Artikel

Stress als veiligheidsrisico

Een nieuw RIVM-rapport over distributiecentra legt de volgende vaststelling op tafel: psychosociale arbeidsbelasting (PSA) wordt in beleid, opleidingen én op de werkvloer behandeld als een welzijnskwestie, zelden als een veiligheidsfactor. Terwijl magazijnmedewerkers, leidinggevenden en veiligheidsprofessionals zelf aanvoelen dat tijdsdruk, ongewenst gedrag en baanonzekerheid bijdragen aan onveilige situaties; alleen ontbreekt de taal en de structuur om dat verband concreet te maken. Voor preventieadviseurs zit daar een blinde vlek die het overwegen waard is.

Van: Rapport RIVM, p. 30.


Het verschil tussen erkennen en herkennen is de eigenlijke bevinding

In een eerdere literatuurverkenning toonde het RIVM al aan dat PSA samenhangt met onveilig gedrag en arbeidsongevallen. Het vervolgonderzoek ging een stap verder: herkennen werkenden dat verband ook in hun eigen praktijk? De onderzoekers spraken 43 mensen in vier distributiecentra: magazijnmedewerkers, teamleiders, HR- en veiligheidsprofessionals.

Het antwoord is genuanceerd. Deelnemers erkennen in algemene zin dat PSA tot ongevallen kan leiden. Maar herkennen (dus concrete voorbeelden uit hun eigen werk noemen), dat doen ze veel minder vaak. Slechts één deelnemer kwam met een direct verband: een veiligheidsprofessional die had meegemaakt dat pestgedrag ontaardde in iemand die met een reachtruck een collega probeerde klem te rijden. Voor de rest blijft het bij vermoedens en aannemelijkheden.

Van: Rapport RIVM, p. 36.


Tijdsdruk is de enige factor die in de praktijk wordt herkend

Van de vier onderzochte PSA-factoren is tijdsdruk de enige die de meeste deelnemers concreet kunnen koppelen aan onveilig werken. Magazijnmedewerkers beschrijven hoe drukte leidt tot slordigheid, irritatie en vermoeidheid. Pallets worden niet goed gestapeld. Bochten worden afgesneden met de reachtruck. Veiligheidsregels schuiven naar de achtergrond op piekmomenten, juist op de momenten waarop ze het hardst nodig zijn.

De oorzaken van die tijdsdruk zijn vrij specifiek aan te wijzen: productienormen (vooral voor uitzendkrachten met teambonussen), personeelstekorten, seizoenspieken, technische storingen en onvoldoende inwerktijd voor nieuwe collega’s. Dat zijn allemaal hefbomen die liggen bij planning en bezetting, niet bij individuele veerkracht.

Van: Rapport RIVM, p. 27.


Ongewenst gedrag en baanonzekerheid worden vooral bij anderen gezien

Bij intern ongewenst gedrag (intimidatie, pesten, discriminatie) en baanonzekerheid wordt de relatie met veiligheid wel erkend, maar zelden in de eerste persoon. Deelnemers vermoeden dat gespannenheid en afleiding tot verminderde alertheid leiden, maar dat is meestal redenering, geen ervaring.

Alle geïnterviewde magazijnmedewerkers hadden een vast contract. Baanonzekerheid speelt volgens hen vooral bij uitzendkrachten en arbeidsmigranten, een groep die in dit onderzoek niet zelf is gehoord. De Onderzoeksraad voor Veiligheid stelt dat arbeidsmigranten 1,4 tot 5 keer meer kans hebben op een arbeidsongeval. Bij hen hangt baanbehoud bovendien vaak samen met behoud van woonruimte, wat de stress versterkt. Dat dit perspectief in het rapport ontbreekt is een methodologische beperking, maar wijst tegelijk op een blinde vlek in veel organisaties: de groep met de grootste blootstelling aan PSA-risico’s is ook de groep die het minst gehoord wordt.

Van: Rapport RIVM, p. 26.


Autonomie wordt niet echt als veiligheidsfactor gezien

Bij autonomie wordt niet echt een verband met arbeidsveiligheid gelegd. Magazijnmedewerkers ervaren weinig regelruimte: repetitief werk, vaste werktijden, geen invloed op de volgorde… maar zien dat niet als veiligheidsrisico. Sommigen vinden de structuur juist prettig. De internationale literatuur suggereert nochtans dat gebrek aan autonomie wel degelijk samenhangt met meer onveilig werkgedrag, onder meer via verveling en werken op de automatische piloot. Hier loopt de praktijkbeleving achter op wat onderzoek aanwijst.

Van: Rapport RIVM, p. 34.


In wetgeving en opleidingen ontbreekt de koppeling

De deskstudie van het RIVM is op dit punt tamelijk onthutsend. De Arbowet behandelt PSA als oorzaak van werkstress en verzuim, maar legt geen verband met arbeidsveiligheid. Van de tien benaderde mvk- en hvk-opleidingen reageerde de helft, en geen enkele benoemde de relatie tussen PSA en arbeids(on)veiligheid expliciet in het curriculum. Eén opleiding gaf zelfs aan dat PSA “meer op het terrein van de arbeids- en organisatiedeskundige” ligt. Alleen de NEN-ISO 45003-richtlijn legt het verband wel.

Het gevolg is voorspelbaar: HR werkt aan PSA, veiligheidsprofessionals werken aan ongevalpreventie, en de twee dossiers raken elkaar zelden. Veiligheidsprofessionals in het onderzoek geven dat ook expliciet aan: meerderen zeggen niet voldoende deskundig te zijn op PSA, of niet te weten wat ze vanuit hun rol concreet zouden moeten doen.

Van: Rapport RIVM, p. 42.


Wat dit betekent voor de preventiepraktijk

Het rapport is uitgevoerd in distributiecentra, maar de mechanismen zijn breder herkenbaar. Overal waar fysiek werk samenkomt met intern transport, productienormen en wisselende bezetting (afvalverwerking, metaal, voedingsindustrie, bouw, zorg) speelt dezelfde dynamiek. Een paar concrete handvatten:

  • Neem PSA-factoren expliciet op in de oorzakenanalyse van (bijna)ongevallen als reguliere onderzoeksvraag: was er sprake van tijdsdruk, vermoeidheid, conflict of afleiding op het moment van het incident? Zonder deze stap blijft de samenhang onzichtbaar in je eigen data.
  • Koppel het veiligheidsdomein en het PSA-domein in de risicoanalyse. Concreet: bespreek bij elk PSA-thema in de risicoanalyse ook de mogelijke veiligheidsconsequenties, en bij elk veiligheidsrisico of er PSA-factoren zijn die het risico verhogen.
  • Plan een gezamenlijk overlegmoment met HR en arbeidsarts over PSA en veiligheid. Niet over het algemene psychosociaal beleid, maar specifiek over de vraag: welke PSA-signalen zien wij die we onvoldoende terugzien in de ongevalsanalyse?
  • Behandel uitzendkrachten en arbeidsmigranten als een aparte risicocategorie in je analyse. Andere productienormen, andere inwerktrajecten, andere meldingsdrempel, andere taalbeheersing. Een generieke aanpak werkt voor deze groep aantoonbaar minder goed.
  • Vraag bij piekplanningen niet alleen naar capaciteit, maar ook naar inwerktijd. De beschikbaarheid van mensen is iets anders dan de beschikbaarheid van bekwame mensen, en dat onderscheid is direct relevant voor het ongevalsrisico tijdens piekperiodes.


Tot slot

Het RIVM-rapport bevestigt dat psychosociale arbeidsbelasting en veiligheid bij elkaar horen, maar zelden samen worden behandeld. De winst zit niet zozeer in nieuwe procedures of een extra hoofdstuk in het jaaractieplan, maar in het systematisch leggen van het verband; in de oorzaakanalyse, in het overleg met HR, in de gesprekken met leidinggevenden over wat ze écht zien op de vloer. Tijd is om de scheidslijn in eigen huis te doorbreken.