Artikel

Discriminatie, inactiviteitsval en stigma: waarom langdurig zieken die kunnen werken de stap toch niet zetten

De regering-De Wever wil de werkzaamheidsgraad in België fors omhoog. De aanpak richt zich steeds vaker op langdurig zieken en andere inactieven. Maar wie beleid wil maken dat effectief werkt, moet eerst begrijpen waarom mensen überhaupt geen werk zoeken. Een representatieve bevraging van UGent@Work bij 1.050 Vlaamse inactieven brengt die drempels scherp in beeld. De resultaten zetten vraagtekens bij de veronderstelling dat inactiviteit primair een kwestie van motivatie of onwil is.


Langdurig zieken die kunnen werken vrezen discriminatie meer dan ze gebrek aan motivatie ervaren

Bijna 80% van de langdurig zieken in de bevraagde groep (mensen die potentieel stappen naar werk zouden kunnen zetten) geeft aan dat te laten omwille van de vrees gediscrimineerd te worden op basis van hun gezondheidstoestand. Dat is geen irrationele angst. Onderzoek heeft al herhaaldelijk aangetoond dat kandidaten die een burn-out vermelden aanzienlijk minder kans hebben om aangeworven te worden dan kandidaten met een fysieke aandoening. Psychische klachten zijn minder zichtbaar, roepen meer twijfel op; en stigma werkt door tot in de aanwervingsprocedure.

Meer dan de helft van de langdurig zieken (56%) vreest daarnaast dat werkgevers hen niet meer zullen aannemen omdat ze al te lang van de arbeidsmarkt weg zijn. Ook dat is geen perceptieprobleem: meta-analyses tonen dat aanwervingskansen pas echt afnemen na een jaar inactiviteit, en daarna verder dalen. Wie lang ziek is geweest, staat dus voor een dubbele hindernis: de gezondheidsproblematiek én de tijdskloof.

Discriminatie als drempel naar werk. Van: Policy Brief, p. 5.


De inactiviteitsval is geen mythe: werken loont financieel soms gewoon niet

20% van de langdurig zieken zoekt geen werk omdat werken voor hen financieel onvoordelig is: ze zouden hun uitkering of bepaalde voordelen zoals de verhoogde tegemoetkoming verliezen. Dat noemt de Policy Brief een “inactiviteitsval”: een situatie waarin (opnieuw) werken netto weinig of zelfs minder oplevert dan inactief blijven. Het risico op zo’n val is het grootst wanneer iemand na een job met een hoger inkomensniveau arbeidsongeschikt wordt en nadien enkel kan terugkeren naar lager betaalde arbeid.

Bij huisouders speelt een andere financiële logica: bijna 40% zoekt geen werk omdat de partner dan meer belastingen zou moeten betalen. Dat heeft alles te maken met het huwelijksquotiënt, dat koppels toelaat inkomsten fiscaal te verschuiven en daardoor de arbeidsparticipatie van de minst verdienende partner (vaak vrouwen) structureel afremt. De geplande hervorming van dit systeem is in dat opzicht relevanter dan ze soms lijkt.

Financiële situatie als drempel naar werk. Van: Policy Brief, p. 11.


Variërende belastbaarheid botst met rigide jobs: een structureel probleem

70% van de langdurig zieken geeft aan niet in staat te zijn een job uit te oefenen omdat hun mentale en fysieke capaciteit wisselt van dag tot dag. Deelnemers aan lopend UGent-onderzoek beschrijven hoe ze gemotiveerd zijn om te hervatten, maar tegelijk worden geconfronteerd met uitputting en een sterk wisselende belastbaarheid. Zelfs bij een halftijdse werkhervatting blijkt de belasting groter dan verwacht.

Opvallend is dat bijna de helft van de overige inactieven (mensen zonder ziekte-uitkering) dezelfde variërende capaciteit als drempel ervaart. Ze vallen tussen de mazen van het net: geen uitkering, maar ook geen begeleiding die bij hun situatie past. Een kwart van alle inactieven zoekt bovendien geen werk omdat de werkroosters die werkgevers verwachten niet overeenstemmen met hun beschikbaarheid. Flexibele werkarrangementen zijn niet alleen een troef voor werknemers die al aan het werk zijn; ze zijn ook een voorwaarde voor wie de stap naar de arbeidsmarkt wil zetten.

Mismatch als drempel naar werk. Van: Policy Brief, p. 3.


Zelfvertrouwen, zin en sociale omgeving: de stille drempels

1 op 4 van alle inactieven geeft aan geen werk te zoeken door te weinig zelfvertrouwen. Dat cijfer is consistent over de drie subgroepen: langdurig zieken, huisouders en overige inactieven. Zelfvertrouwen om werk te zoeken is geen vaststaand gegeven, zo toont onderzoek van professor Greet Van Hoye: gerichte trainingen waarbij succesvol werkzoekgedrag wordt geoefend en besproken, hebben aantoonbaar effect.

Daarnaast geeft een kwart aan slechte werkervaringen in het verleden als reden op, en bij huisouders ziet 28% een job simpelweg niet als belangrijk voor zichzelf. Die houding is niet irrationeel wanneer het gezin financiële zekerheid heeft. Maar ze maakt duidelijk dat financieel activeringsbeleid alleen onvoldoende is: motivatie om werk te zoeken is ook een kwestie van zingeving, sociale verwachting en hoe werk past bij wie je bent en wil zijn.


Wie lang wacht met activeren, verliest het grootste deel van het potentieel

Ongeveer 1 op 3 inactieven staat in principe positief tegenover het idee om opnieuw werk te zoeken. Dat potentieel bestaat dus. Maar het neemt sterk af naarmate de inactiviteit langer duurt. Bij langdurig zieken die meer dan een jaar inactief zijn, heeft 62% een lage zoekintentie; bij kortere inactiviteit daalt dat naar 30%. Hoe langer iemand buiten de arbeidsmarkt blijft, hoe kleiner de kans op terugkeer. Vroeg ingrijpen is dus cruciaal.

Dat vraagt om een andere kijk op re-integratie. Wie autonome motivatie ondersteunt, eerder dan via druk en controle, heeft meer kans op een duurzaam resultaat, zo toont de zelfdeterminatietheorie. Straf en verplichte controles versterken net gecontroleerde motivatie, die gepaard gaat met meer depressieve symptomen en lagere terugkeerintentie. Beleidsmaatregelen die inzetten op autonomie, betrokkenheid en competentie werken beter.

Intentie om werk te zoeken, opgesplitst naar duurtijd van de inactiviteit. Van: Policy Brief, p. 30.


Wat betekent dit voor preventieadviseurs en HR?

Dit onderzoek heeft directe implicaties voor wie aan re-integratiebeleid werkt. Een paar concrete aandachtspunten:

  • Werk het re-integratiegesprek uit als een echte verkenning van barrières, niet als een administratieve stap. Vraag expliciet naar financiële drempels, variërende belastbaarheid en eerdere werkervaringen.
  • Ontwikkel flexibele werkopties structureel voor wie terugkeert na ziekte. Variabele roosters, deeltijdse trajecten en mogelijkheden tot thuiswerk verlagen de drempel aantoonbaar.
  • Betrek de directe leidinggevende vroeg in het re-integratietraject. De bereidheid van de werkgever om het werk aan te passen is een van de sterkste voorspellers van succesvolle terugkeer.
  • Neem stigma serieus als organisatievraagstuk. Sensibiliseer recruteerders en leidinggevenden over de stigma’s rond psychische klachten. Stigma-awareness interventies hebben aantoonbaar effect op aanwervingskansen.
  • Zet in op het herstellen van zelfvertrouwen als expliciete stap in begeleidingstrajecten. Coaching gericht op werkzoekvaardigheden verhoogt niet alleen de intentie maar ook het effectieve gedrag.
  • Wacht niet tot zes maanden. Informeel contact houden (nu ook wettelijk verplicht via het KB Re-integratie 3.0) is niet alleen een administratieve formaliteit maar een financiële en menselijke investering die zichzelf terugverdient.

Tot slot

Het beeld dat oprijst uit dit onderzoek is niet dat inactieven niet willen werken. Het is dat de arbeidsmarkt (en soms het beleid) hen structureel te weinig tegemoetkomt. Discriminatie, financiële vallen, rigide roosters, stigma en een gebrek aan aangepaste begeleiding zijn geen individuele faalfactoren. Ze zijn systeemkenmerken. Wie de werkzaamheidsgraad echt wil verhogen, zal die systemen moeten aanpassen, niet alleen de mensen.