Artikel

Burn-out bij jongeren, rugklachten bij ouderen: cijfers met meer context

De cijfers liegen niet: langdurige arbeidsongeschiktheid in België blijft stijgen, en de oorzaken verschillen opvallend per leeftijdsgroep. Jongere werknemers vallen steeds vaker uit door burn-out en andere mentale klachten, terwijl 59-plussers vaker kampen met spier- en gewrichtsproblemen. Daarbovenop groeit het aantal langdurig zieke zelfstandigen fors. Zo stellen de Mutualités Libres / Onafhankelijke Ziekenfondsen in De Standaard en De Tijd.

Alleen een sterker welzijns- en preventiebeleid kan dit tij keren; en daarbij mogen we ons niet blindstaren op formele re-integratietrajecten.

De harde cijfers

Tussen 2012 en 2023 steeg het aantal langdurig arbeidsongeschikte Belgen met 73 procent, tot meer dan een half miljoen mensen. De kostprijs liep op van 5,5 miljard euro naar 12 miljard euro.

Uit de analyse van de Onafhankelijke Ziekenfondsen op basis van 2,3 miljoen leden (2018-2024) springen drie vaststellingen in het oog:

  • Burn-out verdubbeld bij jongeren: onder de 40 jaar bijna een verdubbeling. Burn-out is intussen goed voor 13% van alle langdurige arbeidsongeschiktheden.

  • Mentale aandoeningen breed aanwezig: depressie, stressstoornissen en angsten vormen samen 16%. Vooral vermoeidheid, dysthymie* en stress groeien snel.

  • Fysieke klachten overheersen bij ouderen: rug-, schouder- en knieproblemen maken 25% uit, vooral bij 59-plussers.

Bij langdurige afwezigheden (meer dan een jaar) zijn deze drie groepen samen goed voor bijna 70% van de gevallen.

* Dysthymie, of persisterende depressieve stoornis, is een chronische depressie met minstens twee jaar een milde maar aanhoudende sombere stemming, vaak gecombineerd met vermoeidheid, concentratieproblemen en een negatief zelfbeeld.

Medische diagnoses bij begin arbeidsongeschiktheid. Van: OZ.

De blinde vlek: gender en maatschappelijke druk

Uit het rapport blijkt ook dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn bij recente uitval. Naast medische factoren zoals menopauze spelen maatschappelijke verwachtingen: meer zorgtaken thuis, de combinatie werk-gezin, en de neiging om zichzelf voorbij te lopen.

Dat roept voor HR en preventie opnieuw de vraag op: kennen we de reële drukpunten bij onze medewerkers, en zijn we bereid om beleid daarop af te stemmen?

Zelfstandigen: de stille risicogroep

Zelfstandigen blijken ook kwetsbaar en vallen steeds vaker langdurig uit: in zes jaar tijd +49%. Ze stellen ziekteverlof vaak uit tot het echt niet meer gaat, waardoor herstel langer duurt. Bovendien ziet men dat sommige oudere werknemers “gedwongen zelfstandige” worden omdat ze geen contract meer krijgen, wat hun kwetsbaarheid vergroot.

Het beeld is herkenbaar: zelfstandigen leven voor hun onderneming, hebben geen vangnet en wachten tot de emmer overloopt.

Arbeidsongeschiktheid per beroepsstatuut. Van: OZ.

Formele trajecten versus de praktijk

De cijfers van de FOD Werkgelegenheid (2024) over re-integratie en medische overmacht tonen een ander perspectief. Het aantal formele re-integratietrajecten daalde licht (6.685 in 2023 naar 6.420 in 2024). Wel zien we dat arbeidsartsen vaker durven kiezen voor een concreet pad naar werkhervatting, en minder vaak voor “afwachten”.

Maar de grote hefboom ligt elders: 75.505 informele werkhervattingsbezoeken in 2024, een stijging van 13% tegenover 2023. Dat zijn geen officiële procedures, maar vaak dé sleutel tot een succesvolle terugkeer. Een werknemer die na burn-out via zo’n informeel bezoek deeltijds hervat, heeft vaak meer kans op duurzame terugkeer dan iemand die maanden later in een formeel traject belandt.

Medische overmacht: eindpunt of instrument?

In 2024 werd 25.687 keer een procedure medische overmacht opgestart. Meestal leidt dit tot een definitieve ongeschiktheid. Bij aanvragen door werkgevers zien we wel iets meer bereidheid om aangepast werk te onderzoeken, maar bij aanvragen door werknemers blijft de uitkomst bijna altijd definitieve ongeschiktheid.

De vraag blijft: gebruiken we dit instrument om samen oplossingen te zoeken, of vooral om de arbeidsrelatie juridisch te beëindigen?

Prikkels en verantwoordelijkheden

Een deel van het probleem zit in de prikkels. In België kost een langdurig zieke werknemer de werkgever na de eerste maand gewaarborgd loon bijna niets meer. In Nederland is dat anders: daar betaalt de werkgever twee jaar het loon door, wat de motivatie om tot re-integratie te komen fors verhoogt.

Daarnaast blijven de muren tussen arbeidsarts, adviserend arts en behandelend arts hoog. Iedereen wil vaak hetzelfde (een haalbare terugkeer), maar wettelijke drempels verhinderen samenwerking. Het ontwerp-KB Re-integratie 3.0 probeert dit te doorbreken, maar dat zal niet zonder weerstand gaan.

Beleids- en praktijkpistes

De Onafhankelijke Ziekenfondsen schuiven enkele pistes naar voren: vroeg contact met de arbeidsarts (derde maand ziekte), bonus-malusregelingen, doelgroepgericht welzijnsbeleid, en medische richtlijnen voor duur van arbeidsongeschiktheid.

Toch moeten we kritisch zijn. Een bonus-malus kan leiden tot korte-termijnoplossingen in plaats van duurzame werkhervatting. En medische richtlijnen mogen de individuele context niet verdringen.

De cijfers uit de praktijk leren ons minstens drie zaken:

  1. Blindstaren op officiële trajecten is misleidend. Het meeste werk gebeurt informeel.

  2. Werkgevers moeten gestimuleerd én ondersteund worden om aangepast werk te voorzien.

  3. Vroegtijdig contact (liefst via een informeel contact) is cruciaal voor succes.

Conclusie: cijfers met context

Burn-out, depressie, rugklachten, artrose… de labels verschillen, maar de rode draad is dezelfde: langdurig zieken blijven toenemen, ondanks jaren beleid en nieuwe functies. Formele re-integratietrajecten zijn nuttig, maar niet het wondermiddel.

De echte hefboom ligt in vroegtijdig contact, samenwerking tussen artsen en werkgevers, en realistische prikkels die re-integratie lonend maken.

De vraag voor elke organisatie is dus: wachten we tot de volgende piek in de verzuimcijfers, of durven we vandaag investeren in een beleid dat inspeelt op leeftijd, gender, werkvorm én de realiteit van informele werkhervatting?