen: eerst zonder preventiemaatregelen, dan met.
  6. De risicoscores interpreteren: vergelijk de twee berekeningen en identificeer restrisico’s.
  7. Preventiemaatregelen voorstellen: volg de preventiehiërarchie (voorkomen, daarna beperken).
  8. Preventiemaatregelen implementeren: gefaseerd, met opvolging en feedbackmoment.

Een kritische noot bij elke methode: Fine & Kinney blijft deels subjectief. De kwaliteit van de analyse staat of valt met de kennis van de beoordelaar en de input van het personeel op de werkvloer. Alleen de preventieadviseur die de dienst kent en medewerkers betrekt, levert een analyse die juridisch verdedigbaar én praktisch bruikbaar is.

Risicoanalyse ioniserende straling in acht stappen. Van: Eindwerk Claeys, p. 34.


Wat dit betekent voor de preventieadviseur in een zorginstelling

De ARBIS-verplichting is geen papieren exercitie. Ze veronderstelt een werkwijze waarbij de preventieadviseur meevolgt op de dienst, samenwerkt met de stralingsagent en de externe deskundige, en de resultaten vertaalt in concrete procedures. Enkele aandachtspunten voor wie hiermee aan de slag gaat:

  • Controleer per afdeling de klasse-indeling. De verplichtingen voor klasse II (nucleaire geneeskunde) zijn strenger dan voor klasse III (radiologie, OK). Dat bepaalt mee de diepgang van de risicoanalyse en de vereiste dosimetrie.
  • Gebruik de leidraad van het RIVM als methodologische basis. Die is specifiek ontwikkeld voor stralingstoepassingen en wordt in de sector erkend, ook al schrijft de wet geen specifieke methode voor.
  • Voer de risicoanalyse tweemaal uit: zonder en met bestaande preventiemaatregelen. Alleen dan zie je welke maatregelen effectief zijn en waar de restrisico’s liggen.
  • Betrek de hoofdverpleegkundige van de dienst. Die heeft kennis van wat er dagelijks fout gaat, ook al staat het niet in de procedures.
  • Stel een herhalingsagenda op. Een risicoanalyse is geen eenmalig document. Bij wijziging van apparatuur, procedures of personeelssamenstelling moet ze worden herbekeken.
  • Denk aan de meest kwetsbare groepen. Zwangere medewerkers en stagiairs vereisen specifieke aandacht in de risicoanalyse en het gezondheidstoezicht via de arbeidsarts.


Conclusie

Ioniserende straling is een risico dat preventieadviseurs in zorginstellingen zelden helemaal zelf kunnen beheersen: de klinische nood primeert, de apparatuur staat er al, en de volumes zijn wat ze zijn. Maar de ARBIS-wetgeving geeft de IDFC wel het mandaat én de opdracht om dit structureel in kaart te brengen. Wie die opdracht serieus neemt, bouwt aan een stralingsbeschermingscultuur die verder gaat dan het correct invullen van een risicoregister.

Wil je meer lezen? Je kunt het eindwerk opvragen bij het AP – Veiligheidsinstituut door een mail te sturen naar veiligheidsinstituut@ap.be.