Dagelijks wijzer over welzijn, preventie en HR

Artikel

2026-04-11 -S- Nieuwsbrief

Ik wil de 38ste editie van de nieuwsbrief “Wegwijs in welzijn” opstellen.

Artikels
1 Waarom werknemers in ploegendienst vaker hypertensie krijgen: ontsteking als schakel
Wie in ploegen werkt, heeft een significant hogere kans op het ontwikkelen van hypertensie. Dat is al langer bekend. Nieuw is dat een recente cohortstudie een stap verder gaat en laat zien hoe dat verband loopt: via chronische laaggradige ontsteking. Immuun-inflammatoire bloedmarkers, routinematig meetbaar via een standaard bloedafname, blijken deel uit te maken van het biologisch mechanisme dat ploegendienst verbindt met hoge bloeddruk.

2 Een op de vijf werknemers met tinnitus functioneert structureel minder goed
Tinnitus treft naar schatting 15% van de bevolking, maar de gevolgen voor werkprestaties bleven lang onderbelicht. Een recente studie gepubliceerd in Brain Sciences toont dat een relevant aandeel van werknemers met tinnitus minder uren werkt, eerder stopt met werken of structureel minder effectief functioneert op het werk. Een blinde vlek die aandacht verdient.

3 Discriminatie, inactiviteitsval en stigma: waarom langdurig zieken die kunnen werken de stap toch niet zetten
De regering-De Wever wil de werkzaamheidsgraad in België fors omhoog. De aanpak richt zich steeds vaker op langdurig zieken en andere inactieven. Maar wie beleid wil maken dat effectief werkt, moet eerst begrijpen waarom mensen überhaupt geen werk zoeken. Een representatieve bevraging van UGent@Work bij 1.050 Vlaamse inactieven brengt die drempels scherp in beeld. De resultaten zetten vraagtekens bij de veronderstelling dat inactiviteit primair een kwestie van motivatie of onwil is.

4 Lood op de werkvloer: de grenswaarden wijzigen op 9 april – bent u er klaar voor?
Op 9 april 2026 verstrijkt de omzettingstermijn van Europese Richtlijn 2024/869/EU, die voor het eerst in veertig jaar de grenswaarden voor beroepsmatige loodblootstelling ingrijpend aanscherpt. De luchtgrenswaarde daalt van 0,15 naar 0,03 mg/m³; een verlaging met een factor vijf. De biologische grenswaarde in bloed daalt in twee stappen: naar 30 µg/100 ml nu, en naar 15 µg/100 ml vanaf 2029. Voor organisaties in de bouw, industrie en het ambacht die met lood werken, is dit geen verre beleidsontwikkeling maar een concrete vraag: voldoen onze blootstellingskartering, onze preventiemaatregelen en ons gezondheidstoezicht aan de nieuwe normen?

5 Corporate bullshit is meetbaar: en wie er gevoelig voor is, neemt slechtere beslissingen
Medewerkers die onder de indruk zijn van zinnen als “synergistic thought leadership” of “adaptive coherence frameworks” presteren aantoonbaar slechter op werkgerelateerde beslissingstaken. Dat is de kern van een nieuwe studie, gepubliceerd in Personality and Individual Differences. De onderzoeker Shane Littrell ontwikkelde daarvoor de Corporate Bullshit Receptivity Scale (CBSR): een gevalideerde meetschaal die in kaart brengt in welke mate iemand gevoelig is voor indrukwekkend klinkende maar betekenisloze organisatietaal.

6 EINDWERK – Ioniserende straling in het ziekenhuis: wat de wet nu vraagt van jouw preventiedienst
Wie als preventieadviseur in een ziekenhuis werkt, weet dat ioniserende straling er altijd is geweest. Maar sedert het Koninklijk Besluit van 6 december 2018 is de verantwoordelijkheid voor stralingsbescherming fundamenteel verschoven: niet langer de externe deskundige draagt de eindverantwoordelijkheid voor de risicoanalyse per dienst, maar de interne dienst ter fysische controle (IDFC). Dat klinkt als een administratieve verschuiving. In de praktijk betekent het dat ziekenhuizen nu zelf, dienst per dienst, risicoanalyses moeten opstellen voor elk gebruik van ioniserende straling. En dat bleek voor veel instellingen meer werk dan verwacht. Een eindwerk van Marieke Claeys, uitgevoerd in het ALGEMEEN ZIEKENHUIS JAN PORTAELS in Vilvoorde, illustreert hoe die verplichting er concreet uitziet.

Stel vijf geschikte titels voor de nieuwsbrief voor. Dit waren de titels van de voorgaande:
Wegwijs in welzijn #16: Delen is vermenigvuldigen
Wegwijs in welzijn #17: Tussen stress, stigma en strategie – welzijn met meer perspectief
Wegwijs in welzijn #18: Tussen mantelzorg, medische overmacht en misvattingen over verzuim
Wegwijs in welzijn #19: Wanneer het stokje wisselt – en tien inzichten die richting geven
Wegwijs in welzijn #20: Van cockpit naar helikopter – en de kunst van opnieuw leren
Wegwijs in welzijn #21: December is geen verrassing, het is een patroon
Wegwijs in welzijn #22: Onrust als constante – van geopolitiek tot gezondheidstoezicht
Wegwijs in welzijn #23: Niet alles hoeft mee op vakantie
Wegwijs in welzijn #24: Waarom plannen falen… en waarden blijven
Wegwijs in welzijn #25: Waarom richting belangrijker is dan drukte
Wegwijs in welzijn #26: Een kwartier zon als vorm van preventie
Wegwijs in welzijn #27: Wanneer verbondenheid ook een besmettingsrisico wordt
Wegwijs in welzijn #28: Over maskers, rollen en jezelf blijven
Wegwijs in welzijn #29: Soms is “moeten” gewoon vermomd “mogen”
Wegwijs in welzijn #30: Van expert naar architect
Wegwijs in welzijn #31: Over papegaaien, procedures en proportionaliteit
Wegwijs in welzijn #32: Wat we ons blijven herinneren
Wegwijs in welzijn #33: Wanneer kwaadheid energie wordt
Wegwijs in welzijn #34: Menselijke intelligentie eerst
Wegwijs in welzijn #35: Wie ben ik, eigenlijk?
Wegwijs in welzijn #36: Haha, just kidding
Wegwijs in welzijn #37: De kaart was goed. De weg niet meer.

Maak een korte begeleidende tekst voor de nieuwsbrief op Linkedin.
Maak een afbeelding die bij de inhoud van deze nieuwsbrief past, in 3D-cinematografisch realisme, Arcane League of Legends-stijl, Octane-gerenderd, ultradetailleerd, 16:9, globale belichting, zachte volumetrische belichting, sterk hoofdlicht en randlicht, subsurface scattering, ray-traced reflecties, ambient occlusion, scherptediepte, dramatische maar heldere sfeer, texturen van filmkwaliteit, levendig contrast, scherpe schaduwen, hoog dynamisch bereik, ultrarealistische materialen.

Nr Likes Comments Reposts Opmerkingen
1 3 2
2 13 1
3 30 10 2
4 3
5 20 1 1
6 4
7
8
9
10

Elke week schrijf ik een nieuwsbrief met persoonlijke reflecties. Deze week wil ik het verder hebben over stoppen of doorgaan. Herwerk de aanzet van tekst hieronder in mijn schrijfstijl zoals de voorbijgaande weken (zie het opgeladen document). Gebruik waar gepast een toegankelijke toon of lichte humor.

05/04/2026
“Ben je zeker dat dit het pad is?”
Mijn vrouw stelde die vraag met de toon van iemand die het antwoord eigenlijk al weet. Ik had net mijn schoen losgetrokken uit een zompige ondergrond, terwijl ik met mijn vrije hand een rij doornige takken op afstand probeerde te houden. In mijn andere hand: de smartphone. Google Maps toonde onmiskenbaar een grijze lijn. Een pad.
“We zitten nog steeds op het pad,” verzekerde ik haar.
Dat was technisch gezien waar. Alleen: het pad bestond enkel nog op de satellietfoto’s.
We waren op een zondagse wandeling in de buurt van ons huis; “een andere route, voor de verandering”, en ergens tussen mijn zelfverzekerde “This is the way” en de eerste overhangende braamstruik was er iets misgelopen. Honderd meter verder was er geen spoor van een begaanbaar pad meer te bespeuren. Enkel bos, een beekje, en de blik van mijn echtgenote.
Doorgaan of terugkeren?
Het is een vraag die ik ook op het werk regelmatig stel. En die niet altijd makkelijk te beantwoorden is.
Want je hebt al een eind gelopen. Je hebt tijd geïnvesteerd, energie, misschien ook politiek kapitaal. Terugkeren voelt als toegeven. Dus ga je door; niet omdat het de beste keuze is, maar uit inertie. Of omdat je hoopt dat het bos straks vanzelf dunner wordt.
Economen noemen dat de sunk cost fallacy: de neiging om door te zetten vanwege wat je er al in gestoken hebt, in plaats van te kijken naar wat er nog voor je ligt. Organisaties zijn er heel goed in. Overheden ook. En wandelaars met een smartphone in de hand trouwens evenzeer.
Annie Duke schrijft er uitvoerig over in Quit: The Power of Knowing When to Walk Away. Haar kernstelling is verrassend simpel: opgeven is geen zwakte. Het is een strategie. Wie nooit stopt, is niet volhardend; die is gewoon niet in staat om te leren. De kunst zit hem in het onderscheid: wanneer verdient het pad nog vertrouwen, en wanneer is de kaart gewoon verkeerd?
Winston Churchill had het over doorzetten: “If you’re going through hell, keep going.” Maar W.C. Fields voegde er subtiel aan toe: “If at first you don’t succeed, try, try again. Then quit. No use being a damn fool about it.”
Beiden hebben gelijk. Dat is het ongemakkelijke.
In mijn rol betekent dat concreet: regelmatig stilstaan bij wat we aan het doen zijn. Zijn onze projecten nog zinvol? Sluiten onze prioriteiten nog aan bij wat de organisatie nu nodig heeft; niet wat ze zes maanden geleden nodig had? De PDCA-cyclus (plan, do, check, act) is een klassieker, en terecht. Niet als bureaucratisch ritueel, maar als reflexpraktijk. Even uit het bos treden. De kaart controleren. En dan eerlijk zijn over wat je ziet.
Wat betreft onze wandeling: ik nam de managementsbeslissing om door te gaan. “We kunnen langs het bos, over de velden,” stelde ik mijn vrouw gerust. “Easy peasy.”
Op Google Maps kun je geen terreinscheuren zien. Hoogteverschillen evenmin. Omheiningen ook niet.
Maar we zijn er geraakt. Met mooie uitzichten, een goeie lach en een paar herinneringen rijker. De schrammen op mijn hand waren relatief oppervlakkig. Mijn laatste tetanusspuit dateerde van minder dan tien jaar geleden. En mijn echtgenote heeft de drie teken tijdig genoeg gevonden en verwijderd, dus geen risico op Lyme of zo.
Een heel succesvolle wandeling, kortom.
Om de zuiverheid van die herinnering te bewaren, hebben we wel besloten dat we deze route voorlopig niet herhalen. Er zijn nog zoveel andere paden te ontdekken.
Wat ons brengt bij de vraag die ik deze week meeneem: wanneer beslis jij dat het pad genoeg bewandeld is, en hoe maak je dat onderscheid tussen opgeven en loslaten?

29/03/2026
Op 1 april 2025 was ik niet langer werkzaam bij Attentia.
Dat stond althans in mijn afwezigheidsagent. Elke collega die me die dag een mail stuurde, kreeg een bericht dat ik per direct de organisatie had verlaten, en dat men voor verdere vragen kon terecht bij HR. En wie vervolgens belde, kreeg een gelijkaardige sms doorgestuurd.
Mijn team reageerde laconiek. “We trekken onze plan wel zonder Edelhart, toch?” De aanpassingen aan het organogram kwamen er snel achteraan. Ze zijn mijn grapjes al gewend. Ze twijfelden er geen seconde aan dat het een aprilvis was, en gingen er ironisch in mee.
Anderen trapten er volledig in.
Het werd zelfs een punt op de agenda van de volgende ondernemingsraad. Een werknemersvertegenwoordiger vond het “niet passend voor een functie als medisch directeur.” Ik kan daar eigenlijk alleen maar mee instemmen. Dus gelukkig maar dat ik die functie niet meer vervul.

Humor loopt als een rode draad door alles wat ik schrijf en doe. Dat zie ik zelf. De mensen om me heen ook. En de AI-analyses van mijn twitterarchief en gezinsdagboeken zijn er bijzonder expliciet over: humor is aanwezig “van de eerste tot de laatste pagina”.
Ik beschouw het als een kernwaarde. Don’t be serious, be sincere, zei Chetan Bhagat. Of Elbert Hubbard, iets cynischer van toon: Do not take life too seriously – you will never get out of it alive. Dat soort wijsheid vind ik niet alleen troostrijk, het klopt ook gewoon.
Maar humor is voor mij meer dan levensvisie. Het is ook strategie. Soms ben ik me ervan bewust, soms niet.
Claude (de AI, niet de persoon) omschreef het zo in een analyse van mijn dagboek: “Humor is jouw emotionele regulatiestrategie. Wanneer iets te groot is voor woorden — rouw, angst, kwetsbaarheid — verschijnt de grap. Dit beschermt jou. Het beschermt ook de mensen om je heen: je maakt zware situaties draaglijker voor iedereen. Maar het kan ook betekenen dat je de diepte van je eigen gevoelens niet altijd volledig toelaat.”
Jeezes, Claude. Lighten up.
ChatGPT was vriendelijker: “Je humor duikt overal op, zelfs in situaties die eigenlijk vermoeiend of stressvol zijn. Psychologisch betekent dit: humor als cognitieve regulatie van emoties. Je neutraliseert stress of ongemak door er intellectueel en komisch afstand van te nemen. Dat is opvallend verwant aan stoïcisme en ook een beetje aan Montaigne.”
Ik ben dus een moderne Marcus Aurelius? Ok, daar kan ik me wel in vinden.

Er zit ook iets bewust in, al geef ik dat niet altijd graag toe.
Hoe meer spanning ik voel, hoe meer grapjes ik maak. Een ongemakkelijke waarheid breng ik soms verpakt in een kwinkslag; vriendelijk, maar toch gezegd. Haha, just kidding. Of toch niet helemaal. Het privilege van de nar, heet dat. De jester’s privilege. De enige aan het hof die de koning de waarheid mocht zeggen, zij het in de vorm van een mop.
Of ik dat te vaak doe? Misschien. Ik weet niet hoe het overkwam toen ik op de nieuwjaarsreceptie, voor een publiek van vierhonderd mensen, de vraag kreeg wat onze AI-strategie voor dit jaar was, en ik antwoordde: “We gaan iedereen vervangen door AI-agents.” Grapje uiteraard. Dat staat pas gepland voor 2028.
Maar ik merk ook dat de verwachting groeit dat ik me serieuzer gedraag. Noblesse oblige. De rol vraagt een zeker gewicht. En flauwe mopjes passen daar blijkbaar minder bij.
Ik weet niet of ik dat keurslijf zomaar ga aantrekken.
Want als je niet om jezelf kunt lachen, of jezelf niet in vraag kunt stellen, duidt dat op iets. Niet op professionaliteit. Op onzekerheid. De mensen die ik het meest bewonder, kunnen zichzelf relativeren. Ze hoeven zichzelf niet te beschermen achter ernst.
En de april-grap? Die was ook een test. Geen kwaadaardige, maar toch. Wie er met een glimlach op reageerde, weet iets over hoe je met onzekerheid omgaat. Wie er een punt van maakte op de ondernemingsraad, ook.
De nar heeft altijd meer gezegd dan men dacht.

22/03/2026
Laat me beginnen met een vraag van een lezer.
Na mijn nieuwsbrief over maskers, rollen en jezelf blijven (over hoe mensen veranderen, ook los van context) stuurde iemand me een reactie. Hij was het grotendeels eens. Maar hij voegde iets toe: de kern van een persoon, die blijft toch gelijk? Je kunt veranderen, groeien, andere rollen opnemen. Maar er is iets dat door dat alles heen loopt. Een draad.
Ik vond dat een mooie gedachte. En ze maakte me nieuwsgierig.
Want hoe zou je dat ooit kunnen nagaan?
Je kent Black Mirror misschien. Meer bepaald de aflevering Be Right Back uit 2013. Een vrouw verliest haar partner bij een ongeval. Een AI-dienst gebruikt zijn online communicatie (berichten, sociale media, zijn digitale voetafdruk) om hem te reconstrueren. Eerst als chatbot. Later als iets wat je kunt aanraken.
Het is een beklemmende aflevering. Niet omdat de technologie eng is, maar omdat de reconstructie zo plausibel voelt. En tegelijk zo hol.
Van 2009 tot 2022 had ik een Twitterprofiel. Met op mijn “hoogtepunt” meer dan twintigduizend volgers. Ik plaatste er meer dan tienduizend tweets. Eind 2022 heb ik het account gewist; het platform was te duister geworden, niet meer de leuke speeltuin van weleer. Maar ik heb wel nog een archief van de periode 2009 tot 2017.
Dus dacht ik: stel dat ik Be Right Back op mezelf toepas. Niet als experiment in rouw, maar in zelfkennis. Wat ziet een AI als die duizenden tweets over een periode van negen jaar analyseert? Wat zegt dat over wie ik was? En klopt het nog met wie ik nu ben?
Het resultaat was… interessant.
De AI identificeerde een “epistemische waakzaamheid als basishouding”. Een diepe allergie voor onbewezen claims. De hashtag #kwakzalverij als rode draad door de jaren. “Correlatie bewijst geen causatie” als reflexmatige correctie, keer op keer.
Herken je dat? Ik wel. Die grondhouding zit er vandaag nog steeds in; alleen richt ze zich nu minder op homeopaten en meer op managementmystiek en pseudopsychologie in welzijnsland. Hetzelfde gereedschap, ander werkterrein.
Dan was er de ironie. Consistent, bijna altijd informatief, zelden nihilistisch. De AI omschreef het als een “compressietechniek”: meer zeggen in minder woorden, met een lichte distantie als beschermlaag. Flauwe mopjes als cognitieve ventielen.
Goeie lezer, die AI.
En dan was er iets wat me minder verwachtte: de verantwoordelijkheidsdruk. De hashtag #itneverends, dertig keer blijkbaar. Werkend op verlof. Mails in de sauna. In 2010 nog luchtig; in 2015 wat vermoeider van toon (oei). Het volume tweets zakt na 2014 met driekwart; niet omdat de intellectuele interesse afneemt, maar omdat de energie elders naartoe stroomt.
Dat patroon, noteerde de AI, “is nu structureel gediagnosticeerd als het centrale spanningspunt tussen rol en energie.” Vijftien jaar later.
Dus, is de kern hetzelfde gebleven?
Ik denk van wel. De epistemische grondhouding. De ironie als tweede taal. De drang om bij te leren, werelden open te klappen, patronen te zien in complexiteit. Dat zit er nog allemaal in, onveranderd.
Wat verschoven is, is de vorm. De sociale lichtheid van de vroege tweets; de vlotte banter, de small talk in honderdveertig tekens, de peer-to-peer-conversaties… die is quasi verdwenen uit mijn publieke profiel. De AI omschrijft mijn huidige stijl als “executive-to-professional”. De vroege Twitter-Edelhart communiceerde ook “peer-to-peer en zelfs downward”.
En dan, aan het einde van het rapport, één zin die bleef hangen: “Of dat bewustheid tot gedragsverandering heeft geleid, is wat het twitterarchief niet kan beantwoorden.”
Dat klopt. Archieven registreren patronen. Ze interpreteren ze niet. Dat doe jijzelf. De kern mag dan hetzelfde blijven; het blijft jouw werk om te beslissen wat je daarmee doet.
Dus: als jij je eigen archief kon raadplegen, wat zou je erin terugvinden dat je verrast? En wat absoluut niet?

15/03/2026
Regelmatig krijg ik complimenten over mijn artikels. Meer dan over mijn eigenlijke werk, eigenlijk (grapje!). Erbij hoort bijna altijd de vraag: “Waar vind je er in godsnaam de tijd voor?”
Mijn standaardantwoord? “Cocaïne.” Mijn vrouw heeft me ondertussen gevraagd daarmee te stoppen, want op den duur gelooft iemand het nog. Vanaf nu zeg ik dus dat ik Speed neem. Probleem opgelost.
De andere populaire theorie is AI. “Het moet wel ChatGPT zijn.” En ik geef toe: soms zeg ik dat zelf ook, half als grap. Maar laat me eens eerlijk zijn over hoe dat er in de praktijk uitziet.
Schrijven is voor mij geen bijproduct van mijn werk. Het ís mijn werk niet. Het is mijn hobby. In mijn privétijd, in het weekend, urenlang. Het voordeel van geen tv kijken en geen sociaal leven hebben; ik noem het een levensstijlkeuze, mijn omgeving noemt het anders. Kennis delen is altijd een kernwaarde geweest: het helpt me denken, ordenen, uitleggen. Dat heb ik al geschreven voor ik wist wat een LinkedIn-algoritme was.
Dus nee, AI schrijft mijn teksten niet. Maar wat doet het dan wel?
Het begint de laatste jaren regelmatig met een dictaat. Ik praat mijn ideeën in, onderweg, tussendoor, soms midden in het niets. Niet voor een vlotte parafrase (waar Audiopen wel heel goed voor is) ik wil een ruwe, trouwe weergave van wat er in mijn hoofd zit. Hiervoor gebruik ik Voicenotes of Plaud. Die transcripten kneed ik vervolgens zelf verder. Daarna vraag ik ChatGPT om passages wat vlotter te maken, en om tussentitels te formuleren. Dat laatste klinkt triviaal, maar tussentitels kosten me altijd energie: hoe moet ik dat nu weer formuleren? Nu dus niet meer. Met Napkin maak ik grafieken aan. Ook afbeeldingen in een consistente stijl en een begeleidende LinkedIn-tekst: AI levert de basis, ik pas aan. Echte tijdswinst? Eerlijk gezegd: nauwelijks. Maar de structuur is beter, en de workflow klopt.
Artikelcontent
Een voorbeeld van een grafiek die ik met Napkin creëer.
Op het werk is dat anders. Dáár win ik wél tijd. Een mailwisseling van vijftien berichten samenvatten. Een ingewikkelde instructieve mail omzetten naar leesbare taal. Dat soort werk. Voor vergaderingen gebruik ik Plaud: opnames die automatisch verwerkt worden tot verslagen, zodat de actiepunten er gewoon uit rollen. Enfin, soms toch; ik kan er ook niet hélemaal op vertrouwen. De laatste tijd dicteer ik aan mezelf na een vergadering de besproken punten en te nemen acties; dat werkt wel steevast.
Ik heb ook geëxperimenteerd met NotebookLM van Google, dat geeft nog eens een wow-effect. Ik heb er al interne podcasts mee gemaakt. Onlangs scande ik de schoolnota’s van mijn dochter in; het resultaat was een indrukwekkende Powerpoint. Ja, dat heeft even geduurd om te verwerken. En sinds kort gebruik ik ook Claude voor analyses rechtstreeks in Excel- en Word-bestanden. Maar ik heb de mogelijkheden nog bij lange niet volledig benut. Het gaat ook zo snel. Ik vermoed dat over twee jaar alles opnieuw achterhaald is.
Artikelcontent
De schoolnota’s van mijn dochter in een mum van tijd herwerkt tot een bewerkbare Powerpoint. Wow!
Wat me bezighoudt, is niet de tool. Het is de reflex. Bij ons bij Attentia beschouwen we AI als een strategische hefboom om onze experten te ondersteunen, niet te vervangen. Het massieve potentieel is er. We moeten het nog ontsluiten. Maar dat begint niet met de tool kiezen; het begint met weten wat je ermee wilt bereiken.
En voor het schrijven blijft mijn antwoord hetzelfde: menselijke intelligentie eerst. De eerste versie komt altijd van mij. AI helpt polijsten, structureren, versnellen. Maar het idee, de anekdote, de keuze om iets te delen: dat ligt nog altijd hier, achter het toetsenbord. Hopelijk nog even.

08/03/2026
De voorbije weken kwam het onderwerp kwaadheid een paar keer ter sprake. Tijdens een meeting zei iemand bijvoorbeeld dat we zeker niet “kwaad moesten reageren”. Ik denk niet dat dat specifiek op mij gericht was; enfin, ik hoop toch van niet. Ik had wel vrij gepassioneerd mijn mening verkondigd. Maar ik was niet de enige.
Toch bleef die opmerking even hangen.
Want als ik eerlijk ben, heeft kwaadheid in mijn leven wel een rol gespeeld. Niet zichtbaar naar buiten toe – ik sta eerder bekend als een rustig en minzaam persoon 😊 – maar intern kon ik mij vroeger behoorlijk opwinden. Vooral over dingen die ik als onrechtvaardig ervaarde, of over situaties die naar mijn gevoel efficiënter, logischer of gewoon beter hadden gekund.
Een eerste keer dat ik mij daar echt bewust van werd, was tijdens een managementopleiding, ondertussen al ruimschoots tien jaar geleden. We moesten toen een eenvoudig figuurtje tekenen dat onszelf voorstelde, en daarop met verschillende kleuren aanduiden waar we bepaalde emoties in ons lichaam voelden. Rood voor boosheid, groen voor angst, etc.
Pas toen we de tekeningen naast elkaar legden, viel me iets op: mijn rood was… aanzienlijk groter dan dat van de anderen. Ik had kwaadheid letterlijk als een grote, pulserende cirkel in mijn borstkas getekend. Een emotie die soms behoorlijk aanwezig kon zijn en op mijn interne knoppen duwde; een beetje zoals het figuurtje uit de film Inside Out.
Of die scène uit The Avengers. Captain America zegt aan Bruce Banner dat het tijd is om kwaad te worden. Banner antwoordt: “That’s my secret, Cap. I’m always angry.” Ouch. Dat voelde héél herkenbaar.
Kwaadheid voelt vaak krachtig, bijna energiek. Maar tijdens een podcast in de meditatie-app Waking Up van Sam Harris werd gezegd dat kwaadheid eigenlijk een vorm van stress is. Dat was voor mij een kleine eye-opener.
Nu, emoties op zich zijn niet positief of negatief. Emoties zijn signalen. Ze komen op, doen hun werk en verdwijnen weer. Kwaadheid kan zelfs nuttig zijn. Het is een activerende emotie. Ze kan je in beweging zetten. Ze kan je ertoe aanzetten om iets te veranderen dat niet klopt.
Het probleem ontstaat pas wanneer je jezelf begint te vereenzelvigen met die emotie. Wanneer kwaadheid niet langer iets is wat je voelt, maar iets wat je bent. Dan blijft ze hangen.
Ik heb geleerd (onder meer via meditatie) om mijn emoties bewuster te ervaren en ze ook weer los te laten. Vaak zegt de emotie uiteindelijk meer over mijn eigen verwachtingen dan over het gedrag van anderen.
Kwaadheid komt bij mij absoluut nog altijd op (Hulk angry!), maar ze verdwijnt ook sneller weer. Ze is geen oncontroleerbare kracht meer, maar eerder een signaal. Kan ik iets aan de situatie doen? Dan zet de emotie me aan tot zinvolle actie. Ligt het buiten mijn controle? Dan heeft het weinig zin om er energie in te blijven steken.
Dat is hoe we met emoties kunnen omgaan: niet door ze te onderdrukken, maar door ze te begrijpen en een plaats te geven.
Kwaadheid hoeft niet weg. Ze moet alleen niet het stuur vasthouden.

01/03/2026
De voorbije dagen kreeg ik meerdere privéberichten met dezelfde vraag: of ik het arrest van het Arbeidshof Antwerpen waarover ik geschreven had, kon delen.
Normaal zet ik de link naar de bron meteen in mijn LinkedIn-artikel. Deze keer niet. Ik had het arrest online zien verschijnen, het gedownload en opgeslagen. Zoals wel vaker maak ik mijn artikels in batch tijdens het weekend. Dus: pdf bewaard, draft geschreven, bestand gewist.
Het weekend nadien wilde ik het artikel afwerken. De online link vond ik niet meer terug. “Ach, wat maakt het uit,” dacht ik. Tot ik meer dan tien berichten kreeg om het arrest te delen.
No problem, dacht ik eerst. Ik google het wel even. Niets te vinden. En toen begon ik te twijfelen. Was er wel een recent arrest? Had ik misschien per ongeluk een oudere, ongebruikte draft herwerkt? Had mijn geheugen me een loer gedraaid?
Gelukkig bleek het arrest nog in de prullenbak van mijn pc te zitten. Geen hallucinatie. Maar het zette me wel aan het denken. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk?
Ik las onlangs The Book of Memory van Mark Rowlands. Geen wereldschokkend boek, maar één idee bleef hangen: geheugen is geen archiefkast. Het is reconstructie. Telkens wanneer we een herinnering oproepen, veranderen we ze een beetje. Wat we “onthouden” is geen vaststaand feit, maar een verhaal waar we telkens opnieuw mee onderhandelen.
Gedurende meer dan veertien jaar hield ik dagelijks een fotodagboek bij. Elke dag foto’s van ons gezin, met een korte terugblik. Een extern geheugen. Een tastbaar spoor van het alledaagse leven, bedoeld voor mijn dochters.
In september vorig jaar ben ik ermee gestopt. Geen grote beslissing. Het werd gewoon al een tijdje zwaarder. Ik had gaandeweg een achterstand van 25 weken opgebouwd. Vorige zondag heb ik de knoop finaal doorgehakt: ik laat het los.
De boeken staan nog achter mij op mijn bureau. Ik dacht er even door te bladeren. Ik doe het voorlopig niet.
Omdat ze niet alleen vrolijke herinneringen bevatten, maar ook wat intussen veranderd is. Sommige foto’s zijn niet enkel nostalgie, maar ook verlies. Het is nog wat te vers. Er komt wel een tijd dat dat anders voelt.
In ieder geval: het verleden kun je niet veranderen. Wat gebeurd is, blijft gebeurd. Maar hoe het vandaag in je doorwerkt, daar heb je wél invloed op. De eerste reactie kies je zelden. Herinneringen dienen zich aan, soms warm, soms scherp. Maar het verhaal dat je er nadien van maakt, dat ligt niet volledig vast.
We worden niet alleen gevormd door wat we meemaken, maar door wat we blijven herhalen in ons hoofd. Geheugen is geen archief, het is reconstructie. Dat het kneedbaar is, lijkt een zwakte. Maar het is ook een kracht: niet elke herinnering moet dezelfde betekenis blijven dragen.
Dus: welk verhaal over je verleden versterk je op dit moment? En welk mag stilaan wat minder richting geven?

22/02/2026
Ik heb deze week geleerd dat ik geen goede leerling ben. Of toch niet volgens de regels.
Mijn dochter moest voor school een presentatie maken over een recente ontdekking of uitvinding. Ze koos voor “robots met AI”. Dus ik dacht: ideaal, ik heb daar recent nog workshops over gegeven, met ook wat video’s die de innovaties ook toonden (zoals de warenhuisrobots in een Alibaba verdeelcentrum of een Japanse reddingsrobot die mensen via een rolband oplaadt en wegvoert). En zo stelde ik haar als afsluiter een leuk filmpje voor van AI-robots die de mist ingaan. Dus dan kon ze een paar van die slides hergebruiken, wat van die filmpjes erin, klaar.
Tot ik botste op de harde realiteit van het middelbaar.
Geen video’s. Elke dia moest een minimum aantal bullet points bevatten, en voldoende tekst. “Maar het is veel interessanter zo,” probeerde ik nog. “Ja papa, maar dat zijn de regels.”
Ik heb haar toch kunnen overtuigen om een klein beetje out of the box te werken. Resultaat: ze moest opnieuw beginnen. Out of the box denken was niet voorzien in het evaluatiekader.
Een half vergeten (of zal ik zeggen, verdrongen) herinnering uit mijn jeugd stak de kop op: mijn leerkracht Latijn die ons twintig keer “Nominatief, Vocatief…” liet overschrijven. Ik stelde voor om die bovenaan één keer voluit te schrijven en eronder aanhalingstekens te gebruiken. Efficiënt, dacht ik. “We zijn geen luieriken,” was het verdict. “Maar we zijn wel papegaaien,” dacht ik (maar hield wijselijk mijn mond).
Nu, regels zijn belangrijk. Dat vind ik echt.
Zo ben ik zelf een groot voorstander van checklists, getuige het overzichtsblad dat ik al sinds 2001 gebruik (ondertussen heb ik de twee bladen tot één A4 herwerkt). The Checklist Manifesto van Atul Gawande heeft mij als arts sterk beïnvloed. En Atomic Habits van James Clear dat voortbouwt op principes uit het stoïcisme waar ik een aanhanger van ben, draait net rond het belang van duidelijke, consistente gedragsregels. Systemen beschermen ons tegen slordigheid, tegen willekeur, tegen ons eigen overschat optimisme.
Maar regels zijn een middel. Het doel is betere zorg. Betere gewoontes. Betere leerresultaten.
Zodra regels belangrijker worden dan het doel dat ze dienen, lopen we vast.
In welzijn op het werk leven we in een sterk gereglementeerd kader. Terecht. Het gaat over veiligheid en gezondheid. De grote hervormingen van de jaren ’90, waarbij het oude ARAB werd omgevormd tot de Codex Welzijn op het Werk, waren in mijn ogen een enorme stap vooruit. Minder detailfetisjisme, meer principes. Minder “doe exact dit”, meer “zorg dat dit doel bereikt wordt”.
Maar de voorbije jaren zie ik iets verschuiven. Niet zozeer in de wetteksten zelf, wel in de toepassing. Een mentaliteit van “check the box”. Niet: “zorg je effectief voor de veiligheid en gezondheid van je mensen?”, maar: “waar is het document A38? En staat het in het juiste lettertype?”
Hyperbolisch? Helaas niet.
Een klooster met uitsluitend 60+-jarige nonnen kreeg een opmerking omdat er geen procedure moederschapsbescherming kon worden voorgelegd. Ik heb het even nagekeken: de laatste gerapporteerde casus van maagdelijke voortplanting dateert van ongeveer 2000 jaar geleden. De kans op een nieuw incident is dus in mijn ogen statistisch relatief beperkt.
Of een KMO waar een medewerker een vingertop verloor in een machine. De dag nadien was die alweer aan het werk. Maar het ongeval was niet als “ernstig” gemeld. Gevolg: onderzoek, vragen, verhoren. Ik werd zelf als wettelijke vertegenwoordiger van de externe dienst uitgenodigd om uitleg te geven. Wel, in feite werd ik via aangetekend schrijven opgeroepen en als verdachte verhoord. Niet omdat iemand bewust risico’s had genegeerd, maar omdat er mogelijk een procedure niet helemaal conform was gevolgd.
Begrijp me niet verkeerd: inspectie en handhaving zijn noodzakelijk in een rechtsstaat. En de inspecteurs met wie ik sprak waren professioneel en redelijk. Ook zij werken binnen een kader van instructies, richtlijnen en beoordelingscriteria. Net zoals een leerling punten krijgt op basis van vooraf vastgelegde criteria, worden ook zij geëvalueerd op de manier waarop ze regels toepassen.
Maar als de focus verschuift van “is het risico beheerst?” naar “klopt het papier?”, dan dreigt het doel ondergeschikt te worden aan de vorm. En dan verliezen we allemaal tijd en energie.
Hetzelfde debat zie je bij het gezondheidstoezicht. We kampen al decennia met een tekort aan arbeidsartsen. Vijfentwintig jaar geleden werkte ik al mee aan een visietekst over de hervorming van het gezondheidstoezicht. Ook toen was het structurele tekort aan arbeidsartsen een gekend probleem. Het debat is dus niet nieuw.
In 2019 kwamen dan ook de “aanvullende medische handelingen”: tussentijdse checks door verpleegkundigen om te bepalen of een werknemer sneller bij de arbeidsarts moet passeren. Geen afbraak van kwaliteit, wel een rationelere inzet van schaarse expertise. Of dat was toch de intentie.
En eind vorig jaar mocht ik een werkgroep van medisch directeurs voorzitten waarin we samen een conceptnota uitwerkten voor een toekomstgerichte hervorming. Gevalideerd door de algemeens directeurs en aangescherpt in constructief overleg met overheid, inspectie en sociale partners. Het doel: de regels opnieuw aligneren met wat we eigenlijk willen bereiken. Beschikbare expertise inzetten waar ze het meeste verschil maakt. Vertrouwen combineren met controle. Dus ik hoop dat dit alles in de komende weken effectief finaal “landt”.
Dat vraagt iets moeilijks: durven kijken naar het doel achter de regel.
Regels geven houvast. Ze beschermen tegen willekeur. Maar ze mogen nooit het denken vervangen. Zodra naleving belangrijker wordt dan impact, verliezen we energie op de verkeerde plek.
Dat is wat ik mijn dochter wou uitleggen. Dat regels wel nodig zijn om een systeem eerlijk en voorspelbaar te houden. Maar dat je daarnaast altijd mag (en moet!) blijven nadenken over het waarom. En dat echte innovatie zelden ontstaat door braaf binnen de lijntjes te kleuren.
Tot slot: hieronder een leuk filmpje van AI-robots die de mist ingaan.

15/02/2026
Er komt in een carrière een moment waarop je niet langer wordt betaald om de beste expert in de kamer te zijn, maar om ervoor te zorgen dat de kamer goed functioneert.
Dat klinkt abstract, maar het is een fundamentele verschuiving.
Jarenlang was mijn reflex eenvoudig: Iemand legt een probleem op tafel, en ik begin te analyseren. Structuur zoeken in complexiteit. Fouten detecteren. Alternatieven formuleren. Oplossingen verfijnen. Dat was mijn natuurlijke habitat. Inhoudelijk sterk zijn is comfortabel. Je krijgt er erkenning voor, en het resultaat is zichtbaar: een beter advies, een scherpere analyse, een doordachter besluit.
Maar in mijn huidige rol merk ik steeds vaker dat precies dat niet meer de kern van mijn opdracht is. Als ik nog altijd degene ben die de inhoudelijke finesse moet aanbrengen, dan stel ik mezelf de verkeerde vraag. Niet: “Hoe lossen we dit op?”, maar: “Waarom hangt dit opnieuw bij mij?”
De sprong die hierachter zit, is minder hiërarchisch dan mentaal. Ze gaat niet over titel of mandaat, maar over perspectief. Waar ik vroeger vooral keek naar het optimaliseren van een dossier, moet ik nu kijken naar het hertekenen van de structuur waarbinnen dat dossier ontstaat. Waar ik vroeger zelf de nuance aanbracht, moet ik nu eigenaarschap afdwingen. Waar ik vroeger vooral inhoud toevoegde, moet ik nu kaders scherpstellen.
Dat is minder tastbaar werk. Niemand complimenteert je omdat een organigram logischer is geworden of omdat verantwoordelijkheden expliciet zijn vastgelegd. En toch merk ik dat precies daar de echte hefboom zit. Een probleem één keer goed oplossen is bevredigend. Een systeem zo inrichten dat het probleem niet meer terugkomt, is duurzamer.
Het confronterende is dat succes er in deze rol anders uitziet. Het wordt minder zichtbaar in individuele prestaties en meer in collectieve maturiteit. Een vergadering is geslaagd wanneer de juiste mensen zelf beslissingen nemen, wanneer discussies korter worden omdat het mandaat helder is, en wanneer ik minder moet spreken om toch richting te geven.
Dat vraagt ook iets van identiteit. Ik heb altijd veel energie gehaald uit intellectuele uitdaging en inhoudelijke diepgang. Het gevoel dat je de materie doorgrondt en er betekenis aan geeft, blijft aantrekkelijk. Maar leiderschap op dit niveau betekent dat je niet langer moet bewijzen dat je de slimste bent. Het betekent dat je de voorwaarden creëert waarin anderen hun expertise maximaal kunnen inzetten. Dat is minder spectaculair dan zelf excelleren, maar uiteindelijk impactvoller.
Ik merk dat dit ook mijn communicatiestijl verandert. Mijn reflex is nog vaak om te verklaren, te nuanceren en te reconstrueren wat er precies misliep. Maar op directieniveau is het belangrijker om te kaderen, samen te vatten en te beslissen. Minder uitleg, meer richting. Niet elke discussie vraagt om volledige analyse; soms vraagt ze om duidelijkheid en opvolging.
Dat voelt voor mij als een verschuiving waar ik nog elke dag in moet groeien. De focus gaat minder naar mijn eigen inhoudelijke bijdrage en meer naar de structuur waarbinnen anderen hun werk doen. Minder naar “wat denk ík hierover?”, meer naar “is hier helder wie beslist, wie uitvoert en wie aanspreekbaar is?”. Dat vraagt een andere reflex die ik nu bewust train.
Dit is op dit moment dus mijn belangrijkste leerpunt. Niet automatisch in de inhoud duiken wanneer het complex wordt, maar eerst kijken of het kader klopt. Niet zelf het antwoord formuleren, maar zorgen dat de juiste mensen met mandaat het antwoord kunnen geven. Als dat lukt, verschuift de impact van persoonlijk naar systemisch. Minder zichtbaar misschien, maar fundamenteler.

08/02/2026
Ik had het in mijn hoofd al geklasseerd als een “noodzakelijk kwaad”. Alleen vergat ik daarbij één detail: ik hou er eigenlijk van om nieuwe dingen te leren.
Deze week volgde ik een driedaagse opleiding: de EASA Aircrew Licensing Training Course 1178/2011 and Amending Regulations. Drie volle dagen, in een periode waarin mijn to-dolijst weg heeft van een hydra: elke taak die je afwerkt, lijkt er minstens twee nieuwe voor in de plaats te zetten.
En bovendien had mijn voorganger laten vallen dat deze opleiding “niet evident” was. Een Ierse lesgever, zeer technische terminologie met tientallen afkortingen. Break-outsessies met presentaties om je inhoudelijke kennis te testen over het begeleidend “easy access rules”-document van de EASA – European Union Aviation Safety Agency van… 1869 pagina’s. En dan ook nog een examen op het einde.
Maar hij was er wel door geraakt; wat de lat voor mij op een vrij efficiënte manier hoger legde. Met mijn reputatie voelde falen niet als een leerervaring, maar als een kleine imagocrisis in wording. Interessant hoe snel je dan merkt dat je innerlijke puber nog steeds gevoelig is voor wat de buitenwereld zou kunnen denken.
Maar goed, keuze was er niet echt. Als nieuwe Accountable Manager van Attentia Aviation Medical, het erkend aeromedisch centrum in Zaventem voor piloten en cabin crew, hoort dit er gewoon bij. Dus: laptop open, Zoom aan, en duiken.
De lesgever, Brian, gaf les vanuit Dublin. Op de achtergrond hoorde je de wind rond zijn kantoor gieren, alsof de Ierse meteorologie persoonlijk betrokken partij was in de cursus. We waren met vijftien deelnemers uit bijna evenveel landen: Azerbeidzjan, Portugal, Zweden, Oostenrijk, San Marino, Servië, Turkije, Moldavië… Een soort Eurovisie, maar dan met meer afkortingen en minder glitter.
En afkortingen, die waren er. AMC, AltMoC, ARA, ORA, FCL, LAPL… De eerste uren voelde het alsof ik in een taalbad was beland zonder zwembandjes. Niet omdat de uitleg onduidelijk was, integendeel, maar omdat nieuw vakjargon en een vlot gesproken Iers accent (dat ik overigens heel charmant vond klinken) tegelijk binnenkwamen.
Maar gaandeweg begon ik patronen te zien. Structuur. Logica. Het wettelijk kader, de rol van autoriteiten, opleidingscentra, aeromedische centra, de criteria voor verschillende types piloten, cabinepersoneel, luchtvaartuigen… Achter die ogenschijnlijke berg regels zat een verrassend doordacht systeem. Complex, ja. Maar niet willekeurig.
In de break-outsessies kwam ik terecht in de rol van “designated speaker”: samenvatten, structureren, terugkoppelen. Dat had trouwens niets met inhoudelijke voorsprong of zo te maken. Veel deelnemers waren inhoudelijk bijzonder sterk; vaak véél sterker dan ik, als actieve piloten of medewerkers van DTO’s, met jaren praktijkervaring, maar minder comfortabel om dat in het Engels of namens de groep te brengen. Er is bovendien nog altijd een verschil tussen ergens expert in zijn en die kennis op tien minuten tijd in een coherente PowerPoint gieten. En ik had tijdens de sessies al wat (flauwe) mopjes gemaakt, dus ze hadden wellicht zoiets van: oké, jij praat graag; dan mag jij het uitleggen.
En het examen? Dat viel uiteindelijk behoorlijk mee. Ik had me dus voor niets zenuwachtig gemaakt. Ik verdenk mijn voorganger er nu wel van dat hij me wat wou laten zweten; wel, dat is hem prima gelukt!
Nu, wat me tijdens het volgen van de cursus het meest verbaasde, was dat ik zowel de opleiding als het onderwerp zélf zo interessant vond, terwijl ik vooraf dacht: dit ligt ver van mijn normale interessegebied.
Achteraf bekeken is dat eigenlijk niet verrassend. “Intellectuele uitdaging” is een van mijn kernwaarden. Ik lééf ervan om bij te leren, om nieuwe domeinen te verkennen en werelden te ontdekken waar ik eerst nauwelijks iets van wist. In drie dagen is de luchtvaart voor mij geen abstracte sector meer, maar een ecosysteem met een eigen logica, geschiedenis en complexiteit. Een nieuwe laag van de wereld die is opengeklapt.
Het is trouwens dezelfde drijfveer die meespeelde toen ik de rol van Directeur Wellbeing Business opnam. Nieuwe context. Nieuwe vraagstukken. Nieuwe kennis. Blijkbaar functioneer ik het best net buiten mijn comfortzone, met één voet in het onbekende en de andere nog net op vaste grond.
Dat zie ik ook buiten het werk. Intussen ben ik bijna 250 dagen Spaans aan het leren via Duolingo. Ik kan ondertussen Spaanse series en films volgen in de originele taal, met Spaanse ondertitels. Groot voordeel: ik kan zonder schuldgevoel Netflix bingen, want “ik ben aan het leren”. Voor wie inspiratie zoekt: El Cuco de Cristal, Ciudad de Sombras en Bandidos zijn echte aanraders.
Dus wat ik vooral meeneem uit deze week, is dankbaarheid. Dankbaar dat ik deze opleiding “moest” volgen. Dat mijn wereld weer wat groter is geworden. Dat leren in interactie, met een lesgever en een groep deelnemers, een heel andere dynamiek heeft dan alleen met een boek of audioboek. Er zit energie in, uitwisseling, onverwachte vragen.
Dus ik ben nu al aan het denken hoe ik dat gevoel kan onderhouden. Misschien toch eens kijken naar een avondcursus via een CVO, gewoon om opnieuw in een klas te zitten. Niet omdat het moet. Maar omdat het me opnieuw heeft doen realiseren dat leren voor mij geen taak is. Het is zuurstof.

01/02/2026
Onlangs zat ik vanuit mijn nieuwe rol voor het eerst in een vergadering met serieuze inzet, rond de tafel met mensen die op papier al gewicht in de schaal leggen nog vóór ze hun mond opendoen.
Maar het was een fijne meeting. Mensen bleken vriendelijk, aanspreekbaar, constructief. En ik deed ook gewoon mijn ding. Inclusief mijn trademark flauwe mopjes, die op het werk blijkbaar ondertussen als een soort identiteitsbewijs functioneren. (Als ik ooit mijn badge vergeet, ga ik gewoon een slechte woordspeling maken aan de receptie. Kijken of de slagboom dan vanzelf opengaat.)
Achteraf zei een collega: “Het ging goed hé! En goed dat je jezelf gebleven bent.”
Mijn eerste reflex was: ja, duh. Wie anders zou ik kunnen zijn? Maar ze verduidelijkte: sommige mensen veranderen in zulke situaties zichtbaar van gedaante. Alsof er plots een “corporate mode” wordt aangezet. Stijver, afstandelijker, gecontroleerder. Soms zelfs een ander vocabulaire. Dezelfde persoon, maar met een gladder jasje en minder zuurstof.
Soms zie je het ook in hun dagelijkse manier van werken: mensen met twee gezichten die zich totaal anders gedragen (en andere dingen verkondigen) tegenover collega’s dan tegenover hun leidinggevenden.
En hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte: ze heeft gelijk. Niet alleen over die “maskers” (meestal uit onzekerheid, soms uit strategie, zelden uit pure slechtheid), maar ook over iets fundamentelers: we dragen allemaal meerdere persona’s in ons. Niet als toneelspel, maar als contextgevoelige versies van dezelfde mens.
Ik ben bijvoorbeeld niet dezelfde persoon op het werk als thuis. Niet beter of slechter, gewoon anders. Op het werk ben ik meer richting, meer tempo, meer “we gaan dit oplossen”. Thuis ben ik meer “we zien wel”, maar soms ook meer… “waar is mijn iPhone en wie heeft mijn geduld verstopt?”
En ik zie hetzelfde bij anderen. Mijn echtgenote gedraagt zich anders bij haar ouders dan bij ons. Dat is niet “onecht”. Dat is relationele zwaartekracht: sommige contexten trekken automatisch een andere kant van je naar voren. Zoals een ruimte waar je plots weer 14 bent, zelfs al heb je ondertussen een hypotheek en een mening over isolatiewaarden.
De voorbije twee jaar hebben dat thema voor mij ook een extra laag gegeven. Iets minder dan twee jaar geleden overleed mijn moeder, en vijf maanden geleden mijn vader. En sindsdien zal ik ook nooit meer “de zoon” zijn in de levende betekenis van het woord. Dat deel van mij is mee “gestorven”. Het is vreemd hoe hard identiteit ook afhankelijk is van wie er naar je kijkt. Sommige rollen bestaan alleen zolang de andere kant van de relatie bestaat.
En dan is er nog een andere waarheid: zelfs los van context verandert een mens. We doen graag alsof we één stabiele kern hebben: “ik ben nu eenmaal zo”, maar als je eens echt terugkijkt naar jezelf van tien jaar geleden, dan zie je meestal een ander persoon. De meeste mensen erkennen dat zonder veel moeite. Alleen onderschatten ze vervolgens hoeveel ze in de komende tien jaar nog gaan veranderen. Alsof verandering een verhaal is dat achter je ligt, niet voor je.
Dat kan beangstigend klinken: je blijft niet wie je nu bent. Maar dat hoeft geen slecht nieuws te zijn. Verandering is ook groei.
Ik merk die verandering bij mezelf heel concreet in kleine symbolen. Jarenlang droeg ik op mijn jas een pin met een esculaap. Arts zijn, en medisch directeur, was niet gewoon een job, maar een stuk identiteit. Ik wilde dat ook tonen. Ik had zelfs in elke nieuwe wagen een herbruikbare sticker die ik dertig jaar geleden kreeg, om duidelijk te maken dat ik arts was.
Met daaronder een kleine, stille bijgedachte: als er straks een zwaar ongeval gebeurt en iedereen kijkt naar mij alsof ik MacGyver met een stethoscoop ben… dan ga ik hopeloos tekortschieten. Een mix van trots en verantwoordelijkheidsgevoel, gecombineerd met een vleugje imposter syndrome. Mijn brein kon dat perfect samen laten bestaan.
Onlangs kreeg ik een nieuwe wagen. En ik was vergeten die sticker opnieuw te plakken. En een paar dagen later dacht ik: ach, laat maar zo. En de esculaap-pin heb ik ook verwijderd. Niet omdat ik plots geen arts meer ben, maar omdat ik nu de hele organisatie vertegenwoordig, niet enkel het medisch departement.
In de plaats draag ik nu een pin met “don’t panic”. Wat verrassend vaak toepasselijk blijkt.
Want een groot deel van mijn meerwaarde in deze nieuwe rol is niet dat ik alles al weet. Het is dat ik rust kan brengen. Stabiliteit. Zelfzekerheid. Niet als toneel, maar als anker: “we lossen dit op, stap voor stap.” Dat is geen masker. Dat is een functie. En tegelijk: ook een keuze. De persoon die ik wil zijn in een omgeving waar veel beweegt.
Dus ja: in een korte tijd ben ik al niet meer exact dezelfde persoon als enkele maanden geleden. En dat is ok. Zolang ik maar kan blijven houden van de persoon die ik word.
Mijn omgeving zal dat wel mee bewaken. Mijn gezin is daar bijzonder efficiënt in. Niets zo corrigerend als twee dochters en een partner die je al te goed kennen. En ook op het werk heb ik een aantal collega’s die me “bij de orde” houden, waarbij één blik volstaat om je hele managementdeck te laten crashen 😉.
“Jezelf zijn” betekent dus niet dat je overal dezelfde versie van jezelf moet tonen. Het betekent dat je versies kloppen. Dat ze voortkomen uit waarden, niet uit angst. Dat je je niet kleiner maakt om erbij te horen, en jezelf niet groter maakt om indruk te maken.
Dus als je in een high stakes meeting gewoon jezelf kunt blijven (mét je flauwe mopjes) dan breng je ook de beste versie van jezelf. Oh, en wat je ook doet: don’t panic.

25/01/2026
Wie de voorbije weken rond zich keek, kon er moeilijk naast kijken: het is ziekenboeg-tijd. In mijn omgeving (privé én professioneel) vallen opvallend veel mensen uit. Verkoudheden, griepachtige toestanden, covid… noem een luchtwegvirus en het circuleert. Niet toevallig heeft de overheid op 15 januari het aandachtsniveau voor luchtweginfecties verhoogd naar code oranje. Dat betekent concreet: hoge circulatie van luchtwegkiemen en merkbare druk op het zorgsysteem.
En dan hebben we net de nieuwjaarsrecepties achter de rug.
Honderden mensen samen in één zaal. Veel gesprekken. Veel lachen. Veel handen schudden. Veel kussen (jubilarissen verdienen dat). Achteraf bekeken hebben we collectief een reeks perfecte superspreaderevents georganiseerd. Met hapjes en drankjes.
Ik merk het nu dus op het werk. Na de recepties zijn opvallend veel collega’s ziek. Sommigen echt flink. Zo van dat kaliber waarbij “even uitzieken” ineens een week (of meer?) betekent. Het is wat gebeurt als je virussen, winter en sociale nabijheid combineert.
En toch… wat is het alternatief? Online nieuwjaarsrecepties misschien?
Ik herinner het me nog, ten tijde van covid. (Is het al zover gekomen dat ik zo begin te spreken? Enfin, vijf jaar geleden dus.) We deden de nieuwjaarsreceptie digitaal. Iedereen netjes in zijn eigen vierkantje, micro op mute, glas in de hand, chatberichten met “gelukkig nieuwjaar!”. Het was goed bedoeld. Het was veilig. En het was… echt niet hetzelfde. De energie ontbrak. De toevallige gesprekken. Het gevoel van samen starten.
Dit jaar had ik bovendien extra veel expositie. Nieuwe rol, veel ontmoetingen, veel handen geschud, veel mensen gesproken. Ik heb dus eigenlijk alle redenen gehad om ook prijs te hebben. En toch ben ik (tot dusver!) gespaard gebleven.
Dat voelt bijna verdacht.
Ik kan me eerlijk gezegd de laatste keer niet herinneren dat ik écht ziek ben geweest van een luchtweginfectie. Vroeger was dat anders. Minstens één keer per jaar lag ik er goed af. De laatste keer dat ik me echt herinner, was in 2021: covid, behoorlijk ziek, en daarna nog maanden nasleep. Hardnekkige hoofdpijn. En een detail dat me vooral is bijgebleven: plots kon ik geen audioboeken meer aan dubbele snelheid volgen. Waar 2x vroeger mijn standaard was, werd 1,75x ineens mijn plafond. Het was een vreemde, maar zeer concrete reminder dat mijn brein even niet mee wilde.
Sindsdien heb ik wel verkoudheden gehad hoor. Inclusief een voor omstaanders bijzonder amusante Barry White-stem. Maar echt geveld? Dat niet.
Is er iets veranderd? Niet spectaculair. Ik leef niet plots ascetisch. Ik ben geen gezondheidsgoeroe geworden. Ik ben wel sinds een paar jaar regelmatig gaan mediteren, maar tien minuten per dag lijkt me geen wondermiddel voor het immuunsysteem. Of heb ik gewoon een selectief geheugen gekregen? Ik hou al meer dan tien jaar een dankbaarheidsdagboek bij: elke dag drie dingen waar ik dankbaar voor ben. Dat traint je aandacht richting het positieve. En wie weet vergeet ik daardoor sneller het gedoe.
Misschien heb ik gewoon geluk gehad. Dat kan ook. En heb ik binnen elke dagen wél flink prijs…
Wat we wél weten, is dat algemene weerbaarheid helpt. Genoeg slaap. Beweging. Regelmaat. Groenten en fruit. Geen exotische biohacks, gewoon basics. En op het werk kunnen we ook dingen doen: ventilatie is geen detail, maar een basisvoorwaarde. Frisse lucht is nog altijd een van de meest onderschatte preventiemaatregelen.
De aanpak aan de bron zou natuurlijk zijn: geen nieuwjaarsrecepties meer. Of alles online. Maar where’s the fun in that?
Misschien is dit er gewoon een van die ongemakkelijke spanningsvelden. Tussen gezondheid en verbondenheid. Tussen risico’s beperken en leven laten gebeuren. Volledige veiligheid bestaat niet, maar achteloosheid is ook geen strategie.
De winter gaat nog even duren. De virussen ook. Zorg dus goed voor jezelf en voor elkaar. En als je je deze weken wat mottig voelt: het ligt waarschijnlijk niet aan jou. Het is gewoon… winter, mensen en microben. In die volgorde 😉.

18/01/2026
Rond deze tijd van het jaar duikt ze weer op: de winterdip. Geen groot drama, geen klinische depressie, maar dat diffuse gevoel van minder energie, minder scherpte, minder goesting. Alles kost nét iets meer moeite. Je bent moe, maar slapen helpt niet echt. Je bent prikkelbaar, zonder duidelijke aanleiding. En tegen de tijd dat je denkt: “Het zal wel aan mij liggen”, zit half januari er alweer op.
De dagen zijn kort. Het licht is schaars. En ons lichaam is daar gevoelig voor. Minder zonlicht verstoort onze biologische klok en zorgt voor hogere melatoninespiegels. Dat hormoon doet precies wat het moet doen: ons slaperig maken. Alleen… in de winter staat het systeem wat te lang “aan”. Het gevolg is een sluimerende vermoeidheid die niet verdwijnt met een extra uur slaap.
Dat verklaart ook waarom dit zo breed voorkomt. Dit is geen individueel falen in veerkracht. Dit is biologie.
Er wordt in deze periode graag verwezen naar Blue Monday: de zogezegd meest deprimerende dag van het jaar. Leuk voor krantenkoppen en koffiemachinegesprekken, maar inhoudelijk weinig relevant. Dat hele concept blijkt achteraf vooral een slimme pr-stunt te zijn geweest. De winterdip daarentegen, die is wél reëel. En vooral: ze is behandelbaar.
Wat helpt, is eigenlijk behoorlijk banaal: Licht. Beweging. Buiten zijn. Sociale contacten. Geen spectaculaire life hacks, geen heroïsche zelfdiscipline. Gewoon dingen die ons lichaam al duizenden jaren verwacht.
Gisteren had ik, eerlijk gezegd, meer dan genoeg te doen; allerhande taken en klusjes waar je in de week niet aan toekomt. Zo’n dag waarop “even pauzeren” aanvoelt als tijdverlies. Maar de zon scheen. En rond de middag ben ik gewoon even buiten gaan zitten. Vijftien minuten. Niets doen. Geen scherm. Geen doel. Gewoon zitten en licht vangen. Een soort luie meditatie.
Zo’n kwartiertje is rustgevend voor het hoofd. En tegelijk een kleine vorm van lichttherapie. Bonuspunten voor vitamine D inbegrepen.
Had ik ook kunnen gaan sporten? Natuurlijk. Mijn voeding kunnen finetunen? Absoluut. Maar soms is preventie ook gewoon: de lat laag genoeg leggen zodat je er effectief over geraakt. En vijftien minuten zonnen lukte nog net 😁.
We moeten de winterdip niet dramatiseren, maar ook niet wegrelativeren. Het is een seizoenseffect, geen karaktertrek. En seizoenen vragen aanpassing, geen zelfverwijt.
Dus mocht je merken dat alles wat trager gaat, dat je minder scherp bent of sneller zucht dan anders: het is goed mogelijk dat het geen gebrek aan motivatie is, maar gewoon een gebrek aan licht. En daar kan je dus eenvoudig iets aan doen.

11/01/2026
De voorbije weken merk ik dat mijn werk steeds vaker draait rond één onderliggend thema: keuzes maken. Niet de kleine keuzes (“welke mail eerst?”), maar de grote: waar ga ik mijn aandacht, energie en overtuigingskracht op zetten zodat het ook echt verschil maakt?
Dat is een clichézin, ik weet het. “Focus op impact.” Staat op ongeveer elk managementdeck sinds 1936. Maar in een nieuwe rol krijgt die zin plots tanden. Want “the bigger picture” opvolgen klinkt stoer, tot je beseft dat het vooral betekent dat je niet meer overal kan (en mag) induiken. Dat je niet langer de luxe hebt om elke knikker zelf te tellen.
En toen moest ik opnieuw denken aan Oliver Burkeman en zijn Four Thousand Weeks, waar ik het in juni vorig jaar nog uitgebreid over had. Een boek dat eigenlijk geen time managementboek is, maar een vriendelijk verpakte existentiële schop onder de kont. De kern: je tijd is eindig. Punt. En dat is geen probleem dat je moet oplossen met betere tools, maar een realiteit die je moet omarmen met betere keuzes.
Vierduizend weken. Dat is ongeveer wat een mens gemiddeld krijgt. En ja, ik heb ook nog even opnieuw gerekend hoeveel weken ik er al gedachtenloos doorgejaagd heb. Niet aan te raden bij het ontbijt.
Wat Burkeman zo scherp blootlegt, is dat productiviteit vaak een val is. Elke truc om sneller te werken, trekt gewoon meer werk aan. Wie snel mails verwerkt, krijgt er meer. Wie zijn takenlijst optimaliseert, produceert vooral… een langere takenlijst. Het idee dat je ooit “klaar” zult zijn is een fata morgana. Je kunt er een heel leven naartoe lopen en toch sterf je met ongelezen mails. Dat klinkt dramatisch, maar ook bevrijdend: het betekent dat “alles afwerken” geen zinvol doel is.
In dat licht is het oude verhaal van stenen, knikkers en zand nog steeds bruikbaar. De bokaal is je agenda (en stiekem ook je leven). De stenen zijn de grote dingen: strategische projecten, richting geven, moeilijke knopen doorhakken, bouwen aan mensen en cultuur. De knikkers zijn de nuttige kleinere taken. En het zand is… de rest. Brandjes. Vergaderingen die soms eerder dienen om te bewijzen dat iedereen het druk heeft.
De les is bekend: als je begint met zand, passen de stenen er niet meer in. Dat is precies waar strategisch werken botst met dagelijkse realiteit. De urgentie komt altijd met groot licht binnen. Impact komt meestal stil binnen, zonder sirene, en verdwijnt weer als je niet bewust ruimte maakt. De belangrijkste prio’s zijn zelden de luidste.
De echte uitdaging is niet zozeer “prioriteiten bepalen” dan wel ze te beschermen. Tegen je eigen reflex om toch nog “even snel” die mail zelf te beantwoorden, dat ene dossier op te lossen. Tegen de verleiding om bereikbaar te zijn voor alles en iedereen. Tegen de illusie dat je professioneel bent als je overal onmiddellijk op reageert.
Ik voel dat ik dit jaar meer moet kiezen voor de stenen. Niet omdat de knikkers of het zand onbelangrijk zijn, maar omdat de stenen mijn job zijn. Dat vraagt ook om een ongemakkelijke vaardigheid: “nee” zeggen zonder schuldgevoel, en aanvaarden dat sommige dingen niet gebeuren.
Zodra je dat accepteert, wordt het rustiger in je hoofd. Niet omdat je minder te doen hebt, maar omdat je helderder weet wat de bedoeling is. Dan wordt je agenda geen slagveld meer, maar een kompas. En dat is uiteindelijk wat je als leidinggevende nodig hebt: richting. Niet drukte.
Dus mijn experiment voor 2026 is simpel. Minder zand. Meer stenen.

04/01/2026
Een nieuw jaar heeft iets eigenaardigs. Alsof er ergens een denkbeeldige scheidingslijn ligt tussen “toen” en “vanaf nu”, netjes afgelijnd door vuurwerk, bubbels en een paar generaties familietradities. Mensen (ik incluis) gebruiken dat moment graag als kapstok om goede voornemens aan op te hangen. Alsof we collectief doen alsof de rommel, het gedoe en de onafgewerkte stukken van vorig jaar netjes in de oude doos blijven zitten, samen met de kerstversiering.
De realiteit werkt helaas met minder theatrale dramaturgie.
Wat geweest is, blijft meestal gewoon mee over de drempel stappen. En wie denkt dat een nieuw jaar automatisch een nieuw mens maakt, botst vaak ergens half januari al op de eerste krasjes in dat frisse laagje verf. Er is een reden waarom studies steevast aantonen dat twee derde van alle goede voornemens het einde van de maand niet haalt. Mark Twain had dat al lang door: “Now is the accepted time to make your regular annual good resolutions. Next week you can begin paving hell with them as usual.”
Mild ironisch. Maar ook behoorlijk accuraat.
Ik wil daarmee niet cynisch doen. Integendeel. Ik geloof sterk in doelen, richting, keuzes. Alleen heb ik de voorbije jaren gemerkt dat goede voornemens zelden mislukken omdat mensen niet genoeg moeite doen. Ze mislukken omdat ze te weinig verankerd zijn. Te abstract. Te losgekoppeld van wie je bent en waarom je iets wilt.
Het klassieke advies is bekend: maak je doelen SMART. Specifiek, meetbaar, realistisch… Dat heb ik zelf ook jaren gedaan. In 2016 had ik me bijvoorbeeld voorgenomen om elke week een artikel te schrijven. Keurig afgelijnd, strak in een plan gegoten. En eerlijk is eerlijk: dat werkte (waarover ik begin 2017 dan ook pochte). Maar pas toen ik er ook een systeem van opvolging en bijsturing bovenop legde, merkte ik wat een hefboom zo’n ritme kan zijn. Ik schopte het dan ook in het volgende jaar tot 101 artikels, puur omdat ik wist waar ik stond en waar ik naartoe wilde.
En tegelijk leerde ik ook de keerzijde kennen. Zodra ik merkte dat ik de magische grens van 100 zou halen, viel de extra drive weg. Het doel werd een plafond in plaats van een springplank.
Sindsdien heb ik iets anders geleerd: systemen en doelen zijn nuttig, maar identiteit en waarden zijn bepalend.
Niet: “Ik wil meer schrijven.” Wel: “Ik bén een schrijver.”
Niet: “Ik moet meer sporten.” Wel: “Ik wil iemand zijn die tot op hoge leeftijd vitaal en actief blijft.”
Dat maakt het verschil tussen discipline als iets wat je voortdurend moet forceren, en gedrag dat logisch volgt uit wie je wilt zijn. Joggen omdat “het gezond is” houdt zelden lang stand. Joggen omdat je het leven wilt kunnen blijven meemaken; mét energie, mét bewegingsvrijheid… nou, dàt is een andere categorie.
Schrijven werkt voor mij net zo. Ik doe dat niet voor zichtbaarheid, niet als KPI, niet als trofee. Ik schrijf al heel mijn leven. Soms publiek, soms half verborgen, soms voor een niche van drie mensen. Het is een uiting van enkele van mijn kernwaarden: intellectuele uitdaging, en het delen van ideeën en inzichten. Zodra ik dat benoemde, werd de keuze makkelijker. Een serie op Netflix bingewatchen of meerdere teksten schrijven? Doomscrollen op social media of een nieuw idee uitwerken? De beslissing werd zo telkens een no-brainer. Gewoon consequent zijn met wie ik probeer te zijn.
In 2025 heb ik die keuze bewuster dan ooit gemaakt. Het resultaat: 535 artikels en nog een reeks andere teksten die niet voor deze nieuwsbrief bedoeld zijn. Niet omdat ik mezelf een harde productiedoelstelling had opgelegd (al had ik wel een richtinggevend streefgetal van 300; dat ik vervolgens gaandeweg een paar keer heb bijgesteld). Maar ik heb dit aantal vooral bereikt omdat “ik ben schrijver” me meer richting gaf dan “ik moet meer schrijven”.
Daar zit voor mij ook de essentie van goede voornemens.
Begin niet bij het doen, maar bij het zijn. Niet bij “wat moet ik veranderen?”, maar bij “wie wil ik zijn/worden, en waarom?”. Laat daden daaruit volgen. Hou bij, stuur bij, leer onderweg. En (last but not least) wees mild wanneer je eens struikelt. Want identiteit is geen perfectie, het is hernemen.
Een nieuw jaar verandert ons niet automatisch. Maar het kan wel een mooi moment zijn om even te kijken of wie we dagelijks zijn, nog klopt met wie we willen worden.
En als dat al één voornemen oplevert, is dat misschien meer dan genoeg.

21/12/2025
==Het einde van het jaar heeft iets bijzonders. Zoals ik in een eerdere nieuwsbrief al aangaf: in december staat iedereen collectief op de tippen van hun tenen. Alsof we nog één laatste sprint inzetten, terwijl het parcours al maanden bergop loopt.==
==De dagen zijn kort. Dat speelt op het gemoed, daar valt weinig romantiek aan toe te voegen. Tegelijk is de druk hoog: alles wat “nog vóór het jaareinde” moest gebeuren, wil plots ook effectief gebeuren. Projecten, dossiers, beslissingen, gesprekken die al weken “even geparkeerd” stonden, komen tegelijk terug uit die parking gereden. Met groot licht.==
==En dan is er plots de vakantie. Officieel om “de batterijen op te laden”. Wat op zich al een interessante framing is, bedenk ik me nu: werk als iets dat je leegzuigt, vakantie als een stopcontact. Alsof het doel is om jezelf weer net voldoende op te laden om daarna opnieuw leeg te lopen. Dat model heeft zo zijn beperkingen. Anyway.==
==Vakantie nemen is één ding. Echt vakantie zijn, is iets anders.==
==Want het gebeurt ook wel eens dat we fysiek wel stoppen, maar mentaal niet. We blijven malen over wat de voorbije weken is misgelopen. Over wat beter had gekund. Over wat begin januari ongetwijfeld meteen weer op ons bord zal liggen. We zijn dan zogezegd weg van het werk, maar het werk is hardnekkig meegekomen. In handbagage.==
==Nochtans is er een vrij eenvoudige waarheid: wat gebeurd is, is gebeurd. Dat kan je nadien zinvol bekijken, analyseren, duiden. En wat nog moet komen, dat komt sowieso. Daar helpt geen extra piekerminuut tegen. Maar dít moment – echt dit moment – dat is het enige waar je nu effectief iets mee kunt.==
==En dat is precies waar het vandaag moeilijker lijkt dan vroeger. Social media helpen niet bepaald. De subtiele druk om te tonen hoe leuk het wel is. Hoe mooi de plek, hoe sjiek het restaurant, hoe perfect het gezin aan tafel. Alsof vakantie pas echt telt wanneer ze ook gevalideerd is door voldoende likes.==
==Ik schrijf dit terwijl ik in de Efteling ben. En ja I know, dat zou op zich ook een voorbeeld kunnen zijn van hoe het níét moet: schrijven terwijl je “in het moment” zou moeten zijn. Maar schrijven is voor mij óók een zenmoment, dus ik reken dit onder toegelaten uitzonderingen. Wat ik níét doe: foto’s posten, verhalen delen, likes verzamelen. Die apps staan figuurlijk in de koelkast. Ik kijk er sporadisch naar. Niet uit morele verhevenheid, maar uit zelfbescherming.==
==Ik ben hier met mijn gezin. En dat is genoeg.==
==Met dit alles wil ik ook niet beweren niet dat terugblikken fout is. Integendeel, dat kan een bijzonder waardevolle oefening zijn, zeker op het jaareinde. En vooruitkijken is minstens even zinvol; een goede voorbereiding vergroot de kans dat je een toekomst krijgt die je ook echt wilt meemaken. Maar leven doe je niet in retrospectie of in planning. Leven doe je in het nu.==
==Het verleden is voorbij. De toekomst is nog niet gebeurd. Maar dit moment – dit ene, concrete moment – dàt is het leven. Altijd.==
==Misschien is dat wel de echte uitnodiging van het einde van het jaar. Niet om nog harder te lopen. Niet om alles af te sluiten, op te lossen of glad te strijken. Maar om af en toe bewust te stoppen. Te deconnecteren. Niet alleen van mails en apps, maar ook van die interne ruis die zegt dat je ergens anders zou moeten zijn dan waar je nu bent.==
==De rest komt later wel. Dat doet het altijd.==
==PS. Volgende week, de laatste zondag van het jaar, sla ik deze nieuwsbrief een keertje over. Ook dat hoort bij deconnecteren. We zien elkaar daarna wel weer.==

14/12/2025
==Het voelt alsof “onzekere tijden” de nieuwe baseline zijn. Het conflict Rusland-Oekraïne blijft nieuwe hoofdstukken krijgen. Volgende week neemt de Europese Commissie een beslissing over Euroclear (we weten al welke) en half Europa vraagt zich af hoe Poetin (én Trump) daarop gaan reageren. De NAVO-baas waarschuwt dat “wij het volgende doelwit zijn”. Het Rode Kruis biedt noodpakketten aan en ze zijn sneller uitverkocht dan concerttickets van Taylor Swift. Je zou voor minder beginnen nadenken of je nog genoeg toiletpapier in huis hebt.==
==Laat me duidelijk zijn: ik wil dit niet minimaliseren. Er zijn reële risico’s. Er is geopolitieke spanning. En dan heb ik het niet eens over de klimaatverandering of de AI-revolutie/hype/bubbel. En nee, het is geen complot van de media om ons allemaal permanent licht nerveus te houden (al helpt het algoritme wel enthousiast mee). Maar wat me opvalt, is dat hardnekkige gevoel: alles verandert zo snel; de toekomst is nog nooit zo onzeker geweest.==
==Dat gevoel is oud. Ouder dan Twitter. Ouder dan televisie. Ouder zelfs dan kranten.==
==Stel je even een lijfeigene voor in de middeleeuwen. Geen idee of de oogst dit jaar zou lukken. Hongersnood lag altijd op de loer. Oorlog was geen breaking news, maar een seizoensgebonden risico. En als dat al niet volstond, was er nog de pest, tuberculose of een andere infectieziekte die zonder aankondiging kon langskomen. Spoiler: hun stressniveau was vermoedelijk niet laag.==
==Of neem Europa tussen 1939 en 1945. Dat waren ook geen “rustige tijden met wat geopolitieke ruis op de achtergrond”. Dat waren existentiële onzekerheden, dag na dag. De decennia erna waren (voor Europa althans) een ongekende periode van economische en politieke stabiliteit. En toch… ook toen dachten mensen: dit is erger dan ooit. “Werken aan mijn toekomst – voordat de bom valt”, zong Doe Maar cynisch. Achteraf bekeken weten we hoe het is afgelopen. In het moment zelf wist niemand dat.==
==Dat is misschien de kern: onzekerheid voelt altijd absoluut terwijl je erin zit. Achteraf krijgt ze context, nuance, relativering. Maar vooruitkijken blijft gokken. En dat is geen bug van het leven, dat is het leven. Als we de toekomst perfect konden voorspellen, zou er ook weinig ruimte overblijven voor keuze, groei of betekenis.==
==De meeste dingen waar mensen zich zorgen over maken, lopen trouwens achteraf gezien best mee. Montaigne verwoordde het een paar eeuwen geleden al fijntjes: Ma vie a été pleine de malheurs terribles, dont la plupart ne sont jamais arrivés. Vrij vertaald: mijn leven zat vol rampen; de meeste ervan zijn nooit gebeurd.==
==Onzekerheid is trouwens niet alleen iets voor geopolitiek. Ook dichter bij huis voelen we ze. Externe preventiediensten zitten midden in zo’n periode. Twee belangrijke koninklijke besluiten komen eraan, met een behoorlijke impact. Het KB Re-integratie 3.0, dat op 1 januari 2026 van kracht wordt (de tweede lezing is gepasseerd op de Ministerraad van 12 december), is al behoorlijk stevig: meer responsabilisering van werkgevers, een verplicht actief verzuimbeleid, werknemers bij wie tussen acht weken en zes maanden arbeidspotentieel moet worden ingeschat, arbeidsartsen die via Trio moeten afstemmen met adviserend en behandelend artsen… Het is geen cosmetische ingreep, het is een structurele verbouwing.==
==Maar de echte verschuiving moet nog komen. Het tweede KB zal het gezondheidstoezicht grondig hertekenen. Denk aan meer autonome taken voor verpleegkundigen, zoals dat in de curatieve sector al langer ingeburgerd is, en aan een arbeidsarts die vaker in tweede lijn opereert. Het is een evolutie die ik al meer dan tien jaar zie aankomen; ik kan mijn oude slides er nog bijhalen, met als enige update het woord “AI”.==
==De conceptnota ligt er, het overleg met FOD WASO en Toezicht op het Welzijn op het Werk verliep zeer constructief, en het gesprek met de sociale partners staat binnenkort op de agenda. Het KB zelf moet nog geschreven worden, maar dat het er komt, staat voor mij buiten kijf. De vermoedelijke inwerkingtreding is 1 januari 2027. Dat klinkt comfortabel ver weg, tot je beseft hoe snel een jaar voorbij is. En ja, dat zorgt nu al voor onrust. Terecht ook; we zullen onszelf helemaal moeten reorganiseren.==
==En toch… ik kijk ernaar uit.==
==Niet omdat onzekerheid comfortabel is. Dat is ze niet. Maar omdat ze ook ruimte creëert. Hoe vaak krijg je de kans om jezelf, en je hele aanpak, opnieuw uit te vinden? Om bestaande modellen niet gewoon te optimaliseren, maar ze echt in vraag te stellen. Om iets dat ooit perfect paste, opnieuw relevant te maken voor de volgende twintig jaar.==
==De voorbije weken heb ik me intellectueel mogen uitleven. En het komende jaar, en het jaar daarna, beloven zó boeiend te worden. Complex, ja. Soms chaotisch ook. Maar betekenisvol. En dat weegt voor mij zwaarder dan de drang naar schijnzekerheid.==
==Dat is de paradox van “onzekere tijden”: ze confronteren ons met wat we niet controleren, maar ze nodigen ons tegelijk uit om bewust te kiezen hoe we ermee omgaan. Panikeren kan altijd. Denken ook. Bouwen zelfs.==
==En voorlopig hou ik het bij dat laatste. Met voldoende toiletpapier, dat wel. Je weet maar nooit.==

07/12/2025
==Het is weer die tijd van het jaar. De agenda’s lopen vol. Projecten die “nog snel voor het einde van het jaar” moeten afgerond worden, duiken ineens op uit alle hoeken. Evaluaties, budgetten, targets, rapporten, afsluitingen, planningen voor volgend jaar… alles wil tegelijk bestaan. En dat allemaal terwijl het buiten om half vijf al donker is en het lichaam collectief lijkt te fluisteren:== “Zullen we anders gewoon even niét?”
==Maar nee. We doen voort.==
==Elk jaar stel ik vast dat we verbaasd zijn over dezelfde dingen. Dat mensen moe zijn. Prikkelbaar. Minder geduldig. Sneller overprikkeld. Dat vergaderingen stroever lopen. Dat conflicten sneller ontstaan. Dat fouten toenemen. En toch spreken we erover alsof het een uitzonderlijke omstandigheid is. Alsof december ons dit jaar onverwacht heeft besprongen, gewapend met eindejaarsdrukte en een gebrek aan daglicht.==
==Terwijl… dit script kennen we ondertussen uit het hoofd.==
==Ik herken het ook bij mezelf. De neiging om te denken:== “Nog even doorbijten, het is bijna vakantie.” ==Alsof vermoeidheid zich netjes aan een kalender houdt. Alsof energie op 25 december plots automatisch weer wordt bijgevuld, samen met de gourmet-schotel. Spoiler: zo werkt het dus niet.==
==En we beschouwen vermoeidheid dan ook nog eens vaak als een individueel probleem. Iets dat je moet oplossen met beter slapen, meer wandelen, mindfulness of een dankbaarheidsdagboek. Allemaal nuttige dingen, absoluut. Maar tegelijk organiseren we collectief wel een systeem dat piekbelasting exact samenlegt met de donkerste weken van het jaar. Dat is een beetje zoals verbaasd zijn dat je nat wordt nadat je bewust zonder paraplu in de regen bent gaan staan.==
==We moeten durven eerlijk zijn: dit is geen toeval, dit is ontwerp. En wat ontworpen is, kan ook herontworpen worden.==
==Wat als we volgend jaar al in de zomer beslissen: “in november en december plannen we geen nieuwe strategische trajecten meer”? Wat als we zeggen: “in december geen grote veranderprojecten, behalve wat écht niet anders kan”? Wat als we piekperiodes niet langer behandelen als een persoonlijk falen in veerkracht, maar als een collectieve verantwoordelijkheid in planning?==
==En tegelijk geldt dat natuurlijk ook op persoonlijk vlak. Waarom blijven we doen alsof we in december dezelfde draagkracht moeten hebben als in juni? Alsof donkere dagen geen impact mogen hebben. Alsof het normaal is dat werkdruk, sociale verplichtingen, familie-etentjes, cadeaustress en eindjaarsreflecties allemaal netjes op elkaar gestapeld worden. Dat is geen balans, dat is Tetris op expertenniveau.==
==Misschien zit wijsheid niet in nóg beter leren volhouden, maar in beter leren doseren. In een agenda die niet alleen rekening houdt met deadlines, maar ook met draagkracht. In het besef dat winter geen fout is die we moeten wegoptimaliseren, maar een seizoen dat iets anders vraagt dan zomer.==
==Voor mij is dit alvast een oefening in realisme. In mildheid ook. Naar mezelf, en naar anderen. Want als ik merk dat ik sneller zucht, minder geduld heb of ’s avonds leeg in de zetel plof, dan probeer ik niet meteen te denken dat er iets mis is met mij. Dan probeer ik te denken:== “Ah ja. December.”
==Laat ons dus stoppen met doen alsof dit elk jaar een verrassing is. En zachtjes beginnen nadenken hoe we het volgend jaar iets menselijker kunnen organiseren. Op het werk. Thuis. In ons hoofd.==
==Dat lijkt me een mooie eindejaarsdoelstelling. Zonder vooropgestelde KPI, maar met wel veel kans op rendement.==

30/11/2025
==Sommige weken zijn een soort mentale pingpongwedstrijd: het hoofd tikt van het ene domein naar het andere, telkens met een compleet andere snelheid, taal en zwaartekracht. Deze week had ik twee meetings die zo anders waren dat ze gerust in parallelle universums hadden kunnen plaatsvinden.==
==De eerste: een vergadering als medisch directeur, met collega’s die dezelfde taal spreken. Niet alleen letterlijk, maar ook inhoudelijk. We doorliepen een tekst die ik als co-voorzitter van een werkgroep had opgesteld. De input was scherp, constructief, doordacht. Het soort feedback waarvan je spontaan rechtop gaat zitten. Het was zo’n meeting waarin alles klopte: inhoud, tempo, onderlinge dynamiek.==
==Achteraf zeiden verschillende collega’s dat we hier later misschien op zouden terugkijken als een “historisch moment”. Ik kan dat moeilijk inschatten, historiek laat zich pas achteraf schrijven, maar ik voelde wel:== hier gebeurt iets goeds==. Hier zit ik thuis. Competent. Zeker.==
==En dan… de andere vergadering.==
==Nieuwe rol. Nieuwe horizon. Nieuwe terminologie. Ik zat als directeur wellbeing business in een budgetmeeting, en daar werd ik plotseling ondergedompeld in een financieel dialect waar ik de eerste vijftien minuten vooral probeerde te== kijken ==alsof ik mee was. “Capex”, “opex”, “progressieplan”, “KPI-alignment”, “consolidatie over business lines heen”… fascinerend hoe één vergadering een mens kan doen verlangen naar een Duolingo-cursus “Financieel voor Beginners”. Ik voelde me even een vis uit het water. Een vis die niet alleen uit het water is, maar ondertussen ook een Excel-sheet moet begrijpen.==
==En dat vroeg natuurlijk om een interne dialoog. Zo eentje waarbij mijn rationele en emotionele kant het zwaard opnemen en hoffelijk duelleren.==
==De emotionele kant:== “Waarom heb je de rol die je zó graag deed en waarin je je eindelijk competent voelde (na jaren van imposter syndroom) in godsnaam ingeruild voor een functie waar je nog de helft moet ontdekken?”
==De rationele kant, licht zuchtend:== “Omdat je dat zelf wou. Omdat leren belangrijk is. Omdat je anders zou gaan vervelen. En omdat groei nu eenmaal gebeurt buiten de zones waarin je alles al weet.”
==En eerlijk? Die laatste heeft gelijk, hoe irritant dat soms ook is.==
==Want ik wíl leren. Dat is een van mijn kernwaarden. Ik wíl nieuwe dingen begrijpen. En dat houdt ook dat frisse, soms ongemakkelijke gevoel in van beginner zijn. Best confronterend om na jaren expertise opnieuw te landen in een domein waar je nog geen vanzelfsprekende reflexen hebt. Dat je ’s avonds even denkt: “Misschien had ik eerst een financieel woordenboek moeten lezen voor ik deze meeting binnenstapte.”==
==En tegelijk: het is goed zo. Het is juist zo. De komende maanden zal ik die nieuwe taal beter leren spreken, op mijn tempo, in mijn stijl. Ik meen het wanneer ik zeg dat ik zin heb in die groei. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het zinvol is.==
==Dus dat is mijn boodschap van deze week: soms zit je in een vergadering waarin alles klopt, en soms zit je in een vergadering waarin alles nieuw is. Maar in beide gevallen ben je aan het bouwen. En dat is uiteindelijk waar het om draait. Groei is zelden lineair. Soms voelt het als een historische mijlpaal, soms als Duolingo voor CFO’s. Maar altijd als leven.==

23/11/2025
De afgelopen weken stonden in het teken van keuzes maken. Mooie keuzes, vind ik zelf. Een nieuwe functietitel, een nieuwe rol, nieuwe verantwoordelijkheid. En nu ook: een nieuwe medisch directeur aangeduid. Een beslissing waar ik achter sta, met volle overtuiging. Op 1 december start hij/zij officieel, maar in mijn hoofd is het proces eigenlijk al afgerond. En toch voelt het anders dan verwacht.
Want eerlijk: ik heb het er moeilijker mee dan ik dacht — niet met de beslissing zelf, wel met wat ze symboliseert. Acht jaar lang was het medisch toezicht “mijn” team. Mijn dagelijkse context, mijn bubbel, mijn kompas. De plek waar ik spontaan binnenliep om iets te bespreken, waar ik discussies voerde over KB’s, re-integraties, moeilijke casussen, kwaliteitsissues… en ja, soms ook over wie nu weer vergeten was om het keukentoestel af te wassen.
En nu gaat die dynamiek onvermijdelijk veranderen. Niet verdwijnen, maar wel verschuiven. Als algemeen directeur en directeur wellbeing business heb ik een bredere horizon, meer dossiers, een ander ritme. Meer helikopter, minder cockpit. Ik weet dat dit logisch is — en zelfs noodzakelijk — maar dat maakt het niet per se gemakkelijk.
Het voelt een beetje zoals wanneer je je kind voor het eerst alleen laat fietsen: je bent apetrots, je wéét dat het tijd is voor de volgende stap, maar je zou tegelijk graag nog één vinger op het zadel houden. Gewoon… voor de zekerheid. Niet omdat je denkt dat het kind gaat vallen, maar omdat jij nog moet wennen aan het idee dat je niet meer de enige bent die stuurt.
Dat is ongeveer hoe ik me nu voel. De rationele kant van mij zegt: dit is goed, dit is juist, dit is het moment. De emotionele kant blijft zachtjes morren: “Maar ga je ze dan minder zien? Minder horen? Minder voelen?”
(Die innerlijke monoloog klinkt altijd wat dramatischer dan de realiteit. Mijn hoofd had waarschijnlijk een succesvolle carrière kunnen hebben in de Vlaamse soapwereld.)
Tegelijk ben ik vooral dankbaar. Dankbaar dat ik dit acht jaar heb mogen doen. Dankbaar dat ik dit team heb zien groeien, botsen, leren, terug opstaan, en blijven gaan. En vooral: dankbaar dat ik nu met een gerust hart kan loslaten. Ik heb er namelijk alle vertrouwen in dat de nieuwe medisch directeur dit uitstekend gaat doen — en zelfs nog beter dan ik op sommige domeinen. Dat is geen valse bescheidenheid; dat is gewoon hoe leiderschap hoort te evolueren.
Loslaten betekent trouwens niet verdwijnen. Ik ga niet verhuizen naar een digitale hut in de Ardennen. Ik blijf bij Attentia, ik blijf aanspreekbaar, ik blijf me engageren in het medisch toezicht — zij het vanuit een andere stoel. Een stoel met een breder zicht, meer verantwoordelijkheden en (hopelijk) een betere rugleuning.
Maar de komende weken ga ik ook gewoon even stilstaan bij dat kleine rouwkantje dat bij elke verandering hoort. Want afscheid nemen van een rol die je gevormd heeft, is ook afscheid nemen van een stukje identiteit. En dat mag even schuren.
Het mooie is: elke keer dat ik in mijn carrière iets moest loslaten, kwam er iets bij dat ik vooraf niet had kunnen voorzien. Meer ruimte, meer inzicht, meer perspectief. Ik ga ervan uit dat dat nu opnieuw zo zal zijn.
En intussen blijf ik gewoon doen wat me de meeste energie geeft: reflecteren, schrijven en bouwen aan iets dat groter is dan mezelf. Functietitels veranderen. Relaties blijven. En sommige rollen draag je altijd een beetje mee, zelfs als iemand anders het roer overneemt.
Misschien is dat uiteindelijk de kern: leidinggeven is een estafette. Je loopt zo hard en zo goed als je kunt, en op het juiste moment geef je de stok door — niet omdat je stopt, maar omdat de race doorgaat.

16/11/2025
De voorbije weken kreeg ik veel felicitaties voor mijn nieuwe functie. Warm, genuanceerd, soms onverwacht. En ja: ik ben daar blij om. Maar mijn eigen gevoel is niet veranderd. Ik voel me niet “meer aangekomen” dan ervoor. Geen plots kantelpunt, geen nieuw soort innerlijke voltooiing.
Dat bracht me terug bij een uitspraak van Jim Carrey: “I think everybody should get rich and famous… so they can see that it’s not the answer.” Het klinkt als Hollywood-cynisme, maar het raakt aan iets herkenbaars: succes voelt zelden zoals we denken. De euforie is echt, maar kort. En daarna volgt gewoon opnieuw… het leven. Met dezelfde gedachten en onzekerheden als ervoor.
In de psychologie noemen ze dat de arrival fallacy: het idee dat geluk aan de overkant van een mijlpaal ligt. Maar zodra je er staat, blijkt de berg gewoon een heuvel, en rolt de steen alweer verder naar het volgende doel.
Wat ik de voorbije weken vooral besefte, is dat vervulling zelden in een functietitel zit. Ze zit in bouwen, in scherpe keuzes maken, in samenwerken, in richting geven, in kleine stappen vooruit. In weten dat je iets doet waar je zelf achter staat. Zoals ze in Cool Runnings zeggen: “If you’re not enough without it, you’ll never be enough with it.”
Dus ja, ik ben wel degelijk blij met de nieuwe uitdaging, en ik ga daar ook volledig voor gaan. Maar wat ik vooral wil blijven doen, met welke titel dan ook, is groeien, leren en informatie delen. Want voor mij zit het echte plezier niet in het “aankomen”, maar in het onderweg zijn.

09/11/2025
Dinsdag was het zover: fotoshoot op het werk, omdat mijn nieuwe functie publiek bekendgemaakt werd. Voor sommige mensen is dat een leuke afwisseling in de werkweek. Voor mij voelt het alsof iemand vraagt om spontaan te tapdansen terwijl honderd collega’s toekijken. Ik weet dan niet waar ik mijn armen moet laten, hoe ik moet lachen, of waarom mijn haar precies altijd lijkt te doen alsof het zelf ontslag wil nemen.
Dat haar… Het plan was nochtans om eerst naar de kapper te gaan. Maar kapperszaken zijn voor mij ongeveer wat tandartsen zijn voor anderen: noodzakelijk, maar toch iets waar je vreemd genoeg altijd nét geen tijd voor vindt. Een tijd lang heb ik gewoon de tondeuse bovengehaald; handig, maar het resultaat liet me er uitzien alsof ik me voorbereid had op een rol in Full Metal Jacket. De voorbije jaren heb ik verschillende kappers geprobeerd, telkens met wisselend succes. Eén keer was het echt perfect: goede prijs, strakke coupe, nul verplichte smalltalk. Maar ja, dat was in Belek, Turkije. Niet meteen de meest haalbare tweemaandelijkse uitstap. Misschien moet ik gewoon eens een Turkse kapper in de buurt proberen.
Enfin, daar stond ik dan. Te lang haar. Scheve glimlach. Te veel foto’s. En ons marketingteam dat die beelden nu waarschijnlijk gebruikt alsof het een nieuwe Marvel-franchise is. Hun persbericht werd opgepikt door HR Magazine, HR Square en door ZigZagHR op LinkedIn gedeeld. Dat laatste leverde warme reacties op, ook van mensen die ik al twintig jaar niet meer had gezien. Het bracht heel wat herinneringen boven en deed me vooral beseffen hoe veel geluk ik al heb gehad: ik heb veel verschillende rollen mogen opnemen, en ik heb met heel fijne mensen samengewerkt.
Als ik terugkijk, zie ik ook dat ik me in het verleden vaak druk maakte over zaken die achteraf gezien minder belangrijk bleken. Dat is nog altijd een beetje mijn natuur: ik ben iemand die zich betrokken voelt, die dingen goed wil doen. Dat is een voordeel, maar soms duw ik mezelf daarmee richting “in het rood”. Tegenwoordig probeer ik bewust af en toe op de rem te gaan staan. Eén van de hulpmiddelen is de 10-10-10-regel van Suzy Welch. Heel eenvoudig: hoe ga ik me over deze beslissing voelen binnen 10 minuten, binnen 10 maanden en binnen 10 jaar? Het is frappant hoeveel ruis daarmee meteen verdwijnt.
Door de jaren heen heb ik trouwens een heel arsenaal aan technieken verzameld: ACT, mindfulness, affectieve afstand nemen, dankbaarheidsankers, klankborden, bias-checks, cognitive offloading… Voor bijna elke uitdagende situatie heb ik ondertussen wel een soort mentale schroevendraaier (als ik er in het moment aan denk om die te gebruiken). Misschien moet ik ze ooit eens opschrijven. Of misschien laat ik het best aan de al bestaande zelfhulpboeken over… er bestaan er ondertussen genoeg om een appartementsblok mee te isoleren.
Maar goed: nieuwe functie, nieuw hoofdstuk. En misschien… eindelijk eens een nieuwe kapper.

02/11/2025
Een van de dingen die me het meest drijft, is kennis delen. Altijd al geweest. Schrijven is daarbij mijn favoriete vorm: het helpt me nadenken, ordenen, uitleggen. In 2007 begon ik met een blog (toen dat nog hip was), en jarenlang verschenen mijn artikels in vakbladen. Dat was leuk, tot ik merkte dat steeds meer van mijn teksten achter een betaalmuur verdwenen. En dat begon voor mij wat te wringen: ik schrijf niet om kennis op te sluiten, maar om ze te verspreiden.
Dus besloot ik eind vorig jaar om het roer om te gooien. Sinds begin dit jaar publiceer ik vooral rechtstreeks op LinkedIn. Hier zit mijn publiek, en ik hou van de interactie die ontstaat. Al heeft ook deze oplossing z’n grenzen. LinkedIn houdt niet van externe links (zoals naar een blog), en zelfs mijn volgers krijgen niet altijd te zien wat ik post. Zo las ik onlangs op Reddit dat zelfs een nieuwsbrief als deze vaak niet bij alle (ondertussen zo’n 1200) abonnees terechtkomt.
Omdat ik graag dingen uitprobeer, begon ik deze zomer met iets nieuws: ik bundelde mijn artikels van juli en augustus in een boek van 352 pagina’s, mét de bijhorende afbeeldingen in kleur. Intussen heb ik ook alle maanden van dit jaar verwerkt tot aparte bundels, van januari tot oktober, en dat blijf ik doen. Je vindt ze op Amazon, via deze link. Ik hou de prijs zo laag mogelijk, want dit gaat me niet om winst, wel om bereik.
Wat ik verder nog wil doen met al dat schrijfwerk, weet ik nog niet precies. Misschien toch weer een eigen website? Een nieuwsbrief die écht in je mailbox komt? Een podcast? TikToks 😉? Voorlopig laat ik het even rijpen… ik combineer op dit moment wat veel functies om diep te kunnen graven. Maar suggesties zijn welkom.

Deze week publiceerde ik vijf artikels op mijn Linkedinpagina.

Hieronder vind je alle artikels van deze periode, in chronologische volgorde.

De slimste in de kamer (en waarom dat niet langer mijn opdracht is)

Er komt in een carrière een moment waarop je niet langer wordt betaald om de beste expert in de kamer te zijn, maar om ervoor te zorgen dat de kamer goed functioneert.

Dat klinkt abstract, maar het is een fundamentele verschuiving.

Jarenlang was mijn reflex eenvoudig. Iemand legt een probleem op tafel, en ik begin te analyseren. Structuur zoeken in complexiteit. Fouten detecteren. Alternatieven formuleren. Oplossingen verfijnen. Dat was mijn natuurlijke habitat. Inhoudelijk sterk zijn is comfortabel. Je krijgt er erkenning voor, en het resultaat is zichtbaar: een beter advies, een scherpere analyse, een doordachter besluit.

Maar in mijn huidige rol merk ik steeds vaker dat precies dat niet meer de kern van mijn opdracht is. Als ik nog altijd degene ben die de inhoudelijke finesse moet aanbrengen, dan stel ik mezelf de verkeerde vraag. Niet: “Hoe lossen we dit op?”, maar: “Waarom hangt dit opnieuw bij mij?”

De sprong die hierachter zit, is minder hiërarchisch dan mentaal. Ze gaat niet over titel of mandaat, maar over perspectief. Waar ik vroeger vooral keek naar het optimaliseren van een dossier, moet ik nu kijken naar het hertekenen van de structuur waarbinnen dat dossier ontstaat. Waar ik vroeger zelf de nuance aanbracht, moet ik nu eigenaarschap afdwingen. Waar ik vroeger vooral inhoud toevoegde, moet ik nu kaders scherpstellen.

Dat is minder tastbaar werk. Niemand complimenteert je omdat een organigram logischer is geworden of omdat verantwoordelijkheden expliciet zijn vastgelegd. En toch merk ik dat precies daar de echte hefboom zit. Een probleem één keer goed oplossen is bevredigend. Een systeem zo inrichten dat het probleem niet meer terugkomt, is duurzamer.

Het confronterende is dat succes er in deze rol anders uitziet. Het wordt minder zichtbaar in individuele prestaties en meer in collectieve maturiteit. Een vergadering is geslaagd wanneer de juiste mensen zelf beslissingen nemen, wanneer discussies korter worden omdat het mandaat helder is, en wanneer ik minder moet spreken om toch richting te geven.

Dat vraagt ook iets van identiteit. Ik heb altijd veel energie gehaald uit intellectuele uitdaging en inhoudelijke diepgang. Het gevoel dat je de materie doorgrondt en er betekenis aan geeft, blijft aantrekkelijk. Maar leiderschap op dit niveau betekent dat je niet langer moet bewijzen dat je de slimste bent. Het betekent dat je de voorwaarden creëert waarin anderen hun expertise maximaal kunnen inzetten.

Dat is minder spectaculair dan zelf excelleren, maar uiteindelijk impactvoller.

Ik merk dat dit ook mijn communicatiestijl verandert. Mijn reflex is nog vaak om te verklaren, te nuanceren en te reconstrueren wat er precies misliep. Maar op directieniveau is het belangrijker om te kaderen, samen te vatten en te beslissen. Minder uitleg, meer richting. Niet elke discussie vraagt om volledige analyse; soms vraagt ze om duidelijkheid en opvolging.

Dat voelt voor mij als een verschuiving waar ik nog elke dag in moet groeien. De focus gaat minder naar mijn eigen inhoudelijke bijdrage en meer naar de structuur waarbinnen anderen hun werk doen. Minder naar “wat denk ík hierover?”, meer naar “is hier helder wie beslist, wie uitvoert en wie aanspreekbaar is?”. Dat vraagt een andere reflex die ik nu bewust train.

Dit is op dit moment dus mijn belangrijkste leerpunt. Niet automatisch in de inhoud duiken wanneer het complex wordt, maar eerst kijken of het kader klopt. Niet zelf het antwoord formuleren, maar zorgen dat de juiste mensen met mandaat het antwoord kunnen geven. Als dat lukt, verschuift de impact van persoonlijk naar systemisch. Minder zichtbaar misschien, maar fundamenteler.


Mijn professionele rol verandert, en mijn nieuwsbrief lijkt mee te veranderen. Minder expertcommentaar, meer systeemdenken en leiderschapsreflectie.

De vraag is niet wat “beter” is, maar wat voor jullie, mijn beste lezers, het meest relevant is. Lees je deze nieuwsbrief vooral voor inzichten in het welzijnsdomein, of net voor de reflecties? Laat het me gerust weten. Ik schrijf alleen, maar niet in het luchtledige.

Deze week publiceerde ik zes artikels op mijn LinkedInpagina. Het stuk over psychische klachten als gevolg van de manier waarop werk georganiseerd is, werd veruit het meest gelezen en lokte ook meerdere inhoudelijke reacties uit.

Ook de bijdragen over het voorstel om rookkamers in ondernemingen wettelijk af te schaffen (en de spanning met de realiteit op de werkvloer), over AI op het werk en over het gebruik van buzzwords in organisatiecommunicatie werden goed opgepikt.

Daarnaast schreef ik over het verhoogde overlijdensrisico door COPD in de bouwsector en over de ramadan in werkcontext.

Wat me trouwens opvalt: ook eerdere nieuwsbrieven worden nog regelmatig bekeken en gelezen na publicatie. Blijkbaar blijft de inhoud circuleren, wat mijn eerdere vraag alleen maar relevanter maakt.

Hieronder vind je alle artikels van deze periode, in chronologische volgorde.