Een verzekeraar of werkgever die een arbeidsongeval betwist, grijpt bijna altijd naar dezelfde drie argumenten: het slachtoffer veranderde zijn verhaal, meldde te laat, en het ging maar om een banaal gebaar. Het arbeidshof van Luik veegde die drie op 15 mei 2026 alle drie van tafel, in een dossier waarin een ziekenhuismedewerker vier jaar na haar val alsnog gelijk kreeg. Voor wie betwiste ongevallendossiers beoordeelt, is dit arrest een handleiding in wat wél en niet standhoudt.

Wat er gebeurde: een verzwikte enkel en een dossier dat vier jaar aansleepte
Een ziekenhuishulp in de dienst nucleaire geneeskunde struikelde op 6 oktober 2021 toen ze naar het keukentje liep. Haar enkel zwikte, de pijn bleef, maar ze werkte door in de veronderstelling dat het een lichte verstuiking was. Pas anderhalve maand later, na aandringen van collega’s om het te laten nakijken en een echografie, bleek er een scheur in de peesstructuur van de linkerenkel. Er volgde een operatie en een lange periode arbeidsongeschiktheid.
Het ziekenhuis, dat als publieke werkgever zelf over de erkenning beslist en Ethias als mandataris inschakelde, weigerde het ongeval te erkennen. De arbeidsrechtbank volgde die weigering nog. Maar in beroep draaide het hof de zaak volledig om. Het loont om te zien op welke gronden.
Een verklaring die evolueert, is nog geen tegenstrijdige verklaring
Het eerste verwijt was dat de vrouw haar verhaal steeds anders vertelde. Ze sprak achtereenvolgens van struikelen, van een enkel die wegzakte, van vallen, van opgevangen worden door een collega. Voor het ziekenhuis waren dat evolutieve, tegenstrijdige verklaringen die de geloofwaardigheid ondermijnden.
Het hof ging daar niet in mee. Struikelen, evenwichtsverlies en vallen liggen begripsmatig zo dicht bij elkaar dat het hof ze als gelijkwaardig behandelde, met een verwijzing naar de woordenboekdefinitie van “struikelen” als het verliezen van evenwicht. De kern (dat ze op 6 oktober struikelde) stond bovendien vast vanaf haar allereerste verklaring op 26 november en werd zelfs overgenomen in de ongevallenaangifte die het ziekenhuis zelf indiende. Of ze nu eerst haar enkel verzwikte en daarna viel, of omgekeerd: het hof noemt dat een randelement zonder belang voor de vraag of er een onvoorziene gebeurtenis was.
De les voor wie een dossier beoordeelt: variatie in woordkeuze is geen tegenstrijdigheid. Doorslaggevend is of de kern van het relaas constant blijft en of de randdetails de geloofwaardigheid echt aantasten, niet of elke formulering identiek is.
De wet legt het slachtoffer geen meldingstermijn op
Het tweede verwijt was het uitstel. De vrouw wachtte anderhalve maand voor ze het ongeval liet vaststellen en aangaf. Het hof stelt vast dat de wet aan het slachtoffer geen enkele termijn oplegt om een arbeidsongeval te melden. Haar uitleg (ze bleef doorwerken, dacht aan een lichte verstuiking, had twee jonge kinderen die vaak ziek waren en gaf voorrang aan hun verzorging) werd bevestigd door de attesten van twee collega’s. Het hof zag daarin niets schuldigs of verdachts.
Hier past een belangrijke waarschuwing, want dit arrest mag niet verkeerd gelezen worden. Dat er geen termijn geldt, slaat op de melding door de gewonde medewerker. Het staat volledig los van de aangifteplicht die op de werkgever rust. In de privésector moet de werkgever binnen acht kalenderdagen aangeven bij zijn verzekeraar; in de publieke sector, zoals hier, verloopt de aangifte via Publiato en blijft de werkgever verantwoordelijk. Dat een medewerker later mag melden zonder hun rechten te verliezen, ontslaat een organisatie dus niet van de eigen tijdige aangifte.
“Een banaal gebaar” is bijna nooit een geldige afwijzingsgrond
Het derde verwijt raakt de kern van het begrip arbeidsongeval. Het ziekenhuis argumenteerde dat een enkel die spontaan wegzakt terwijl iemand stilstaat, geen onvoorziene gebeurtenis is, maar een spontaan letsel: een banaal, alledaags gebaar zonder externe inwerking.
Het hof verwierp dat op grond van vaste cassatierechtspraak. De oorzaak van de onvoorziene gebeurtenis doet er niet toe en mag intern aan het lichaam liggen. Een val, een uitschuiver, een evenwichtsverlies of een verzwikking vormt op zich een onvoorziene gebeurtenis, ook zonder externe aanleiding en ook bij de normale, dagelijkse uitvoering van het werk. De vraag of het letsel spontaan ontstond, hoort volgens het hof niet thuis bij de onvoorziene gebeurtenis, maar bij het oorzakelijk verband, en dat verband wordt wettelijk vermoed zolang de werkgever het niet weerlegt.
Dit is het argument dat in de praktijk het vaakst opduikt en juridisch het zwakst staat. Wie een dossier afwijst met “het was maar een gewoon gebaar” of “de enkel zwikte vanzelf”, bouwt op een grond die de rechtspraak al lang heeft ondergraven. Ik heb hier in een eerder artikel ook al naar verwezen.
De kicker: wie bewijs laat liggen, staat zwak
Het ziekenhuis verweet de vrouw dat ze geen rechtstreekse getuige had laten verklaren, namelijk de collega die naast haar stond. Het hof draait dat verwijt om. De identiteit en het adres van die getuige stonden in de aangifte en in het formulier voor Ethias. De verzekeraar had die getuige dus prioritair kunnen ondervragen, maar liet dat na zonder enige uitleg, terwijl ze wel een andere getuige verhoorden. Elke partij is wettelijk verplicht mee te werken aan de bewijsvoering. Een werkgever die zich achter de bewijslast van het slachtoffer verschuilt en tegelijk het meest voor de hand liggende bewijs onaangeroerd laat, ondergraaft de eigen positie.
Dat sluit aan bij een eerder artikel in deze reeks, over het arrest van Bergen waarin een poetshulp na jaren alsnog erkenning kreeg. Waar dat stuk ging over het sluitend vastleggen van een ongeval, gaat dit over de gronden waarop een betwisting sneuvelt. Samen tekenen ze hetzelfde patroon: de rechter kijkt naar samenhang en waarschijnlijkheid, niet naar een perfecte, onveranderlijke verklaring.
Tot slot
Het hof erkende de onvoorziene gebeurtenis en stelde een deskundige aan om de gevolgen te begroten. De erkenning als arbeidsongeval is daarmee nog niet volledig rond, maar de drie klassieke afwijzingsgronden zijn wel verworpen. Voor preventieadviseurs en HR-professionals die zulke dossiers beoordelen of erover adviseren, biedt dit arrest concrete toetsstenen: een evoluerende verklaring is geen leugen, een laattijdige melding door het slachtoffer is op zich geen diskwalificatie, en “een banaal gebaar” houdt bijna nooit stand. Bovendien geldt de plicht tot medewerking aan de bewijsvoering voor beide partijen.
Wekelijks een persoonlijk essay plus het artikeloverzicht in je mailbox? Schrijf je in via onderstaande link.