Artikel

Woon-werkongeval: wat telt eigenlijk als “verblijfplaats”?

Een arbeidsongeval op weg naar het werk lijkt op het eerste gezicht eenvoudig te definiëren. Maar wat als de werknemer niet vertrekt van de officiële woonadres, maar bijvoorbeeld van bij een familielid waar die tijdelijk logeert? Het Arbeidshof van Brussel boog zich daarover in een arrest van 17 maart 2025. De uitspraak verduidelijkt een belangrijk principe: een werknemer kan meerdere “verblijfsplaatsen” hebben, en die kunnen elk het vertrekpunt zijn van een geldig woon-werktraject.

Het geval: een poetsmedewerker overvallen op weg naar het werk

Een werkneemster uit Halle, actief in de schoonmaaksector, vertrok op 1 februari 2021 om 5u30 van bij haar zus in Sint-Gillis om op tijd op haar werk te zijn in het Europees Parlement. Ze werd onderweg het slachtoffer van een poging tot diefstal met geweld en liep lichamelijke en psychische letsels op.

De arbeidsongevallenverzekeraar weigerde echter tussenkomst, met het argument dat het ongeval niet plaatsvond “op de weg van de woonplaats naar het werk” zoals bedoeld in artikel 8 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Volgens de verzekeraar was de woning van de zus “geen officiële verblijfplaats”.

De zaak kwam voor de arbeidsrechtbank, die oordeelde dat het ongeval wél op het normale traject gebeurde. De verzekeraar ging in beroep, maar het Arbeidshof van Brussel bevestigde het eerdere vonnis.

Juridisch kader: wat zegt de wet?

De Arbeidsongevallenwet definieert het “woon-werktraject” als de normale weg die de werknemer aflegt tussen de verblijfplaats en de werkplek (en omgekeerd). De wet erkent ook twee vormen van toegelaten omwegen: voor carpooling en voor het brengen of ophalen van kinderen.

De kernvraag in deze zaak was dus: wat betekent “verblijfplaats”?

Volgens het Hof kan dit zowel de hoofdverblijfplaats als een secundaire verblijfplaats zijn, zolang de werknemer daar de intentie heeft om zich er (tijdelijk) te vestigen. Met andere woorden: niet het administratieve adres telt, maar de reële situatie en de bedoeling van de werknemer.

De redenering van het Hof

Het Hof stelde vast dat de werkneemster regelmatig bij haar zus overnachtte, vooral wanneer haar zoon haar ’s morgens niet kon brengen naar het station. Dat maakte de overnachting in Sint-Gillis geen toevallige uitzondering, maar een herhaald en doelgericht patroon.

De rechter oordeelde dus dat dit adres wél als een tweede verblijfplaats kon worden beschouwd. De intentie van de werkneemster was immers duidelijk: ze verbleef daar om haar verplaatsing naar het werk mogelijk te maken.

De rechtbank herinnerde er ook aan dat de werknemer het normale karakter van het traject moet aantonen, maar dat dit mag gebeuren met feitelijke vermoedens; logische gevolgtrekkingen op basis van bekende omstandigheden (zoals herhaald gedrag, getuigenissen, vervoersmogelijkheden). De rechter heeft ruime beoordelingsvrijheid om die vermoedens te waarderen.

Wat betekent dit voor werkgevers en preventieadviseurs?

Deze uitspraak herinnert eraan dat het begrip woon-werkverkeer ruimer is dan enkel de route vanaf het officieel domicilieadres.

Dit betekent concreet:

  • Veronderstel niet te snel dat een ongeval “buiten traject” valt. Wanneer een werknemer tijdelijk elders verblijft met een aantoonbare logica (zoals praktische of familiale redenen), kan dat juridisch wel degelijk als verblijfplaats gelden.
  • Documenteer het traject en de omstandigheden. Vraag de werknemer bij een aangifte van woon-werkongeval om de context te verduidelijken: waar vertrok men, waarom, en hoe frequent gebeurt dat?
  • Sensibiliseer over veilige verplaatsingen, ook bij variabele vertrekpunten. Ongevallen gebeuren vaak in de vroege of late uren, bij vermoeidheid of in onveilige wijken.
  • Wees voorzichtig met snelle conclusies van verzekeraars. Een weigering op basis van een te enge interpretatie van “verblijfplaats” kan later juridisch onhoudbaar blijken.

Reflectie: de realiteit is complexer dan het adres op de identiteitskaart

Onze mobiliteit is flexibel: we logeren bij familie, werken hybride, combineren meerdere werkplekken. De wet volgt langzaam, maar de rechtspraak toont dat rechters bereid zijn rekening te houden met die realiteit.

Dus niet het administratieve hokje bepaalt wat een “normaal traject” is, maar de redelijke intentie van de werknemer.

Een preventieadviseur die dat begrijpt, kan niet alleen beter adviseren bij aangiftes, maar ook bijdragen aan een rechtvaardige behandeling van werknemers die, soms letterlijk, tussen twee werelden bewegen.