Ik wil de 33ste editie van de nieuwsbrief “Wegwijs in welzijn” opstellen.
Artikels
1 Van arbeidspotentieel naar actie: nieuwe responsabilisering voor langdurig zieken
Wie arbeidsongeschikt is erkend, geen arbeidsovereenkomst meer heeft en nog over arbeidspotentieel beschikt, zal zich actief moeten inschakelen in het re-integratietraject. Doet men dat niet (bijvoorbeeld door zich niet tijdig in te schrijven bij de regionale arbeidsbemiddelingsdienst of door zonder geldige reden afwezig te blijven), dan kan de uitkering met 10% worden verminderd. Met dit ontwerp van koninklijk besluit op voorstel van minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke krijgt de responsabilisering van uitkeringsgerechtigden een concreet financieel gevolg. De maatregel past binnen het bredere kader van “Re-integratie 3.0”.
2 Twijfel over doktersattesten? Nieuwe RIZIV-databank moet meer duidelijkheid brengen
Er bestaan in België geen exacte cijfers over de omvang van welwillendheidsattesten, ziektebriefjes die zonder objectiveerbare medische grond worden afgeleverd. Dat bevestigde minister Frank Vandenbroucke in antwoord op een parlementaire vraag van Hervé Cornillie (MR). De minister maakt daarbij een relevant onderscheid: er is het “valse ziektebriefje” in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet (artikel 31), en daarnaast het getuigschrift arbeidsongeschiktheid dat recht geeft op een uitkering via het RIZIV. Twee documenten, twee circuits, en voor geen van beide is vandaag de werkelijke omvang gekend. Toch komt er beweging: sinds 1 januari 2026 is de GAOCIT-databank operationeel, en die moet het voorschrijfgedrag van artsen voor het eerst op grote schaal in kaart brengen.
3 Meer langdurig zieken aan het werk via VDAB: succes of selectief rekenen?
In Vlaanderen vindt 39 procent van de werkzoekenden met een ziekte-uitkering binnen twee jaar opnieuw werk. Dat blijkt uit recente cijfers van Vlaams minister van Werk Zuhal Demir. Het is het hoogste percentage sinds de samenwerking tussen VDAB, RIZIV en de ziekenfondsen werd versterkt, en een stijging tegenover de 35 procent van enkele jaren geleden. Maar wie het cijfer omdraait, ziet iets anders: zes op de tien mensen blijven na twee jaar intensieve begeleiding zonder job. De vraag is niet alleen of het glas halfvol of halfleeg is, maar of we het juiste glas meten.
4 Voorkomen is beter dan re-integreren: regering test preventief deeltijds werken bij ziekte
De federale regering start dit jaar met een proefproject waarbij werknemers die dreigen uit te vallen, deeltijds kunnen blijven werken met een aanvullende uitkering voor de niet-gewerkte uren. Dat stelt CD&V-Kamerlid Nahima Lanjri op haar website. De zogenaamde arbeidsparticipatietoeslag (APT) draait de logica om: niet eerst volledig uitvallen en dan re-integreren, maar de band met het werk behouden vóór het zover komt. Een verschuiving die op papier logisch klinkt, maar in de praktijk een hele reeks vragen oproept voor HR en preventieadviseurs.
5 EINDWERK – Stofexplosies in de schoolwerkplaats: een vergeten risico met reële gevolgen
Houtstof explodeert. Niet figuurlijk, maar letterlijk. In Europa vinden jaarlijks naar schatting tweeduizend stofexplosies plaats, en hout- en houtproducten zijn daarbij veruit de meest betrokken materialen. Toch behandelen veel werkgevers en preventieadviseurs het risico op stofexplosies als een theoretisch gegeven, iets voor silo’s en grote industriële installaties. Het eindwerk van wout ooms, geschreven in het kader van zijn opleiding tot preventieadviseur niveau 2, laat zien dat die blinde vlek ook in onderwijsinstellingen bestaat. Hij stelde een stofexplosiedossier op voor de houtbewerkingslokalen van PT²O, een technische secundaire school in Turnhout, en de bevindingen zijn herkenbaar voor iedereen die met houtbewerking te maken heeft.
Stel vijf geschikte titels voor de nieuwsbrief voor. Dit waren de titels van de voorgaande:
Wegwijs in welzijn #16: Delen is vermenigvuldigen
Wegwijs in welzijn #17: Tussen stress, stigma en strategie – welzijn met meer perspectief
Wegwijs in welzijn #18: Tussen mantelzorg, medische overmacht en misvattingen over verzuim
Wegwijs in welzijn #19: Wanneer het stokje wisselt – en tien inzichten die richting geven
Wegwijs in welzijn #20: Van cockpit naar helikopter – en de kunst van opnieuw leren
Wegwijs in welzijn #21: December is geen verrassing, het is een patroon
Wegwijs in welzijn #22: Onrust als constante – van geopolitiek tot gezondheidstoezicht
Wegwijs in welzijn #23: Niet alles hoeft mee op vakantie
Wegwijs in welzijn #24: Waarom plannen falen… en waarden blijven
Wegwijs in welzijn #25: Waarom richting belangrijker is dan drukte
Wegwijs in welzijn #26: Een kwartier zon als vorm van preventie
Wegwijs in welzijn #27: Wanneer verbondenheid ook een besmettingsrisico wordt
Wegwijs in welzijn #28: Over maskers, rollen en jezelf blijven
Wegwijs in welzijn #29: Soms is “moeten” gewoon vermomd “mogen”
Wegwijs in welzijn #30: Van expert naar architect
Wegwijs in welzijn #31: Over papegaaien, procedures en proportionaliteit
Wegwijs in welzijn #32: Wat we ons blijven herinneren
Maak een korte begeleidende tekst voor de nieuwsbrief op Linkedin.
Maak een afbeelding die bij de inhoud van deze nieuwsbrief past, in 3D-cinematografisch realisme, Arcane League of Legends-stijl, Octane-gerenderd, ultradetailleerd, 16:9, globale belichting, zachte volumetrische belichting, sterk hoofdlicht en randlicht, subsurface scattering, ray-traced reflecties, ambient occlusion, scherptediepte, dramatische maar heldere sfeer, texturen van filmkwaliteit, levendig contrast, scherpe schaduwen, hoog dynamisch bereik, ultrarealistische materialen.
| Nr | Likes | Comments | Reposts | Opmerkingen |
| 1 | 13 | 1 | ||
| 2 | 25 | 2 | ||
| 3 | 11 | 4 | ||
| 4 | 20 | 1 | ||
| 5 | 17 | 3 | 1 | |
| 6 | ||||
| 7 | ||||
| 8 | ||||
| 9 | ||||
| 10 |
Elke week schrijf ik een nieuwsbrief met persoonlijke reflecties. Deze week wil ik het hebben over het gebruik van AI. Herwerk de aanzet van tekst hieronder in mijn schrijfstijl zoals de voorbijgaande weken (zie het opgeladen document). Gebruik waar gepast een toegankelijke toon of lichte humor.
Ik krijg regelmatig complimenten over mijn artikels en nieuwsbrieven, eigenlijk meer dan dat ik over mijn echte werk krijg (grapje). “Waar vind je er de tijd voor?” krijg ik dan vaak ook als vraag. “Cocaïne” is dan steevast mijn antwoord (mijn vrouw heeft me al gezegd dat ik moet stoppen met dat te zeggen, want op den duur zouden mensen het nog gaan geloven ook, waarschuwt ze – dus vanaf nu zal ik zeggen dat ik Speed neem). De laatste jaren zeggen ze “het moet wel AI zijn”; en soms zeg ik dat zelf ook: “Oh, ik maak al die artikelen niet, dat is ChatGPT”. Nu, ik gebruik AI effectief behoorlijk intensief voor zowel mijn werk als privé, en ook bij het schrijven van mijn artikelen. Maar het is niet dat ik hier effectief tijd mee win. Ik schrijf wanneer ik er een momentje voor vind (de laatste maanden is dat enkel in het weekend, en dan ben ik urenlang aan het schrijven – het voordeel van geen tv te kijken en geen sociaal leven te hebben). Het schrijven is wel apart van mijn werk: op het werk zit ik in meetings of bezig met mails en dergelijke; schrijven is mijn hobby in mijn privétijd.
Schrijven en kennis delen is altijd een belangrijk deel van mijn identiteit geweest, zoals ik nog eens in een eerdere nieuwsbrief aangaf (Wegwijs in welzijn #16: Delen is vermenigvuldigen; extract: “Een van de dingen die me het meest drijft, is kennis delen. Altijd al geweest. Schrijven is daarbij mijn favoriete vorm: het helpt me nadenken, ordenen, uitleggen. In 2007 begon ik met een blog (toen dat nog hip was), en jarenlang verschenen mijn artikels in vakbladen. Dat was leuk, tot ik merkte dat steeds meer van mijn teksten achter een betaalmuur verdwenen. En dat begon voor mij wat te wringen: ik schrijf niet om kennis op te sluiten, maar om ze te verspreiden.”)
Ik geef een overzicht van waarvoor ik AI gebruik (waaronder voor het schrijven).
Ik start met “human intelligence” voor de eerste versie van de tekst. Sinds enkele jaren maak ik wel steeds vaker gebruik van dictaten (ik dicteer aan mezelf). Aanvankelijk gebruikte ik Audiopen voor al mijn dictaten, en die maakt er ook onmiddellijk een vlotte tekst van. Maar dat wil ik niet, ik wil een getrouwe weergave van wat ik zeg, en vervolgens tweak ik die zelf wel verder. Ik gebruik dat systeem ook heel vaak voor meetings: ofwel neem ik de meetings zelf op (met Plaud), ofwel dicteer ik na de meeting (of onderweg naar huis) aan mezelf wat er besproken is en wat de belangrijkste actiepunten zijn (en hiervoor gebruik ik Plaud of Voicenotes).
Voor het artikel herwerk ik vervolgens het transcript tot een artikel zoals ik dat altijd zou doen, en vervolgens vraag ik aan ChatGPT om een aantal passages “vlotter” te herschrijven, en tussentitels op te maken (dat maakt het overzichtelijker, maar ik vond het altijd een gedoe om de tussentitels te formuleren; wel, nu doet ChatGPT dat voor me).
Ik gebruik Napkin AI voor het maken van grafieken. Hierbij kopieer ik een stukje uit de tekst, en met enkele kleine tweaks: voilà. Enfin, ik ben ik soms ook wel even mee bezig voordat het écht juist is.
Hierna vraag ik aan ChatGPT om me vijf titels voor het artikel voor te stellen. Dan nog een passende afbeelding voor bij het artikel, en tot slot een korte begeleidende tekst voor Linkedin (die ik dan ook nog wat aanpas, maar dan heb ik wel echt de basis).
Dus ja, echt tijd win ik hier niet bij; maar ik heb wel een betere structuur (met de tussentitels) en een afbeelding in een consistente stijl.
Voor het werk heb ik wél een behoorlijke tijdswinst met gebruik van AI tools. Tot voor kort gebruikte ik quasi uitsluitend ChatGPT. Een mailpolonaise? Vat het samen. Een instructieve mail? Herformuleer deze tekst. Microsoft Copilot werkte voor mij voor geen meter. Google Gemini werkte een tijdje (super afbeeldingen, tot ze iets wijzigden waardoor ik geen 16:9 formaat meer kreeg). Google’s NotebookLM, daar heb ik al een aantal podcasts mee gemaakt (enkel voor interne communicatie); onlangs heb ik die nog eens uitgetest: ik scande de schoolnota’s van mijn dochter in, en NotebookLM maakte er een werkelijk indrukwekkende Powerpoint van. Sinds kort ben ik ook meer Claude gaan gebruiken voor analyses; hier kun je rechtstreeks werken in Excelbestanden, en ook een resultaat rechtstreeks in Wordbestanden en dergelijke. Maar ik heb nog niet de tijd gevonden om er eens echt in te duiken: ik heb de mogelijkheden van al de beschikbare AI-tools bijlange nog niet gebruikt. Het gaat ook zo snel; ik verwacht dat binnen twee jaar alles weer compleet achterhaald is. Maar ik vind het wel belangrijk om voor zover ik kan bij te blijven; en dat is des te meer het geval voor bedrijven. Bij ons (Attentia) beschouwen we AI als een strategische hefboom, om onze experten te ondersteunen. Ook hier moeten we nog beginnen met het ontsluiten van het massieve potentieel – maar we gaan dat wel doen.
01/03/2026
De voorbije dagen kreeg ik meerdere privéberichten met dezelfde vraag: of ik het arrest van het Arbeidshof Antwerpen waarover ik geschreven had, kon delen.
Normaal zet ik de link naar de bron meteen in mijn LinkedIn-artikel. Deze keer niet. Ik had het arrest online zien verschijnen, het gedownload en opgeslagen. Zoals wel vaker maak ik mijn artikels in batch tijdens het weekend. Dus: pdf bewaard, draft geschreven, bestand gewist.
Het weekend nadien wilde ik het artikel afwerken. De online link vond ik niet meer terug. “Ach, wat maakt het uit,” dacht ik. Tot ik meer dan tien berichten kreeg om het arrest te delen.
No problem, dacht ik eerst. Ik google het wel even. Niets te vinden. En toen begon ik te twijfelen. Was er wel een recent arrest? Had ik misschien per ongeluk een oudere, ongebruikte draft herwerkt? Had mijn geheugen me een loer gedraaid?
Gelukkig bleek het arrest nog in de prullenbak van mijn pc te zitten. Geen hallucinatie. Maar het zette me wel aan het denken. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk?
Ik las onlangs The Book of Memory van Mark Rowlands. Geen wereldschokkend boek, maar één idee bleef hangen: geheugen is geen archiefkast. Het is reconstructie. Telkens wanneer we een herinnering oproepen, veranderen we ze een beetje. Wat we “onthouden” is geen vaststaand feit, maar een verhaal waar we telkens opnieuw mee onderhandelen.
Gedurende meer dan veertien jaar hield ik dagelijks een fotodagboek bij. Elke dag foto’s van ons gezin, met een korte terugblik. Een extern geheugen. Een tastbaar spoor van het alledaagse leven, bedoeld voor mijn dochters.
In september vorig jaar ben ik ermee gestopt. Geen grote beslissing. Het werd gewoon al een tijdje zwaarder. Ik had gaandeweg een achterstand van 25 weken opgebouwd. Vorige zondag heb ik de knoop finaal doorgehakt: ik laat het los.
De boeken staan nog achter mij op mijn bureau. Ik dacht er even door te bladeren. Ik doe het voorlopig niet.
Omdat ze niet alleen vrolijke herinneringen bevatten, maar ook wat intussen veranderd is. Sommige foto’s zijn niet enkel nostalgie, maar ook verlies. Het is nog wat te vers. Er komt wel een tijd dat dat anders voelt.
In ieder geval: het verleden kun je niet veranderen. Wat gebeurd is, blijft gebeurd. Maar hoe het vandaag in je doorwerkt, daar heb je wél invloed op. De eerste reactie kies je zelden. Herinneringen dienen zich aan, soms warm, soms scherp. Maar het verhaal dat je er nadien van maakt, dat ligt niet volledig vast.
We worden niet alleen gevormd door wat we meemaken, maar door wat we blijven herhalen in ons hoofd. Geheugen is geen archief, het is reconstructie. Dat het kneedbaar is, lijkt een zwakte. Maar het is ook een kracht: niet elke herinnering moet dezelfde betekenis blijven dragen.
Dus: welk verhaal over je verleden versterk je op dit moment? En welk mag stilaan wat minder richting geven?
22/02/2026
Ik heb deze week geleerd dat ik geen goede leerling ben. Of toch niet volgens de regels.
Mijn dochter moest voor school een presentatie maken over een recente ontdekking of uitvinding. Ze koos voor “robots met AI”. Dus ik dacht: ideaal, ik heb daar recent nog workshops over gegeven, met ook wat video’s die de innovaties ook toonden (zoals de warenhuisrobots in een Alibaba verdeelcentrum of een Japanse reddingsrobot die mensen via een rolband oplaadt en wegvoert). En zo stelde ik haar als afsluiter een leuk filmpje voor van AI-robots die de mist ingaan. Dus dan kon ze een paar van die slides hergebruiken, wat van die filmpjes erin, klaar.
Tot ik botste op de harde realiteit van het middelbaar.
Geen video’s. Elke dia moest een minimum aantal bullet points bevatten, en voldoende tekst. “Maar het is veel interessanter zo,” probeerde ik nog. “Ja papa, maar dat zijn de regels.”
Ik heb haar toch kunnen overtuigen om een klein beetje out of the box te werken. Resultaat: ze moest opnieuw beginnen. Out of the box denken was niet voorzien in het evaluatiekader.
Een half vergeten (of zal ik zeggen, verdrongen) herinnering uit mijn jeugd stak de kop op: mijn leerkracht Latijn die ons twintig keer “Nominatief, Vocatief…” liet overschrijven. Ik stelde voor om die bovenaan één keer voluit te schrijven en eronder aanhalingstekens te gebruiken. Efficiënt, dacht ik. “We zijn geen luieriken,” was het verdict. “Maar we zijn wel papegaaien,” dacht ik (maar hield wijselijk mijn mond).
Nu, regels zijn belangrijk. Dat vind ik echt.
Zo ben ik zelf een groot voorstander van checklists, getuige het overzichtsblad dat ik al sinds 2001 gebruik (ondertussen heb ik de twee bladen tot één A4 herwerkt). The Checklist Manifesto van Atul Gawande heeft mij als arts sterk beïnvloed. En Atomic Habits van James Clear dat voortbouwt op principes uit het stoïcisme waar ik een aanhanger van ben, draait net rond het belang van duidelijke, consistente gedragsregels. Systemen beschermen ons tegen slordigheid, tegen willekeur, tegen ons eigen overschat optimisme.
Maar regels zijn een middel. Het doel is betere zorg. Betere gewoontes. Betere leerresultaten.
Zodra regels belangrijker worden dan het doel dat ze dienen, lopen we vast.
In welzijn op het werk leven we in een sterk gereglementeerd kader. Terecht. Het gaat over veiligheid en gezondheid. De grote hervormingen van de jaren ’90, waarbij het oude ARAB werd omgevormd tot de Codex Welzijn op het Werk, waren in mijn ogen een enorme stap vooruit. Minder detailfetisjisme, meer principes. Minder “doe exact dit”, meer “zorg dat dit doel bereikt wordt”.
Maar de voorbije jaren zie ik iets verschuiven. Niet zozeer in de wetteksten zelf, wel in de toepassing. Een mentaliteit van “check the box”. Niet: “zorg je effectief voor de veiligheid en gezondheid van je mensen?”, maar: “waar is het document A38? En staat het in het juiste lettertype?”
Hyperbolisch? Helaas niet.
Een klooster met uitsluitend 60+-jarige nonnen kreeg een opmerking omdat er geen procedure moederschapsbescherming kon worden voorgelegd. Ik heb het even nagekeken: de laatste gerapporteerde casus van maagdelijke voortplanting dateert van ongeveer 2000 jaar geleden. De kans op een nieuw incident is dus in mijn ogen statistisch relatief beperkt.
Of een KMO waar een medewerker een vingertop verloor in een machine. De dag nadien was die alweer aan het werk. Maar het ongeval was niet als “ernstig” gemeld. Gevolg: onderzoek, vragen, verhoren. Ik werd zelf als wettelijke vertegenwoordiger van de externe dienst uitgenodigd om uitleg te geven. Wel, in feite werd ik via aangetekend schrijven opgeroepen en als verdachte verhoord. Niet omdat iemand bewust risico’s had genegeerd, maar omdat er mogelijk een procedure niet helemaal conform was gevolgd.
Begrijp me niet verkeerd: inspectie en handhaving zijn noodzakelijk in een rechtsstaat. En de inspecteurs met wie ik sprak waren professioneel en redelijk. Ook zij werken binnen een kader van instructies, richtlijnen en beoordelingscriteria. Net zoals een leerling punten krijgt op basis van vooraf vastgelegde criteria, worden ook zij geëvalueerd op de manier waarop ze regels toepassen.
Maar als de focus verschuift van “is het risico beheerst?” naar “klopt het papier?”, dan dreigt het doel ondergeschikt te worden aan de vorm. En dan verliezen we allemaal tijd en energie.
Hetzelfde debat zie je bij het gezondheidstoezicht. We kampen al decennia met een tekort aan arbeidsartsen. Vijfentwintig jaar geleden werkte ik al mee aan een visietekst over de hervorming van het gezondheidstoezicht. Ook toen was het structurele tekort aan arbeidsartsen een gekend probleem. Het debat is dus niet nieuw.
In 2019 kwamen dan ook de “aanvullende medische handelingen”: tussentijdse checks door verpleegkundigen om te bepalen of een werknemer sneller bij de arbeidsarts moet passeren. Geen afbraak van kwaliteit, wel een rationelere inzet van schaarse expertise. Of dat was toch de intentie.
En eind vorig jaar mocht ik een werkgroep van medisch directeurs voorzitten waarin we samen een conceptnota uitwerkten voor een toekomstgerichte hervorming. Gevalideerd door de algemeens directeurs en aangescherpt in constructief overleg met overheid, inspectie en sociale partners. Het doel: de regels opnieuw aligneren met wat we eigenlijk willen bereiken. Beschikbare expertise inzetten waar ze het meeste verschil maakt. Vertrouwen combineren met controle. Dus ik hoop dat dit alles in de komende weken effectief finaal “landt”.
Dat vraagt iets moeilijks: durven kijken naar het doel achter de regel.
Regels geven houvast. Ze beschermen tegen willekeur. Maar ze mogen nooit het denken vervangen. Zodra naleving belangrijker wordt dan impact, verliezen we energie op de verkeerde plek.
Dat is wat ik mijn dochter wou uitleggen. Dat regels wel nodig zijn om een systeem eerlijk en voorspelbaar te houden. Maar dat je daarnaast altijd mag (en moet!) blijven nadenken over het waarom. En dat echte innovatie zelden ontstaat door braaf binnen de lijntjes te kleuren.
Tot slot: hieronder een leuk filmpje van AI-robots die de mist ingaan.
15/02/2026
Er komt in een carrière een moment waarop je niet langer wordt betaald om de beste expert in de kamer te zijn, maar om ervoor te zorgen dat de kamer goed functioneert.
Dat klinkt abstract, maar het is een fundamentele verschuiving.
Jarenlang was mijn reflex eenvoudig: Iemand legt een probleem op tafel, en ik begin te analyseren. Structuur zoeken in complexiteit. Fouten detecteren. Alternatieven formuleren. Oplossingen verfijnen. Dat was mijn natuurlijke habitat. Inhoudelijk sterk zijn is comfortabel. Je krijgt er erkenning voor, en het resultaat is zichtbaar: een beter advies, een scherpere analyse, een doordachter besluit.
Maar in mijn huidige rol merk ik steeds vaker dat precies dat niet meer de kern van mijn opdracht is. Als ik nog altijd degene ben die de inhoudelijke finesse moet aanbrengen, dan stel ik mezelf de verkeerde vraag. Niet: “Hoe lossen we dit op?”, maar: “Waarom hangt dit opnieuw bij mij?”
De sprong die hierachter zit, is minder hiërarchisch dan mentaal. Ze gaat niet over titel of mandaat, maar over perspectief. Waar ik vroeger vooral keek naar het optimaliseren van een dossier, moet ik nu kijken naar het hertekenen van de structuur waarbinnen dat dossier ontstaat. Waar ik vroeger zelf de nuance aanbracht, moet ik nu eigenaarschap afdwingen. Waar ik vroeger vooral inhoud toevoegde, moet ik nu kaders scherpstellen.
Dat is minder tastbaar werk. Niemand complimenteert je omdat een organigram logischer is geworden of omdat verantwoordelijkheden expliciet zijn vastgelegd. En toch merk ik dat precies daar de echte hefboom zit. Een probleem één keer goed oplossen is bevredigend. Een systeem zo inrichten dat het probleem niet meer terugkomt, is duurzamer.
Het confronterende is dat succes er in deze rol anders uitziet. Het wordt minder zichtbaar in individuele prestaties en meer in collectieve maturiteit. Een vergadering is geslaagd wanneer de juiste mensen zelf beslissingen nemen, wanneer discussies korter worden omdat het mandaat helder is, en wanneer ik minder moet spreken om toch richting te geven.
Dat vraagt ook iets van identiteit. Ik heb altijd veel energie gehaald uit intellectuele uitdaging en inhoudelijke diepgang. Het gevoel dat je de materie doorgrondt en er betekenis aan geeft, blijft aantrekkelijk. Maar leiderschap op dit niveau betekent dat je niet langer moet bewijzen dat je de slimste bent. Het betekent dat je de voorwaarden creëert waarin anderen hun expertise maximaal kunnen inzetten. Dat is minder spectaculair dan zelf excelleren, maar uiteindelijk impactvoller.
Ik merk dat dit ook mijn communicatiestijl verandert. Mijn reflex is nog vaak om te verklaren, te nuanceren en te reconstrueren wat er precies misliep. Maar op directieniveau is het belangrijker om te kaderen, samen te vatten en te beslissen. Minder uitleg, meer richting. Niet elke discussie vraagt om volledige analyse; soms vraagt ze om duidelijkheid en opvolging.
Dat voelt voor mij als een verschuiving waar ik nog elke dag in moet groeien. De focus gaat minder naar mijn eigen inhoudelijke bijdrage en meer naar de structuur waarbinnen anderen hun werk doen. Minder naar “wat denk ík hierover?”, meer naar “is hier helder wie beslist, wie uitvoert en wie aanspreekbaar is?”. Dat vraagt een andere reflex die ik nu bewust train.
Dit is op dit moment dus mijn belangrijkste leerpunt. Niet automatisch in de inhoud duiken wanneer het complex wordt, maar eerst kijken of het kader klopt. Niet zelf het antwoord formuleren, maar zorgen dat de juiste mensen met mandaat het antwoord kunnen geven. Als dat lukt, verschuift de impact van persoonlijk naar systemisch. Minder zichtbaar misschien, maar fundamenteler.
08/02/2026
Ik had het in mijn hoofd al geklasseerd als een “noodzakelijk kwaad”. Alleen vergat ik daarbij één detail: ik hou er eigenlijk van om nieuwe dingen te leren.
Deze week volgde ik een driedaagse opleiding: de EASA Aircrew Licensing Training Course 1178/2011 and Amending Regulations. Drie volle dagen, in een periode waarin mijn to-dolijst weg heeft van een hydra: elke taak die je afwerkt, lijkt er minstens twee nieuwe voor in de plaats te zetten.
En bovendien had mijn voorganger laten vallen dat deze opleiding “niet evident” was. Een Ierse lesgever, zeer technische terminologie met tientallen afkortingen. Break-outsessies met presentaties om je inhoudelijke kennis te testen over het begeleidend “easy access rules”-document van de EASA – European Union Aviation Safety Agency van… 1869 pagina’s. En dan ook nog een examen op het einde.
Maar hij was er wel door geraakt; wat de lat voor mij op een vrij efficiënte manier hoger legde. Met mijn reputatie voelde falen niet als een leerervaring, maar als een kleine imagocrisis in wording. Interessant hoe snel je dan merkt dat je innerlijke puber nog steeds gevoelig is voor wat de buitenwereld zou kunnen denken.
Maar goed, keuze was er niet echt. Als nieuwe Accountable Manager van Attentia Aviation Medical, het erkend aeromedisch centrum in Zaventem voor piloten en cabin crew, hoort dit er gewoon bij. Dus: laptop open, Zoom aan, en duiken.
De lesgever, Brian, gaf les vanuit Dublin. Op de achtergrond hoorde je de wind rond zijn kantoor gieren, alsof de Ierse meteorologie persoonlijk betrokken partij was in de cursus. We waren met vijftien deelnemers uit bijna evenveel landen: Azerbeidzjan, Portugal, Zweden, Oostenrijk, San Marino, Servië, Turkije, Moldavië… Een soort Eurovisie, maar dan met meer afkortingen en minder glitter.
En afkortingen, die waren er. AMC, AltMoC, ARA, ORA, FCL, LAPL… De eerste uren voelde het alsof ik in een taalbad was beland zonder zwembandjes. Niet omdat de uitleg onduidelijk was, integendeel, maar omdat nieuw vakjargon en een vlot gesproken Iers accent (dat ik overigens heel charmant vond klinken) tegelijk binnenkwamen.
Maar gaandeweg begon ik patronen te zien. Structuur. Logica. Het wettelijk kader, de rol van autoriteiten, opleidingscentra, aeromedische centra, de criteria voor verschillende types piloten, cabinepersoneel, luchtvaartuigen… Achter die ogenschijnlijke berg regels zat een verrassend doordacht systeem. Complex, ja. Maar niet willekeurig.
In de break-outsessies kwam ik terecht in de rol van “designated speaker”: samenvatten, structureren, terugkoppelen. Dat had trouwens niets met inhoudelijke voorsprong of zo te maken. Veel deelnemers waren inhoudelijk bijzonder sterk; vaak véél sterker dan ik, als actieve piloten of medewerkers van DTO’s, met jaren praktijkervaring, maar minder comfortabel om dat in het Engels of namens de groep te brengen. Er is bovendien nog altijd een verschil tussen ergens expert in zijn en die kennis op tien minuten tijd in een coherente PowerPoint gieten. En ik had tijdens de sessies al wat (flauwe) mopjes gemaakt, dus ze hadden wellicht zoiets van: oké, jij praat graag; dan mag jij het uitleggen.
En het examen? Dat viel uiteindelijk behoorlijk mee. Ik had me dus voor niets zenuwachtig gemaakt. Ik verdenk mijn voorganger er nu wel van dat hij me wat wou laten zweten; wel, dat is hem prima gelukt!
Nu, wat me tijdens het volgen van de cursus het meest verbaasde, was dat ik zowel de opleiding als het onderwerp zélf zo interessant vond, terwijl ik vooraf dacht: dit ligt ver van mijn normale interessegebied.
Achteraf bekeken is dat eigenlijk niet verrassend. “Intellectuele uitdaging” is een van mijn kernwaarden. Ik lééf ervan om bij te leren, om nieuwe domeinen te verkennen en werelden te ontdekken waar ik eerst nauwelijks iets van wist. In drie dagen is de luchtvaart voor mij geen abstracte sector meer, maar een ecosysteem met een eigen logica, geschiedenis en complexiteit. Een nieuwe laag van de wereld die is opengeklapt.
Het is trouwens dezelfde drijfveer die meespeelde toen ik de rol van Directeur Wellbeing Business opnam. Nieuwe context. Nieuwe vraagstukken. Nieuwe kennis. Blijkbaar functioneer ik het best net buiten mijn comfortzone, met één voet in het onbekende en de andere nog net op vaste grond.
Dat zie ik ook buiten het werk. Intussen ben ik bijna 250 dagen Spaans aan het leren via Duolingo. Ik kan ondertussen Spaanse series en films volgen in de originele taal, met Spaanse ondertitels. Groot voordeel: ik kan zonder schuldgevoel Netflix bingen, want “ik ben aan het leren”. Voor wie inspiratie zoekt: El Cuco de Cristal, Ciudad de Sombras en Bandidos zijn echte aanraders.
Dus wat ik vooral meeneem uit deze week, is dankbaarheid. Dankbaar dat ik deze opleiding “moest” volgen. Dat mijn wereld weer wat groter is geworden. Dat leren in interactie, met een lesgever en een groep deelnemers, een heel andere dynamiek heeft dan alleen met een boek of audioboek. Er zit energie in, uitwisseling, onverwachte vragen.
Dus ik ben nu al aan het denken hoe ik dat gevoel kan onderhouden. Misschien toch eens kijken naar een avondcursus via een CVO, gewoon om opnieuw in een klas te zitten. Niet omdat het moet. Maar omdat het me opnieuw heeft doen realiseren dat leren voor mij geen taak is. Het is zuurstof.
01/02/2026
Onlangs zat ik vanuit mijn nieuwe rol voor het eerst in een vergadering met serieuze inzet, rond de tafel met mensen die op papier al gewicht in de schaal leggen nog vóór ze hun mond opendoen.
Maar het was een fijne meeting. Mensen bleken vriendelijk, aanspreekbaar, constructief. En ik deed ook gewoon mijn ding. Inclusief mijn trademark flauwe mopjes, die op het werk blijkbaar ondertussen als een soort identiteitsbewijs functioneren. (Als ik ooit mijn badge vergeet, ga ik gewoon een slechte woordspeling maken aan de receptie. Kijken of de slagboom dan vanzelf opengaat.)
Achteraf zei een collega: “Het ging goed hé! En goed dat je jezelf gebleven bent.”
Mijn eerste reflex was: ja, duh. Wie anders zou ik kunnen zijn? Maar ze verduidelijkte: sommige mensen veranderen in zulke situaties zichtbaar van gedaante. Alsof er plots een “corporate mode” wordt aangezet. Stijver, afstandelijker, gecontroleerder. Soms zelfs een ander vocabulaire. Dezelfde persoon, maar met een gladder jasje en minder zuurstof.
Soms zie je het ook in hun dagelijkse manier van werken: mensen met twee gezichten die zich totaal anders gedragen (en andere dingen verkondigen) tegenover collega’s dan tegenover hun leidinggevenden.
En hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik besefte: ze heeft gelijk. Niet alleen over die “maskers” (meestal uit onzekerheid, soms uit strategie, zelden uit pure slechtheid), maar ook over iets fundamentelers: we dragen allemaal meerdere persona’s in ons. Niet als toneelspel, maar als contextgevoelige versies van dezelfde mens.
Ik ben bijvoorbeeld niet dezelfde persoon op het werk als thuis. Niet beter of slechter, gewoon anders. Op het werk ben ik meer richting, meer tempo, meer “we gaan dit oplossen”. Thuis ben ik meer “we zien wel”, maar soms ook meer… “waar is mijn iPhone en wie heeft mijn geduld verstopt?”
En ik zie hetzelfde bij anderen. Mijn echtgenote gedraagt zich anders bij haar ouders dan bij ons. Dat is niet “onecht”. Dat is relationele zwaartekracht: sommige contexten trekken automatisch een andere kant van je naar voren. Zoals een ruimte waar je plots weer 14 bent, zelfs al heb je ondertussen een hypotheek en een mening over isolatiewaarden.
De voorbije twee jaar hebben dat thema voor mij ook een extra laag gegeven. Iets minder dan twee jaar geleden overleed mijn moeder, en vijf maanden geleden mijn vader. En sindsdien zal ik ook nooit meer “de zoon” zijn in de levende betekenis van het woord. Dat deel van mij is mee “gestorven”. Het is vreemd hoe hard identiteit ook afhankelijk is van wie er naar je kijkt. Sommige rollen bestaan alleen zolang de andere kant van de relatie bestaat.
En dan is er nog een andere waarheid: zelfs los van context verandert een mens. We doen graag alsof we één stabiele kern hebben: “ik ben nu eenmaal zo”, maar als je eens echt terugkijkt naar jezelf van tien jaar geleden, dan zie je meestal een ander persoon. De meeste mensen erkennen dat zonder veel moeite. Alleen onderschatten ze vervolgens hoeveel ze in de komende tien jaar nog gaan veranderen. Alsof verandering een verhaal is dat achter je ligt, niet voor je.
Dat kan beangstigend klinken: je blijft niet wie je nu bent. Maar dat hoeft geen slecht nieuws te zijn. Verandering is ook groei.
Ik merk die verandering bij mezelf heel concreet in kleine symbolen. Jarenlang droeg ik op mijn jas een pin met een esculaap. Arts zijn, en medisch directeur, was niet gewoon een job, maar een stuk identiteit. Ik wilde dat ook tonen. Ik had zelfs in elke nieuwe wagen een herbruikbare sticker die ik dertig jaar geleden kreeg, om duidelijk te maken dat ik arts was.
Met daaronder een kleine, stille bijgedachte: als er straks een zwaar ongeval gebeurt en iedereen kijkt naar mij alsof ik MacGyver met een stethoscoop ben… dan ga ik hopeloos tekortschieten. Een mix van trots en verantwoordelijkheidsgevoel, gecombineerd met een vleugje imposter syndrome. Mijn brein kon dat perfect samen laten bestaan.
Onlangs kreeg ik een nieuwe wagen. En ik was vergeten die sticker opnieuw te plakken. En een paar dagen later dacht ik: ach, laat maar zo. En de esculaap-pin heb ik ook verwijderd. Niet omdat ik plots geen arts meer ben, maar omdat ik nu de hele organisatie vertegenwoordig, niet enkel het medisch departement.
In de plaats draag ik nu een pin met “don’t panic”. Wat verrassend vaak toepasselijk blijkt.
Want een groot deel van mijn meerwaarde in deze nieuwe rol is niet dat ik alles al weet. Het is dat ik rust kan brengen. Stabiliteit. Zelfzekerheid. Niet als toneel, maar als anker: “we lossen dit op, stap voor stap.” Dat is geen masker. Dat is een functie. En tegelijk: ook een keuze. De persoon die ik wil zijn in een omgeving waar veel beweegt.
Dus ja: in een korte tijd ben ik al niet meer exact dezelfde persoon als enkele maanden geleden. En dat is ok. Zolang ik maar kan blijven houden van de persoon die ik word.
Mijn omgeving zal dat wel mee bewaken. Mijn gezin is daar bijzonder efficiënt in. Niets zo corrigerend als twee dochters en een partner die je al te goed kennen. En ook op het werk heb ik een aantal collega’s die me “bij de orde” houden, waarbij één blik volstaat om je hele managementdeck te laten crashen 😉.
“Jezelf zijn” betekent dus niet dat je overal dezelfde versie van jezelf moet tonen. Het betekent dat je versies kloppen. Dat ze voortkomen uit waarden, niet uit angst. Dat je je niet kleiner maakt om erbij te horen, en jezelf niet groter maakt om indruk te maken.
Dus als je in een high stakes meeting gewoon jezelf kunt blijven (mét je flauwe mopjes) dan breng je ook de beste versie van jezelf. Oh, en wat je ook doet: don’t panic.
25/01/2026
Wie de voorbije weken rond zich keek, kon er moeilijk naast kijken: het is ziekenboeg-tijd. In mijn omgeving (privé én professioneel) vallen opvallend veel mensen uit. Verkoudheden, griepachtige toestanden, covid… noem een luchtwegvirus en het circuleert. Niet toevallig heeft de overheid op 15 januari het aandachtsniveau voor luchtweginfecties verhoogd naar code oranje. Dat betekent concreet: hoge circulatie van luchtwegkiemen en merkbare druk op het zorgsysteem.
En dan hebben we net de nieuwjaarsrecepties achter de rug.
Honderden mensen samen in één zaal. Veel gesprekken. Veel lachen. Veel handen schudden. Veel kussen (jubilarissen verdienen dat). Achteraf bekeken hebben we collectief een reeks perfecte superspreaderevents georganiseerd. Met hapjes en drankjes.
Ik merk het nu dus op het werk. Na de recepties zijn opvallend veel collega’s ziek. Sommigen echt flink. Zo van dat kaliber waarbij “even uitzieken” ineens een week (of meer?) betekent. Het is wat gebeurt als je virussen, winter en sociale nabijheid combineert.
En toch… wat is het alternatief? Online nieuwjaarsrecepties misschien?
Ik herinner het me nog, ten tijde van covid. (Is het al zover gekomen dat ik zo begin te spreken? Enfin, vijf jaar geleden dus.) We deden de nieuwjaarsreceptie digitaal. Iedereen netjes in zijn eigen vierkantje, micro op mute, glas in de hand, chatberichten met “gelukkig nieuwjaar!”. Het was goed bedoeld. Het was veilig. En het was… echt niet hetzelfde. De energie ontbrak. De toevallige gesprekken. Het gevoel van samen starten.
Dit jaar had ik bovendien extra veel expositie. Nieuwe rol, veel ontmoetingen, veel handen geschud, veel mensen gesproken. Ik heb dus eigenlijk alle redenen gehad om ook prijs te hebben. En toch ben ik (tot dusver!) gespaard gebleven.
Dat voelt bijna verdacht.
Ik kan me eerlijk gezegd de laatste keer niet herinneren dat ik écht ziek ben geweest van een luchtweginfectie. Vroeger was dat anders. Minstens één keer per jaar lag ik er goed af. De laatste keer dat ik me echt herinner, was in 2021: covid, behoorlijk ziek, en daarna nog maanden nasleep. Hardnekkige hoofdpijn. En een detail dat me vooral is bijgebleven: plots kon ik geen audioboeken meer aan dubbele snelheid volgen. Waar 2x vroeger mijn standaard was, werd 1,75x ineens mijn plafond. Het was een vreemde, maar zeer concrete reminder dat mijn brein even niet mee wilde.
Sindsdien heb ik wel verkoudheden gehad hoor. Inclusief een voor omstaanders bijzonder amusante Barry White-stem. Maar echt geveld? Dat niet.
Is er iets veranderd? Niet spectaculair. Ik leef niet plots ascetisch. Ik ben geen gezondheidsgoeroe geworden. Ik ben wel sinds een paar jaar regelmatig gaan mediteren, maar tien minuten per dag lijkt me geen wondermiddel voor het immuunsysteem. Of heb ik gewoon een selectief geheugen gekregen? Ik hou al meer dan tien jaar een dankbaarheidsdagboek bij: elke dag drie dingen waar ik dankbaar voor ben. Dat traint je aandacht richting het positieve. En wie weet vergeet ik daardoor sneller het gedoe.
Misschien heb ik gewoon geluk gehad. Dat kan ook. En heb ik binnen elke dagen wél flink prijs…
Wat we wél weten, is dat algemene weerbaarheid helpt. Genoeg slaap. Beweging. Regelmaat. Groenten en fruit. Geen exotische biohacks, gewoon basics. En op het werk kunnen we ook dingen doen: ventilatie is geen detail, maar een basisvoorwaarde. Frisse lucht is nog altijd een van de meest onderschatte preventiemaatregelen.
De aanpak aan de bron zou natuurlijk zijn: geen nieuwjaarsrecepties meer. Of alles online. Maar where’s the fun in that?
Misschien is dit er gewoon een van die ongemakkelijke spanningsvelden. Tussen gezondheid en verbondenheid. Tussen risico’s beperken en leven laten gebeuren. Volledige veiligheid bestaat niet, maar achteloosheid is ook geen strategie.
De winter gaat nog even duren. De virussen ook. Zorg dus goed voor jezelf en voor elkaar. En als je je deze weken wat mottig voelt: het ligt waarschijnlijk niet aan jou. Het is gewoon… winter, mensen en microben. In die volgorde 😉.
18/01/2026
Rond deze tijd van het jaar duikt ze weer op: de winterdip. Geen groot drama, geen klinische depressie, maar dat diffuse gevoel van minder energie, minder scherpte, minder goesting. Alles kost nét iets meer moeite. Je bent moe, maar slapen helpt niet echt. Je bent prikkelbaar, zonder duidelijke aanleiding. En tegen de tijd dat je denkt: “Het zal wel aan mij liggen”, zit half januari er alweer op.
De dagen zijn kort. Het licht is schaars. En ons lichaam is daar gevoelig voor. Minder zonlicht verstoort onze biologische klok en zorgt voor hogere melatoninespiegels. Dat hormoon doet precies wat het moet doen: ons slaperig maken. Alleen… in de winter staat het systeem wat te lang “aan”. Het gevolg is een sluimerende vermoeidheid die niet verdwijnt met een extra uur slaap.
Dat verklaart ook waarom dit zo breed voorkomt. Dit is geen individueel falen in veerkracht. Dit is biologie.
Er wordt in deze periode graag verwezen naar Blue Monday: de zogezegd meest deprimerende dag van het jaar. Leuk voor krantenkoppen en koffiemachinegesprekken, maar inhoudelijk weinig relevant. Dat hele concept blijkt achteraf vooral een slimme pr-stunt te zijn geweest. De winterdip daarentegen, die is wél reëel. En vooral: ze is behandelbaar.
Wat helpt, is eigenlijk behoorlijk banaal: Licht. Beweging. Buiten zijn. Sociale contacten. Geen spectaculaire life hacks, geen heroïsche zelfdiscipline. Gewoon dingen die ons lichaam al duizenden jaren verwacht.
Gisteren had ik, eerlijk gezegd, meer dan genoeg te doen; allerhande taken en klusjes waar je in de week niet aan toekomt. Zo’n dag waarop “even pauzeren” aanvoelt als tijdverlies. Maar de zon scheen. En rond de middag ben ik gewoon even buiten gaan zitten. Vijftien minuten. Niets doen. Geen scherm. Geen doel. Gewoon zitten en licht vangen. Een soort luie meditatie.
Zo’n kwartiertje is rustgevend voor het hoofd. En tegelijk een kleine vorm van lichttherapie. Bonuspunten voor vitamine D inbegrepen.
Had ik ook kunnen gaan sporten? Natuurlijk. Mijn voeding kunnen finetunen? Absoluut. Maar soms is preventie ook gewoon: de lat laag genoeg leggen zodat je er effectief over geraakt. En vijftien minuten zonnen lukte nog net 😁.
We moeten de winterdip niet dramatiseren, maar ook niet wegrelativeren. Het is een seizoenseffect, geen karaktertrek. En seizoenen vragen aanpassing, geen zelfverwijt.
Dus mocht je merken dat alles wat trager gaat, dat je minder scherp bent of sneller zucht dan anders: het is goed mogelijk dat het geen gebrek aan motivatie is, maar gewoon een gebrek aan licht. En daar kan je dus eenvoudig iets aan doen.
11/01/2026
De voorbije weken merk ik dat mijn werk steeds vaker draait rond één onderliggend thema: keuzes maken. Niet de kleine keuzes (“welke mail eerst?”), maar de grote: waar ga ik mijn aandacht, energie en overtuigingskracht op zetten zodat het ook echt verschil maakt?
Dat is een clichézin, ik weet het. “Focus op impact.” Staat op ongeveer elk managementdeck sinds 1936. Maar in een nieuwe rol krijgt die zin plots tanden. Want “the bigger picture” opvolgen klinkt stoer, tot je beseft dat het vooral betekent dat je niet meer overal kan (en mag) induiken. Dat je niet langer de luxe hebt om elke knikker zelf te tellen.
En toen moest ik opnieuw denken aan Oliver Burkeman en zijn Four Thousand Weeks, waar ik het in juni vorig jaar nog uitgebreid over had. Een boek dat eigenlijk geen time managementboek is, maar een vriendelijk verpakte existentiële schop onder de kont. De kern: je tijd is eindig. Punt. En dat is geen probleem dat je moet oplossen met betere tools, maar een realiteit die je moet omarmen met betere keuzes.
Vierduizend weken. Dat is ongeveer wat een mens gemiddeld krijgt. En ja, ik heb ook nog even opnieuw gerekend hoeveel weken ik er al gedachtenloos doorgejaagd heb. Niet aan te raden bij het ontbijt.
Wat Burkeman zo scherp blootlegt, is dat productiviteit vaak een val is. Elke truc om sneller te werken, trekt gewoon meer werk aan. Wie snel mails verwerkt, krijgt er meer. Wie zijn takenlijst optimaliseert, produceert vooral… een langere takenlijst. Het idee dat je ooit “klaar” zult zijn is een fata morgana. Je kunt er een heel leven naartoe lopen en toch sterf je met ongelezen mails. Dat klinkt dramatisch, maar ook bevrijdend: het betekent dat “alles afwerken” geen zinvol doel is.
In dat licht is het oude verhaal van stenen, knikkers en zand nog steeds bruikbaar. De bokaal is je agenda (en stiekem ook je leven). De stenen zijn de grote dingen: strategische projecten, richting geven, moeilijke knopen doorhakken, bouwen aan mensen en cultuur. De knikkers zijn de nuttige kleinere taken. En het zand is… de rest. Brandjes. Vergaderingen die soms eerder dienen om te bewijzen dat iedereen het druk heeft.
De les is bekend: als je begint met zand, passen de stenen er niet meer in. Dat is precies waar strategisch werken botst met dagelijkse realiteit. De urgentie komt altijd met groot licht binnen. Impact komt meestal stil binnen, zonder sirene, en verdwijnt weer als je niet bewust ruimte maakt. De belangrijkste prio’s zijn zelden de luidste.
De echte uitdaging is niet zozeer “prioriteiten bepalen” dan wel ze te beschermen. Tegen je eigen reflex om toch nog “even snel” die mail zelf te beantwoorden, dat ene dossier op te lossen. Tegen de verleiding om bereikbaar te zijn voor alles en iedereen. Tegen de illusie dat je professioneel bent als je overal onmiddellijk op reageert.
Ik voel dat ik dit jaar meer moet kiezen voor de stenen. Niet omdat de knikkers of het zand onbelangrijk zijn, maar omdat de stenen mijn job zijn. Dat vraagt ook om een ongemakkelijke vaardigheid: “nee” zeggen zonder schuldgevoel, en aanvaarden dat sommige dingen niet gebeuren.
Zodra je dat accepteert, wordt het rustiger in je hoofd. Niet omdat je minder te doen hebt, maar omdat je helderder weet wat de bedoeling is. Dan wordt je agenda geen slagveld meer, maar een kompas. En dat is uiteindelijk wat je als leidinggevende nodig hebt: richting. Niet drukte.
Dus mijn experiment voor 2026 is simpel. Minder zand. Meer stenen.
04/01/2026
Een nieuw jaar heeft iets eigenaardigs. Alsof er ergens een denkbeeldige scheidingslijn ligt tussen “toen” en “vanaf nu”, netjes afgelijnd door vuurwerk, bubbels en een paar generaties familietradities. Mensen (ik incluis) gebruiken dat moment graag als kapstok om goede voornemens aan op te hangen. Alsof we collectief doen alsof de rommel, het gedoe en de onafgewerkte stukken van vorig jaar netjes in de oude doos blijven zitten, samen met de kerstversiering.
De realiteit werkt helaas met minder theatrale dramaturgie.
Wat geweest is, blijft meestal gewoon mee over de drempel stappen. En wie denkt dat een nieuw jaar automatisch een nieuw mens maakt, botst vaak ergens half januari al op de eerste krasjes in dat frisse laagje verf. Er is een reden waarom studies steevast aantonen dat twee derde van alle goede voornemens het einde van de maand niet haalt. Mark Twain had dat al lang door: “Now is the accepted time to make your regular annual good resolutions. Next week you can begin paving hell with them as usual.”
Mild ironisch. Maar ook behoorlijk accuraat.
Ik wil daarmee niet cynisch doen. Integendeel. Ik geloof sterk in doelen, richting, keuzes. Alleen heb ik de voorbije jaren gemerkt dat goede voornemens zelden mislukken omdat mensen niet genoeg moeite doen. Ze mislukken omdat ze te weinig verankerd zijn. Te abstract. Te losgekoppeld van wie je bent en waarom je iets wilt.
Het klassieke advies is bekend: maak je doelen SMART. Specifiek, meetbaar, realistisch… Dat heb ik zelf ook jaren gedaan. In 2016 had ik me bijvoorbeeld voorgenomen om elke week een artikel te schrijven. Keurig afgelijnd, strak in een plan gegoten. En eerlijk is eerlijk: dat werkte (waarover ik begin 2017 dan ook pochte). Maar pas toen ik er ook een systeem van opvolging en bijsturing bovenop legde, merkte ik wat een hefboom zo’n ritme kan zijn. Ik schopte het dan ook in het volgende jaar tot 101 artikels, puur omdat ik wist waar ik stond en waar ik naartoe wilde.
En tegelijk leerde ik ook de keerzijde kennen. Zodra ik merkte dat ik de magische grens van 100 zou halen, viel de extra drive weg. Het doel werd een plafond in plaats van een springplank.
Sindsdien heb ik iets anders geleerd: systemen en doelen zijn nuttig, maar identiteit en waarden zijn bepalend.
Niet: “Ik wil meer schrijven.” Wel: “Ik bén een schrijver.”
Niet: “Ik moet meer sporten.” Wel: “Ik wil iemand zijn die tot op hoge leeftijd vitaal en actief blijft.”
Dat maakt het verschil tussen discipline als iets wat je voortdurend moet forceren, en gedrag dat logisch volgt uit wie je wilt zijn. Joggen omdat “het gezond is” houdt zelden lang stand. Joggen omdat je het leven wilt kunnen blijven meemaken; mét energie, mét bewegingsvrijheid… nou, dàt is een andere categorie.
Schrijven werkt voor mij net zo. Ik doe dat niet voor zichtbaarheid, niet als KPI, niet als trofee. Ik schrijf al heel mijn leven. Soms publiek, soms half verborgen, soms voor een niche van drie mensen. Het is een uiting van enkele van mijn kernwaarden: intellectuele uitdaging, en het delen van ideeën en inzichten. Zodra ik dat benoemde, werd de keuze makkelijker. Een serie op Netflix bingewatchen of meerdere teksten schrijven? Doomscrollen op social media of een nieuw idee uitwerken? De beslissing werd zo telkens een no-brainer. Gewoon consequent zijn met wie ik probeer te zijn.
In 2025 heb ik die keuze bewuster dan ooit gemaakt. Het resultaat: 535 artikels en nog een reeks andere teksten die niet voor deze nieuwsbrief bedoeld zijn. Niet omdat ik mezelf een harde productiedoelstelling had opgelegd (al had ik wel een richtinggevend streefgetal van 300; dat ik vervolgens gaandeweg een paar keer heb bijgesteld). Maar ik heb dit aantal vooral bereikt omdat “ik ben schrijver” me meer richting gaf dan “ik moet meer schrijven”.
Daar zit voor mij ook de essentie van goede voornemens.
Begin niet bij het doen, maar bij het zijn. Niet bij “wat moet ik veranderen?”, maar bij “wie wil ik zijn/worden, en waarom?”. Laat daden daaruit volgen. Hou bij, stuur bij, leer onderweg. En (last but not least) wees mild wanneer je eens struikelt. Want identiteit is geen perfectie, het is hernemen.
Een nieuw jaar verandert ons niet automatisch. Maar het kan wel een mooi moment zijn om even te kijken of wie we dagelijks zijn, nog klopt met wie we willen worden.
En als dat al één voornemen oplevert, is dat misschien meer dan genoeg.
21/12/2025
==Het einde van het jaar heeft iets bijzonders. Zoals ik in een eerdere nieuwsbrief al aangaf: in december staat iedereen collectief op de tippen van hun tenen. Alsof we nog één laatste sprint inzetten, terwijl het parcours al maanden bergop loopt.==
==De dagen zijn kort. Dat speelt op het gemoed, daar valt weinig romantiek aan toe te voegen. Tegelijk is de druk hoog: alles wat “nog vóór het jaareinde” moest gebeuren, wil plots ook effectief gebeuren. Projecten, dossiers, beslissingen, gesprekken die al weken “even geparkeerd” stonden, komen tegelijk terug uit die parking gereden. Met groot licht.==
==En dan is er plots de vakantie. Officieel om “de batterijen op te laden”. Wat op zich al een interessante framing is, bedenk ik me nu: werk als iets dat je leegzuigt, vakantie als een stopcontact. Alsof het doel is om jezelf weer net voldoende op te laden om daarna opnieuw leeg te lopen. Dat model heeft zo zijn beperkingen. Anyway.==
==Vakantie nemen is één ding. Echt vakantie zijn, is iets anders.==
==Want het gebeurt ook wel eens dat we fysiek wel stoppen, maar mentaal niet. We blijven malen over wat de voorbije weken is misgelopen. Over wat beter had gekund. Over wat begin januari ongetwijfeld meteen weer op ons bord zal liggen. We zijn dan zogezegd weg van het werk, maar het werk is hardnekkig meegekomen. In handbagage.==
==Nochtans is er een vrij eenvoudige waarheid: wat gebeurd is, is gebeurd. Dat kan je nadien zinvol bekijken, analyseren, duiden. En wat nog moet komen, dat komt sowieso. Daar helpt geen extra piekerminuut tegen. Maar dít moment – echt dit moment – dat is het enige waar je nu effectief iets mee kunt.==
==En dat is precies waar het vandaag moeilijker lijkt dan vroeger. Social media helpen niet bepaald. De subtiele druk om te tonen hoe leuk het wel is. Hoe mooi de plek, hoe sjiek het restaurant, hoe perfect het gezin aan tafel. Alsof vakantie pas echt telt wanneer ze ook gevalideerd is door voldoende likes.==
==Ik schrijf dit terwijl ik in de Efteling ben. En ja I know, dat zou op zich ook een voorbeeld kunnen zijn van hoe het níét moet: schrijven terwijl je “in het moment” zou moeten zijn. Maar schrijven is voor mij óók een zenmoment, dus ik reken dit onder toegelaten uitzonderingen. Wat ik níét doe: foto’s posten, verhalen delen, likes verzamelen. Die apps staan figuurlijk in de koelkast. Ik kijk er sporadisch naar. Niet uit morele verhevenheid, maar uit zelfbescherming.==
==Ik ben hier met mijn gezin. En dat is genoeg.==
==Met dit alles wil ik ook niet beweren niet dat terugblikken fout is. Integendeel, dat kan een bijzonder waardevolle oefening zijn, zeker op het jaareinde. En vooruitkijken is minstens even zinvol; een goede voorbereiding vergroot de kans dat je een toekomst krijgt die je ook echt wilt meemaken. Maar leven doe je niet in retrospectie of in planning. Leven doe je in het nu.==
==Het verleden is voorbij. De toekomst is nog niet gebeurd. Maar dit moment – dit ene, concrete moment – dàt is het leven. Altijd.==
==Misschien is dat wel de echte uitnodiging van het einde van het jaar. Niet om nog harder te lopen. Niet om alles af te sluiten, op te lossen of glad te strijken. Maar om af en toe bewust te stoppen. Te deconnecteren. Niet alleen van mails en apps, maar ook van die interne ruis die zegt dat je ergens anders zou moeten zijn dan waar je nu bent.==
==De rest komt later wel. Dat doet het altijd.==
==PS. Volgende week, de laatste zondag van het jaar, sla ik deze nieuwsbrief een keertje over. Ook dat hoort bij deconnecteren. We zien elkaar daarna wel weer.==
14/12/2025
==Het voelt alsof “onzekere tijden” de nieuwe baseline zijn. Het conflict Rusland-Oekraïne blijft nieuwe hoofdstukken krijgen. Volgende week neemt de Europese Commissie een beslissing over Euroclear (we weten al welke) en half Europa vraagt zich af hoe Poetin (én Trump) daarop gaan reageren. De NAVO-baas waarschuwt dat “wij het volgende doelwit zijn”. Het Rode Kruis biedt noodpakketten aan en ze zijn sneller uitverkocht dan concerttickets van Taylor Swift. Je zou voor minder beginnen nadenken of je nog genoeg toiletpapier in huis hebt.==
==Laat me duidelijk zijn: ik wil dit niet minimaliseren. Er zijn reële risico’s. Er is geopolitieke spanning. En dan heb ik het niet eens over de klimaatverandering of de AI-revolutie/hype/bubbel. En nee, het is geen complot van de media om ons allemaal permanent licht nerveus te houden (al helpt het algoritme wel enthousiast mee). Maar wat me opvalt, is dat hardnekkige gevoel: alles verandert zo snel; de toekomst is nog nooit zo onzeker geweest.==
==Dat gevoel is oud. Ouder dan Twitter. Ouder dan televisie. Ouder zelfs dan kranten.==
==Stel je even een lijfeigene voor in de middeleeuwen. Geen idee of de oogst dit jaar zou lukken. Hongersnood lag altijd op de loer. Oorlog was geen breaking news, maar een seizoensgebonden risico. En als dat al niet volstond, was er nog de pest, tuberculose of een andere infectieziekte die zonder aankondiging kon langskomen. Spoiler: hun stressniveau was vermoedelijk niet laag.==
==Of neem Europa tussen 1939 en 1945. Dat waren ook geen “rustige tijden met wat geopolitieke ruis op de achtergrond”. Dat waren existentiële onzekerheden, dag na dag. De decennia erna waren (voor Europa althans) een ongekende periode van economische en politieke stabiliteit. En toch… ook toen dachten mensen: dit is erger dan ooit. “Werken aan mijn toekomst – voordat de bom valt”, zong Doe Maar cynisch. Achteraf bekeken weten we hoe het is afgelopen. In het moment zelf wist niemand dat.==
==Dat is misschien de kern: onzekerheid voelt altijd absoluut terwijl je erin zit. Achteraf krijgt ze context, nuance, relativering. Maar vooruitkijken blijft gokken. En dat is geen bug van het leven, dat is het leven. Als we de toekomst perfect konden voorspellen, zou er ook weinig ruimte overblijven voor keuze, groei of betekenis.==
==De meeste dingen waar mensen zich zorgen over maken, lopen trouwens achteraf gezien best mee. Montaigne verwoordde het een paar eeuwen geleden al fijntjes: Ma vie a été pleine de malheurs terribles, dont la plupart ne sont jamais arrivés. Vrij vertaald: mijn leven zat vol rampen; de meeste ervan zijn nooit gebeurd.==
==Onzekerheid is trouwens niet alleen iets voor geopolitiek. Ook dichter bij huis voelen we ze. Externe preventiediensten zitten midden in zo’n periode. Twee belangrijke koninklijke besluiten komen eraan, met een behoorlijke impact. Het KB Re-integratie 3.0, dat op 1 januari 2026 van kracht wordt (de tweede lezing is gepasseerd op de Ministerraad van 12 december), is al behoorlijk stevig: meer responsabilisering van werkgevers, een verplicht actief verzuimbeleid, werknemers bij wie tussen acht weken en zes maanden arbeidspotentieel moet worden ingeschat, arbeidsartsen die via Trio moeten afstemmen met adviserend en behandelend artsen… Het is geen cosmetische ingreep, het is een structurele verbouwing.==
==Maar de echte verschuiving moet nog komen. Het tweede KB zal het gezondheidstoezicht grondig hertekenen. Denk aan meer autonome taken voor verpleegkundigen, zoals dat in de curatieve sector al langer ingeburgerd is, en aan een arbeidsarts die vaker in tweede lijn opereert. Het is een evolutie die ik al meer dan tien jaar zie aankomen; ik kan mijn oude slides er nog bijhalen, met als enige update het woord “AI”.==
==De conceptnota ligt er, het overleg met FOD WASO en Toezicht op het Welzijn op het Werk verliep zeer constructief, en het gesprek met de sociale partners staat binnenkort op de agenda. Het KB zelf moet nog geschreven worden, maar dat het er komt, staat voor mij buiten kijf. De vermoedelijke inwerkingtreding is 1 januari 2027. Dat klinkt comfortabel ver weg, tot je beseft hoe snel een jaar voorbij is. En ja, dat zorgt nu al voor onrust. Terecht ook; we zullen onszelf helemaal moeten reorganiseren.==
==En toch… ik kijk ernaar uit.==
==Niet omdat onzekerheid comfortabel is. Dat is ze niet. Maar omdat ze ook ruimte creëert. Hoe vaak krijg je de kans om jezelf, en je hele aanpak, opnieuw uit te vinden? Om bestaande modellen niet gewoon te optimaliseren, maar ze echt in vraag te stellen. Om iets dat ooit perfect paste, opnieuw relevant te maken voor de volgende twintig jaar.==
==De voorbije weken heb ik me intellectueel mogen uitleven. En het komende jaar, en het jaar daarna, beloven zó boeiend te worden. Complex, ja. Soms chaotisch ook. Maar betekenisvol. En dat weegt voor mij zwaarder dan de drang naar schijnzekerheid.==
==Dat is de paradox van “onzekere tijden”: ze confronteren ons met wat we niet controleren, maar ze nodigen ons tegelijk uit om bewust te kiezen hoe we ermee omgaan. Panikeren kan altijd. Denken ook. Bouwen zelfs.==
==En voorlopig hou ik het bij dat laatste. Met voldoende toiletpapier, dat wel. Je weet maar nooit.==
07/12/2025
==Het is weer die tijd van het jaar. De agenda’s lopen vol. Projecten die “nog snel voor het einde van het jaar” moeten afgerond worden, duiken ineens op uit alle hoeken. Evaluaties, budgetten, targets, rapporten, afsluitingen, planningen voor volgend jaar… alles wil tegelijk bestaan. En dat allemaal terwijl het buiten om half vijf al donker is en het lichaam collectief lijkt te fluisteren:== “Zullen we anders gewoon even niét?”
==Maar nee. We doen voort.==
==Elk jaar stel ik vast dat we verbaasd zijn over dezelfde dingen. Dat mensen moe zijn. Prikkelbaar. Minder geduldig. Sneller overprikkeld. Dat vergaderingen stroever lopen. Dat conflicten sneller ontstaan. Dat fouten toenemen. En toch spreken we erover alsof het een uitzonderlijke omstandigheid is. Alsof december ons dit jaar onverwacht heeft besprongen, gewapend met eindejaarsdrukte en een gebrek aan daglicht.==
==Terwijl… dit script kennen we ondertussen uit het hoofd.==
==Ik herken het ook bij mezelf. De neiging om te denken:== “Nog even doorbijten, het is bijna vakantie.” ==Alsof vermoeidheid zich netjes aan een kalender houdt. Alsof energie op 25 december plots automatisch weer wordt bijgevuld, samen met de gourmet-schotel. Spoiler: zo werkt het dus niet.==
==En we beschouwen vermoeidheid dan ook nog eens vaak als een individueel probleem. Iets dat je moet oplossen met beter slapen, meer wandelen, mindfulness of een dankbaarheidsdagboek. Allemaal nuttige dingen, absoluut. Maar tegelijk organiseren we collectief wel een systeem dat piekbelasting exact samenlegt met de donkerste weken van het jaar. Dat is een beetje zoals verbaasd zijn dat je nat wordt nadat je bewust zonder paraplu in de regen bent gaan staan.==
==We moeten durven eerlijk zijn: dit is geen toeval, dit is ontwerp. En wat ontworpen is, kan ook herontworpen worden.==
==Wat als we volgend jaar al in de zomer beslissen: “in november en december plannen we geen nieuwe strategische trajecten meer”? Wat als we zeggen: “in december geen grote veranderprojecten, behalve wat écht niet anders kan”? Wat als we piekperiodes niet langer behandelen als een persoonlijk falen in veerkracht, maar als een collectieve verantwoordelijkheid in planning?==
==En tegelijk geldt dat natuurlijk ook op persoonlijk vlak. Waarom blijven we doen alsof we in december dezelfde draagkracht moeten hebben als in juni? Alsof donkere dagen geen impact mogen hebben. Alsof het normaal is dat werkdruk, sociale verplichtingen, familie-etentjes, cadeaustress en eindjaarsreflecties allemaal netjes op elkaar gestapeld worden. Dat is geen balans, dat is Tetris op expertenniveau.==
==Misschien zit wijsheid niet in nóg beter leren volhouden, maar in beter leren doseren. In een agenda die niet alleen rekening houdt met deadlines, maar ook met draagkracht. In het besef dat winter geen fout is die we moeten wegoptimaliseren, maar een seizoen dat iets anders vraagt dan zomer.==
==Voor mij is dit alvast een oefening in realisme. In mildheid ook. Naar mezelf, en naar anderen. Want als ik merk dat ik sneller zucht, minder geduld heb of ’s avonds leeg in de zetel plof, dan probeer ik niet meteen te denken dat er iets mis is met mij. Dan probeer ik te denken:== “Ah ja. December.”
==Laat ons dus stoppen met doen alsof dit elk jaar een verrassing is. En zachtjes beginnen nadenken hoe we het volgend jaar iets menselijker kunnen organiseren. Op het werk. Thuis. In ons hoofd.==
==Dat lijkt me een mooie eindejaarsdoelstelling. Zonder vooropgestelde KPI, maar met wel veel kans op rendement.==
30/11/2025
==Sommige weken zijn een soort mentale pingpongwedstrijd: het hoofd tikt van het ene domein naar het andere, telkens met een compleet andere snelheid, taal en zwaartekracht. Deze week had ik twee meetings die zo anders waren dat ze gerust in parallelle universums hadden kunnen plaatsvinden.==
==De eerste: een vergadering als medisch directeur, met collega’s die dezelfde taal spreken. Niet alleen letterlijk, maar ook inhoudelijk. We doorliepen een tekst die ik als co-voorzitter van een werkgroep had opgesteld. De input was scherp, constructief, doordacht. Het soort feedback waarvan je spontaan rechtop gaat zitten. Het was zo’n meeting waarin alles klopte: inhoud, tempo, onderlinge dynamiek.==
==Achteraf zeiden verschillende collega’s dat we hier later misschien op zouden terugkijken als een “historisch moment”. Ik kan dat moeilijk inschatten, historiek laat zich pas achteraf schrijven, maar ik voelde wel:== hier gebeurt iets goeds==. Hier zit ik thuis. Competent. Zeker.==
==En dan… de andere vergadering.==
==Nieuwe rol. Nieuwe horizon. Nieuwe terminologie. Ik zat als directeur wellbeing business in een budgetmeeting, en daar werd ik plotseling ondergedompeld in een financieel dialect waar ik de eerste vijftien minuten vooral probeerde te== kijken ==alsof ik mee was. “Capex”, “opex”, “progressieplan”, “KPI-alignment”, “consolidatie over business lines heen”… fascinerend hoe één vergadering een mens kan doen verlangen naar een Duolingo-cursus “Financieel voor Beginners”. Ik voelde me even een vis uit het water. Een vis die niet alleen uit het water is, maar ondertussen ook een Excel-sheet moet begrijpen.==
==En dat vroeg natuurlijk om een interne dialoog. Zo eentje waarbij mijn rationele en emotionele kant het zwaard opnemen en hoffelijk duelleren.==
==De emotionele kant:== “Waarom heb je de rol die je zó graag deed en waarin je je eindelijk competent voelde (na jaren van imposter syndroom) in godsnaam ingeruild voor een functie waar je nog de helft moet ontdekken?”
==De rationele kant, licht zuchtend:== “Omdat je dat zelf wou. Omdat leren belangrijk is. Omdat je anders zou gaan vervelen. En omdat groei nu eenmaal gebeurt buiten de zones waarin je alles al weet.”
==En eerlijk? Die laatste heeft gelijk, hoe irritant dat soms ook is.==
==Want ik wíl leren. Dat is een van mijn kernwaarden. Ik wíl nieuwe dingen begrijpen. En dat houdt ook dat frisse, soms ongemakkelijke gevoel in van beginner zijn. Best confronterend om na jaren expertise opnieuw te landen in een domein waar je nog geen vanzelfsprekende reflexen hebt. Dat je ’s avonds even denkt: “Misschien had ik eerst een financieel woordenboek moeten lezen voor ik deze meeting binnenstapte.”==
==En tegelijk: het is goed zo. Het is juist zo. De komende maanden zal ik die nieuwe taal beter leren spreken, op mijn tempo, in mijn stijl. Ik meen het wanneer ik zeg dat ik zin heb in die groei. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het zinvol is.==
==Dus dat is mijn boodschap van deze week: soms zit je in een vergadering waarin alles klopt, en soms zit je in een vergadering waarin alles nieuw is. Maar in beide gevallen ben je aan het bouwen. En dat is uiteindelijk waar het om draait. Groei is zelden lineair. Soms voelt het als een historische mijlpaal, soms als Duolingo voor CFO’s. Maar altijd als leven.==
23/11/2025
De afgelopen weken stonden in het teken van keuzes maken. Mooie keuzes, vind ik zelf. Een nieuwe functietitel, een nieuwe rol, nieuwe verantwoordelijkheid. En nu ook: een nieuwe medisch directeur aangeduid. Een beslissing waar ik achter sta, met volle overtuiging. Op 1 december start hij/zij officieel, maar in mijn hoofd is het proces eigenlijk al afgerond. En toch voelt het anders dan verwacht.
Want eerlijk: ik heb het er moeilijker mee dan ik dacht — niet met de beslissing zelf, wel met wat ze symboliseert. Acht jaar lang was het medisch toezicht “mijn” team. Mijn dagelijkse context, mijn bubbel, mijn kompas. De plek waar ik spontaan binnenliep om iets te bespreken, waar ik discussies voerde over KB’s, re-integraties, moeilijke casussen, kwaliteitsissues… en ja, soms ook over wie nu weer vergeten was om het keukentoestel af te wassen.
En nu gaat die dynamiek onvermijdelijk veranderen. Niet verdwijnen, maar wel verschuiven. Als algemeen directeur en directeur wellbeing business heb ik een bredere horizon, meer dossiers, een ander ritme. Meer helikopter, minder cockpit. Ik weet dat dit logisch is — en zelfs noodzakelijk — maar dat maakt het niet per se gemakkelijk.
Het voelt een beetje zoals wanneer je je kind voor het eerst alleen laat fietsen: je bent apetrots, je wéét dat het tijd is voor de volgende stap, maar je zou tegelijk graag nog één vinger op het zadel houden. Gewoon… voor de zekerheid. Niet omdat je denkt dat het kind gaat vallen, maar omdat jij nog moet wennen aan het idee dat je niet meer de enige bent die stuurt.
Dat is ongeveer hoe ik me nu voel. De rationele kant van mij zegt: dit is goed, dit is juist, dit is het moment. De emotionele kant blijft zachtjes morren: “Maar ga je ze dan minder zien? Minder horen? Minder voelen?”
(Die innerlijke monoloog klinkt altijd wat dramatischer dan de realiteit. Mijn hoofd had waarschijnlijk een succesvolle carrière kunnen hebben in de Vlaamse soapwereld.)
Tegelijk ben ik vooral dankbaar. Dankbaar dat ik dit acht jaar heb mogen doen. Dankbaar dat ik dit team heb zien groeien, botsen, leren, terug opstaan, en blijven gaan. En vooral: dankbaar dat ik nu met een gerust hart kan loslaten. Ik heb er namelijk alle vertrouwen in dat de nieuwe medisch directeur dit uitstekend gaat doen — en zelfs nog beter dan ik op sommige domeinen. Dat is geen valse bescheidenheid; dat is gewoon hoe leiderschap hoort te evolueren.
Loslaten betekent trouwens niet verdwijnen. Ik ga niet verhuizen naar een digitale hut in de Ardennen. Ik blijf bij Attentia, ik blijf aanspreekbaar, ik blijf me engageren in het medisch toezicht — zij het vanuit een andere stoel. Een stoel met een breder zicht, meer verantwoordelijkheden en (hopelijk) een betere rugleuning.
Maar de komende weken ga ik ook gewoon even stilstaan bij dat kleine rouwkantje dat bij elke verandering hoort. Want afscheid nemen van een rol die je gevormd heeft, is ook afscheid nemen van een stukje identiteit. En dat mag even schuren.
Het mooie is: elke keer dat ik in mijn carrière iets moest loslaten, kwam er iets bij dat ik vooraf niet had kunnen voorzien. Meer ruimte, meer inzicht, meer perspectief. Ik ga ervan uit dat dat nu opnieuw zo zal zijn.
En intussen blijf ik gewoon doen wat me de meeste energie geeft: reflecteren, schrijven en bouwen aan iets dat groter is dan mezelf. Functietitels veranderen. Relaties blijven. En sommige rollen draag je altijd een beetje mee, zelfs als iemand anders het roer overneemt.
Misschien is dat uiteindelijk de kern: leidinggeven is een estafette. Je loopt zo hard en zo goed als je kunt, en op het juiste moment geef je de stok door — niet omdat je stopt, maar omdat de race doorgaat.
16/11/2025
De voorbije weken kreeg ik veel felicitaties voor mijn nieuwe functie. Warm, genuanceerd, soms onverwacht. En ja: ik ben daar blij om. Maar mijn eigen gevoel is niet veranderd. Ik voel me niet “meer aangekomen” dan ervoor. Geen plots kantelpunt, geen nieuw soort innerlijke voltooiing.
Dat bracht me terug bij een uitspraak van Jim Carrey: “I think everybody should get rich and famous… so they can see that it’s not the answer.” Het klinkt als Hollywood-cynisme, maar het raakt aan iets herkenbaars: succes voelt zelden zoals we denken. De euforie is echt, maar kort. En daarna volgt gewoon opnieuw… het leven. Met dezelfde gedachten en onzekerheden als ervoor.
In de psychologie noemen ze dat de arrival fallacy: het idee dat geluk aan de overkant van een mijlpaal ligt. Maar zodra je er staat, blijkt de berg gewoon een heuvel, en rolt de steen alweer verder naar het volgende doel.
Wat ik de voorbije weken vooral besefte, is dat vervulling zelden in een functietitel zit. Ze zit in bouwen, in scherpe keuzes maken, in samenwerken, in richting geven, in kleine stappen vooruit. In weten dat je iets doet waar je zelf achter staat. Zoals ze in Cool Runnings zeggen: “If you’re not enough without it, you’ll never be enough with it.”
Dus ja, ik ben wel degelijk blij met de nieuwe uitdaging, en ik ga daar ook volledig voor gaan. Maar wat ik vooral wil blijven doen, met welke titel dan ook, is groeien, leren en informatie delen. Want voor mij zit het echte plezier niet in het “aankomen”, maar in het onderweg zijn.
09/11/2025
Dinsdag was het zover: fotoshoot op het werk, omdat mijn nieuwe functie publiek bekendgemaakt werd. Voor sommige mensen is dat een leuke afwisseling in de werkweek. Voor mij voelt het alsof iemand vraagt om spontaan te tapdansen terwijl honderd collega’s toekijken. Ik weet dan niet waar ik mijn armen moet laten, hoe ik moet lachen, of waarom mijn haar precies altijd lijkt te doen alsof het zelf ontslag wil nemen.
Dat haar… Het plan was nochtans om eerst naar de kapper te gaan. Maar kapperszaken zijn voor mij ongeveer wat tandartsen zijn voor anderen: noodzakelijk, maar toch iets waar je vreemd genoeg altijd nét geen tijd voor vindt. Een tijd lang heb ik gewoon de tondeuse bovengehaald; handig, maar het resultaat liet me er uitzien alsof ik me voorbereid had op een rol in Full Metal Jacket. De voorbije jaren heb ik verschillende kappers geprobeerd, telkens met wisselend succes. Eén keer was het echt perfect: goede prijs, strakke coupe, nul verplichte smalltalk. Maar ja, dat was in Belek, Turkije. Niet meteen de meest haalbare tweemaandelijkse uitstap. Misschien moet ik gewoon eens een Turkse kapper in de buurt proberen.
Enfin, daar stond ik dan. Te lang haar. Scheve glimlach. Te veel foto’s. En ons marketingteam dat die beelden nu waarschijnlijk gebruikt alsof het een nieuwe Marvel-franchise is. Hun persbericht werd opgepikt door HR Magazine, HR Square en door ZigZagHR op LinkedIn gedeeld. Dat laatste leverde warme reacties op, ook van mensen die ik al twintig jaar niet meer had gezien. Het bracht heel wat herinneringen boven en deed me vooral beseffen hoe veel geluk ik al heb gehad: ik heb veel verschillende rollen mogen opnemen, en ik heb met heel fijne mensen samengewerkt.
Als ik terugkijk, zie ik ook dat ik me in het verleden vaak druk maakte over zaken die achteraf gezien minder belangrijk bleken. Dat is nog altijd een beetje mijn natuur: ik ben iemand die zich betrokken voelt, die dingen goed wil doen. Dat is een voordeel, maar soms duw ik mezelf daarmee richting “in het rood”. Tegenwoordig probeer ik bewust af en toe op de rem te gaan staan. Eén van de hulpmiddelen is de 10-10-10-regel van Suzy Welch. Heel eenvoudig: hoe ga ik me over deze beslissing voelen binnen 10 minuten, binnen 10 maanden en binnen 10 jaar? Het is frappant hoeveel ruis daarmee meteen verdwijnt.
Door de jaren heen heb ik trouwens een heel arsenaal aan technieken verzameld: ACT, mindfulness, affectieve afstand nemen, dankbaarheidsankers, klankborden, bias-checks, cognitive offloading… Voor bijna elke uitdagende situatie heb ik ondertussen wel een soort mentale schroevendraaier (als ik er in het moment aan denk om die te gebruiken). Misschien moet ik ze ooit eens opschrijven. Of misschien laat ik het best aan de al bestaande zelfhulpboeken over… er bestaan er ondertussen genoeg om een appartementsblok mee te isoleren.
Maar goed: nieuwe functie, nieuw hoofdstuk. En misschien… eindelijk eens een nieuwe kapper.
02/11/2025
Een van de dingen die me het meest drijft, is kennis delen. Altijd al geweest. Schrijven is daarbij mijn favoriete vorm: het helpt me nadenken, ordenen, uitleggen. In 2007 begon ik met een blog (toen dat nog hip was), en jarenlang verschenen mijn artikels in vakbladen. Dat was leuk, tot ik merkte dat steeds meer van mijn teksten achter een betaalmuur verdwenen. En dat begon voor mij wat te wringen: ik schrijf niet om kennis op te sluiten, maar om ze te verspreiden.
Dus besloot ik eind vorig jaar om het roer om te gooien. Sinds begin dit jaar publiceer ik vooral rechtstreeks op LinkedIn. Hier zit mijn publiek, en ik hou van de interactie die ontstaat. Al heeft ook deze oplossing z’n grenzen. LinkedIn houdt niet van externe links (zoals naar een blog), en zelfs mijn volgers krijgen niet altijd te zien wat ik post. Zo las ik onlangs op Reddit dat zelfs een nieuwsbrief als deze vaak niet bij alle (ondertussen zo’n 1200) abonnees terechtkomt.
Omdat ik graag dingen uitprobeer, begon ik deze zomer met iets nieuws: ik bundelde mijn artikels van juli en augustus in een boek van 352 pagina’s, mét de bijhorende afbeeldingen in kleur. Intussen heb ik ook alle maanden van dit jaar verwerkt tot aparte bundels, van januari tot oktober, en dat blijf ik doen. Je vindt ze op Amazon, via deze link. Ik hou de prijs zo laag mogelijk, want dit gaat me niet om winst, wel om bereik.
Wat ik verder nog wil doen met al dat schrijfwerk, weet ik nog niet precies. Misschien toch weer een eigen website? Een nieuwsbrief die écht in je mailbox komt? Een podcast? TikToks 😉? Voorlopig laat ik het even rijpen… ik combineer op dit moment wat veel functies om diep te kunnen graven. Maar suggesties zijn welkom.
Deze week publiceerde ik vijf artikels op mijn Linkedinpagina.
Hieronder vind je alle artikels van deze periode, in chronologische volgorde.
De slimste in de kamer (en waarom dat niet langer mijn opdracht is)
Er komt in een carrière een moment waarop je niet langer wordt betaald om de beste expert in de kamer te zijn, maar om ervoor te zorgen dat de kamer goed functioneert.
Dat klinkt abstract, maar het is een fundamentele verschuiving.
Jarenlang was mijn reflex eenvoudig. Iemand legt een probleem op tafel, en ik begin te analyseren. Structuur zoeken in complexiteit. Fouten detecteren. Alternatieven formuleren. Oplossingen verfijnen. Dat was mijn natuurlijke habitat. Inhoudelijk sterk zijn is comfortabel. Je krijgt er erkenning voor, en het resultaat is zichtbaar: een beter advies, een scherpere analyse, een doordachter besluit.
Maar in mijn huidige rol merk ik steeds vaker dat precies dat niet meer de kern van mijn opdracht is. Als ik nog altijd degene ben die de inhoudelijke finesse moet aanbrengen, dan stel ik mezelf de verkeerde vraag. Niet: “Hoe lossen we dit op?”, maar: “Waarom hangt dit opnieuw bij mij?”
De sprong die hierachter zit, is minder hiërarchisch dan mentaal. Ze gaat niet over titel of mandaat, maar over perspectief. Waar ik vroeger vooral keek naar het optimaliseren van een dossier, moet ik nu kijken naar het hertekenen van de structuur waarbinnen dat dossier ontstaat. Waar ik vroeger zelf de nuance aanbracht, moet ik nu eigenaarschap afdwingen. Waar ik vroeger vooral inhoud toevoegde, moet ik nu kaders scherpstellen.
Dat is minder tastbaar werk. Niemand complimenteert je omdat een organigram logischer is geworden of omdat verantwoordelijkheden expliciet zijn vastgelegd. En toch merk ik dat precies daar de echte hefboom zit. Een probleem één keer goed oplossen is bevredigend. Een systeem zo inrichten dat het probleem niet meer terugkomt, is duurzamer.
Het confronterende is dat succes er in deze rol anders uitziet. Het wordt minder zichtbaar in individuele prestaties en meer in collectieve maturiteit. Een vergadering is geslaagd wanneer de juiste mensen zelf beslissingen nemen, wanneer discussies korter worden omdat het mandaat helder is, en wanneer ik minder moet spreken om toch richting te geven.
Dat vraagt ook iets van identiteit. Ik heb altijd veel energie gehaald uit intellectuele uitdaging en inhoudelijke diepgang. Het gevoel dat je de materie doorgrondt en er betekenis aan geeft, blijft aantrekkelijk. Maar leiderschap op dit niveau betekent dat je niet langer moet bewijzen dat je de slimste bent. Het betekent dat je de voorwaarden creëert waarin anderen hun expertise maximaal kunnen inzetten.
Dat is minder spectaculair dan zelf excelleren, maar uiteindelijk impactvoller.
Ik merk dat dit ook mijn communicatiestijl verandert. Mijn reflex is nog vaak om te verklaren, te nuanceren en te reconstrueren wat er precies misliep. Maar op directieniveau is het belangrijker om te kaderen, samen te vatten en te beslissen. Minder uitleg, meer richting. Niet elke discussie vraagt om volledige analyse; soms vraagt ze om duidelijkheid en opvolging.
Dat voelt voor mij als een verschuiving waar ik nog elke dag in moet groeien. De focus gaat minder naar mijn eigen inhoudelijke bijdrage en meer naar de structuur waarbinnen anderen hun werk doen. Minder naar “wat denk ík hierover?”, meer naar “is hier helder wie beslist, wie uitvoert en wie aanspreekbaar is?”. Dat vraagt een andere reflex die ik nu bewust train.
Dit is op dit moment dus mijn belangrijkste leerpunt. Niet automatisch in de inhoud duiken wanneer het complex wordt, maar eerst kijken of het kader klopt. Niet zelf het antwoord formuleren, maar zorgen dat de juiste mensen met mandaat het antwoord kunnen geven. Als dat lukt, verschuift de impact van persoonlijk naar systemisch. Minder zichtbaar misschien, maar fundamenteler.
—
Mijn professionele rol verandert, en mijn nieuwsbrief lijkt mee te veranderen. Minder expertcommentaar, meer systeemdenken en leiderschapsreflectie.
De vraag is niet wat “beter” is, maar wat voor jullie, mijn beste lezers, het meest relevant is. Lees je deze nieuwsbrief vooral voor inzichten in het welzijnsdomein, of net voor de reflecties? Laat het me gerust weten. Ik schrijf alleen, maar niet in het luchtledige.
Deze week publiceerde ik zes artikels op mijn LinkedInpagina. Het stuk over psychische klachten als gevolg van de manier waarop werk georganiseerd is, werd veruit het meest gelezen en lokte ook meerdere inhoudelijke reacties uit.
Ook de bijdragen over het voorstel om rookkamers in ondernemingen wettelijk af te schaffen (en de spanning met de realiteit op de werkvloer), over AI op het werk en over het gebruik van buzzwords in organisatiecommunicatie werden goed opgepikt.
Daarnaast schreef ik over het verhoogde overlijdensrisico door COPD in de bouwsector en over de ramadan in werkcontext.
Wat me trouwens opvalt: ook eerdere nieuwsbrieven worden nog regelmatig bekeken en gelezen na publicatie. Blijkbaar blijft de inhoud circuleren, wat mijn eerdere vraag alleen maar relevanter maakt.
Hieronder vind je alle artikels van deze periode, in chronologische volgorde.