
Het ontwerp-KB RIT 3.0, dat vanaf 1 januari 2026 de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers moet hervormen, botst op forse bezwaren van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA). Hun advies (zie link) is ongewoon scherp en plaatst vraagtekens bij de proportionaliteit, transparantie en rechtsgrond van de voorgestelde gegevensuitwisselingen tussen artsen. Werkgevers en preventieadviseurs doen er goed aan waakzaam te blijven: de hervorming is op komst, maar nog lang niet afgeklopt.
Een ambitieus ontwerp met gevoelige randjes
De federale regering wil met het ontwerp-KB RIT 3.0 langdurige arbeidsongeschiktheid sneller, vroeger en efficiënter aanpakken. De nadruk ligt op meer samenwerking tussen actoren, snellere opvolging door werkgevers, en een digitaler, gestructureerd communicatietraject tussen adviserend arts, arbeidsarts en behandelend arts. Dat zou verlopen via het TRIO-platform.
Het ontwerp-KB bevat o.a. deze nieuwigheden:
-
De werkgever kan vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject opstarten.
-
Vanaf acht weken ziekte wordt de werkgever verplicht om een inschatting te maken van het arbeidspotentieel van de werknemer.
-
Werknemers kunnen preventief een traject aanvragen, óók voor ze uitvallen.
-
Arbeidsartsen kunnen medische info delen met adviserend en behandelend arts, mits toestemming van de werknemer.
-
Wie niet ingaat op een uitnodiging van de arbeidsarts, kan gesanctioneerd worden.
-
Werk bij een andere werkgever wordt mogelijk binnen het traject.
De GBA trekt aan de noodrem
De Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) zet in haar 48 pagina’s tellende advies van 16 juli 2025 meerdere rode vlaggen bij het ontwerp-KB RIT 3.0. Het besteedt maar liefst drie pagina’s enkel aan wat er aangepast moet worden. De kern van de analyse? Het ontwerp mist transparantie, bevat te vage en te brede formuleringen, en biedt onvoldoende rechtsgrond voor het verwerken en delen van gevoelige gezondheidsgegevens.
De GBA maakt zich vooral zorgen over het gebrek aan geïnformeerde toestemming, het risico op functievermenging tussen actoren (zoals arbeidsartsen en adviserend artsen), en de afwezigheid van duidelijke omschrijvingen van wie wat mag doen met welke data. Het uitgangspunt van de gegevensbescherming (minimale gegevensverwerking, gekoppeld aan een helder doel en strikte toegang) wordt volgens de GBA niet voldoende gewaarborgd.
Vooral het digitale communicatieplatform TRIO krijgt het zwaar te verduren. De GBA stelt vast dat dit platform vandaag geen duidelijke wettelijke basis heeft, terwijl het ontwerp-KB er toch gevoelige verwerkingen aan toevertrouwt. Het gaat onder meer om medische adviezen, arbeidsgeschiktheidsoordelen en re-integratieverslagen. Zonder aparte wet of expliciete regeling is dat volgens de toezichthouder niet verenigbaar met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR). De GBA vraagt dan ook met klem om een aparte, duidelijke wettelijke regeling voor TRIO, inclusief afbakening van rollen, toegangsniveaus, bewaartermijnen en logging van dataverkeer.
Kortom: zoals ik het interpreteer, waarschuwt de autoriteit dat het huidige ontwerp juridisch op drijfzand rust, en vraagt een fundamentele bijsturing. Niet om samenwerking tussen artsen onmogelijk te maken, maar om die samenwerking op een veilige, rechtszekere en transparante manier te laten verlopen.
Is de timing nog realistisch?
Op papier blijft 1 januari 2026 de voorziene inwerkingtredingsdatum van het nieuwe re-integratiekader. Maar na het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit is het duidelijk dat het ontwerp-KB RIT 3.0 nog niet in definitieve vorm is. De administratie (FOD WASO — HUA) moet het ontwerp nu aanpassen op basis van de kritische opmerkingen van zowel de GBA als de sociale partners uit de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk (zie ook mijn eerder artikel daarover).
Daarbij komt dat ook de beleidscel van minister Clarinval zich opnieuw over de tekst moet buigen. En omdat het ontwerp-KB deel uitmaakt van een breder federaal activeringsbeleid, is het niet uitgesloten dat andere regeringspartijen extra eisen zullen stellen. Hoewel codexbesluiten normaal niet door de hele federale regering besproken worden, lijkt dit dossier wél politiek gevoelig. Dat kan bijkomende vertraging veroorzaken.
Als de wijzigingen ingrijpend zijn (wat me gezien het GBA-advies waarschijnlijk lijkt) moet het ontwerp bovendien opnieuw voor advies naar de Raad van State. Dat zou betekenen dat de finale publicatie in het Belgisch Staatsblad niet voor morgen is.
Toch betekent dit niet noodzakelijk dat de voorziene startdatum van 1 januari 2026 in het gedrang komt. Als de aangepaste tekst in de herfst klaar is en de implementatiebepalingen op tijd worden gecommuniceerd, blijft die datum haalbaar. Maar het is duidelijk: de tijd wordt krap, en elke bijkomende politieke discussie of technische onduidelijkheid maakt uitstel waarschijnlijker.
Vertrouwen vraagt garanties
De ambitie om re-integratie vlotter en effectiever te maken, is zeker verdedigbaar. Maar hervormen zonder duidelijke spelregels rond gegevensdeling en privacy is riskant. Vertrouwen, zowel van werknemers als tussen artsen, ontstaat alleen als er transparante, juridisch robuuste kaders zijn.
Voor werkgevers betekent dit: bereid je voor, maar anticipeer niet te hard. Zet in op goede communicatie, een mensgericht beleid en realistische verwachtingen. En blijf alert op hoe het definitieve KB eruit zal zien. De komende maanden zullen bepalend zijn.