Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

Cameratoezicht op de werkvloer: drie regels die je niet mag negeren

Wie camera’s installeert om werknemers te controleren, beweegt zich op juridisch glad ijs, ook als de bedoeling legitiem is. De Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) bevestigde dat opnieuw in een beslissing van 31 oktober 2025: een horeca-uitbater die zijn personeel permanent filmde “d’apaiser une ambiance très malsaine” (om een gespannen sfeer te kalmeren), overtrad drie fundamentele principes van de GDPR tegelijk. Voor preventieadviseurs en HR-professionals die werken in sectoren waar cameratoezicht gangbaar is, zoals bouw, logistiek of productie, is dit een nuttige herinnering aan wat wettelijk al lang vastligt maar in de praktijk regelmatig misgaat.


Een uitbater die filmde om de sfeer te bewaken, niet de veiligheid

In januari 2022 installeerde een horeca-uitbater vier bewakingscamera’s nadat het personeel anders was gaan reageren op de aankondiging van een overname. De camera’s draaiden permanent, ook tijdens de volledige openingsuren. In het addendum dat werknemers moesten ondertekenen, werd als doel opgegeven: het bewaken van de “attitude van het personeel ten opzichte van de werkgever” en het vermijden van “insubordinatie”. Een werknemer diende klacht in bij de GBA.

In zijn verweer gaf de uitbater toe dat het “bedoeld was als bluf”, om zonder verdere conflicten de resterende contractperiode te overbruggen. De GBA nam die verklaring mee in haar beoordeling, maar dat veranderde niets aan de juridische vaststellingen: het systeem was er, het filmde, en het voldeed op geen enkel punt aan de vereisten.


Drie overtredingen, één beslissing

De GBA stelde inbreuken vast op drie GDPR-principes, elk gekoppeld aan cao nr. 68; de collectieve arbeidsovereenkomst die cameratoezicht op de werkplek regelt.

1. Doelbinding: filmen mag alleen voor vier omschreven doelen

Cao nr. 68 somt limitatief op waarvoor cameratoezicht op het werk is toegestaan: veiligheid en gezondheid, bescherming van bedrijfseigendommen, controle op het productieproces en controle op het werk van de werknemer. “Insubordinatie voorkomen” of “de sfeer verbeteren” staan er niet tussen. De uitbater kon geen van de vier erkende doelen aantonen als reëel motief, wat het gehele systeem juridisch ongedekt maakte.

2. Gegevensminimalisatie: permanente opname is bijna nooit proportioneel

Cao nr. 68 staat permanente opname alleen toe voor de doelen veiligheid en gezondheid, bescherming van bedrijfseigendommen en controle van (uitsluitend) machines. Permanente gedragsregistratie van werknemers (ook al zijn de camera’s gekoppeld aan de verlichting) is verboden. De GBA benadrukt het expliciet: dat de camera’s uitgingen wanneer het licht uitging, betekent dat ze draaiden zolang er personeel aanwezig was. Dat is geen beperkte inzet, dat is permanente bewaking.

3. Rechtmatigheid: zonder geldig doel is er geen geldige rechtsgrond

De uitbater had werknemers een addendum laten ondertekenen. De GBA stelde vast dat dit geen geldige rechtsgrond oplevert: een contract waarvan het voorwerp wettelijk verboden is, is juridisch nietig. Zonder erkend doel en met een disproportioneel systeem kon geen enkele rechtsgrond uit artikel 6.1 GDPR het toezicht dekken. De verwerkingsbasis ontbrak dus volledig.


Geen boete, wel een formele waarschuwing

De GBA legde geen administratieve geldboete op, omdat het camerasysteem ondertussen was verwijderd door de nieuwe uitbater die de zaak overnam. Maar de beslissing is formeel: de GBA waarschuwt de verweerder dat zij de artikelen 5.1.b (doelbinding), 5.1.c (minimalisatie) en 6.1 (rechtmatigheid) van de GDPR mogelijk heeft geschonden. Die waarschuwing heeft rechtsgevolgen en kan bij herhaling of bij een latere procedure als precedent worden ingeroepen. Bovendien is de beslissing openbaar, wat voor een kleine ondernemer op zich al een reputationele consequentie heeft.


Wat dit betekent voor preventieadviseurs en HR

Cameratoezicht op de werkvloer is in veel sectoren een geaccepteerde praktijk, maar de juridische kaders worden nog te vaak als formaliteit behandeld. Deze GBA-beslissing maakt duidelijk dat drie vragen voorafgaan aan elke installatie:

  • Valt het beoogde doel onder een van de vier categorieën van cao nr. 68? Als het antwoord neen of misschien is, is er geen basis.
  • Is permanente opname noodzakelijk, of volstaat een camera die alleen actief is tijdens risicomomenten of gericht op een specifieke zone (bv. een kluisruimte of magazijntoegang)?
  • Is er een rechtmatige basis die juridisch houdbaar is, los van een handtekening onder een intern document?

Twee praktische stappen verdienen prioriteit. Controleer eerst of bestaande camerasystemen gedocumenteerd zijn met een omschreven doel, een register van verwerkingsactiviteiten en een informatieplicht richting werknemers (conform cao nr. 68 en artikel 13 van de GDPR). Check vervolgens of de inzet van camera’s proportioneel is: worden alleen de zones gefilmd die effectief risico’s inhouden? Worden beelden niet langer bijgehouden dan noodzakelijk? Is er een onderscheid tussen permanente en tijdelijke opname per zone?

Een camera als management-instrument gebruiken (om sfeer te meten, discipline af te dwingen of aanwezigheid te registreren) valt buiten het wettelijke kader. Wie dat onderscheid niet maakt, loopt het risico op een GBA-procedure, ook als de bedoelingen verder reiken dan kwade wil.


Praktische aanbevelingen

  1. Maak een inventaris van alle actieve camerasystemen in de organisatie, met per camera het omschreven doel, de opnamehoek, de bewaartermijn en de toegang tot de beelden.
  2. Toets elk systeem aan de vier doelen van cao nr. 68. Systemen die daar niet onder vallen, moeten worden heroverwogen of uitgeschakeld.
  3. Voer een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (= een Data protection impact assessment ofte DPIA) uit als camera’s werknemers permanent of structureel in beeld brengen. Dat is verplicht bij grootschalige stelselmatige monitoring.
  4. Zorg dat werknemers correct en volledig geïnformeerd zijn: cao nr. 68 verplicht voorafgaande informatie over het bestaan, het doel en de modaliteiten van het systeem. Een addendum bij het arbeidscontract is onvoldoende als het doel zelf niet voldoet.
  5. Bespreek nieuwe cameravraagstukken in het CPBW. Cao nr. 68 voorziet in een raadplegingsprocedure vooraleer camerasystemen op de werkvloer worden ingezet.

Tot slot

De GBA-beslissing van oktober 2025 voegt geen nieuw recht toe; ze bevestigt regels die al meer dan twintig jaar gelden. Toch blijft de praktijk weerbarstig: camera’s worden geïnstalleerd op basis van een gevoel van controle, niet op basis van een juridisch onderbouwde risicoafweging. Wie als preventieadviseur of HR-professional betrokken is bij dergelijke beslissingen, heeft een duidelijke rol: zorg dat de vraag niet alleen “Kan dit technisch?” is, maar “Mag dit juridisch, en is het noodzakelijk?”