
Bij blootstelling aan mazelen telt elke dag. Voor personen uit risicogroepen die geen mazelenvaccin mogen krijgen (zoals jonge baby’s, zwangere vrouwen of immuungecompromitteerde personen) kan intraveneuze toediening van immunoglobulinen (IVIG) binnen de zes dagen na blootstelling ernstige ziekte helpen voorkomen. Maar die aanpak is niet vanzelfsprekend.
Mazelen: een oude bekende met nieuwe risico’s
Mazelen lijkt misschien een kinderziekte uit het verleden, maar dat is een gevaarlijke misvatting. De ziekte is extreem besmettelijk, verspreidt zich via de lucht en leidt nog steeds tot ernstige complicaties; vooral bij wie geen bescherming heeft via vaccinatie of natuurlijke immuniteit. België kende in 2024 opnieuw een piek in het aantal gevallen, voornamelijk bij jonge kinderen.
Preventie via vaccinatie blijft de basis van elk mazelenbeleid. Maar wat als dat niet mogelijk is? De Hoge Gezondheidsraad (HGR) adviseert in advies nr. 9878 in detail over het gebruik van IVIG als post-expositieprofylaxe (PEP) voor kwetsbare groepen.
Voor wie is PEP met immunoglobulinen aangewezen?
De richtlijn van de HGR richt zich op volgende risicogroepen:
-
Zuigelingen jonger dan 6 maanden, die nog geen vaccin mogen krijgen
-
Zwangere personen, voor wie het levende MBR-vaccin (mazelen-bof-rubella) is tegenaangewezen
-
Personen met ernstige immuunstoornissen, die geen levende vaccins mogen krijgen
In deze groepen kan IVIG overwogen worden binnen zes dagen (144 uur) na blootstelling aan mazelen. De aanbevolen dosis is 400 mg/kg lichaamsgewicht, intraveneus toegediend.
Maar… er zijn belangrijke kanttekeningen
De theorie is helder. De praktijk? Die zit vol haken en ogen:
-
Geen geregistreerde indicatie: De meeste IVIG-producten in België zijn niet officieel goedgekeurd voor gebruik tegen mazelen. Gebruik is dus “off-label”.
-
Logistieke drempels: Een IV-toediening vraagt ziekenhuisinfrastructuur, zeker bij baby’s. Bovendien moet je snel zijn.
-
Tijdelijk effect: De bescherming van IVIG houdt maar 1 à 2 maanden aan, terwijl na IVIG de vaccinatie met MBR 6 tot 8 maanden uitgesteld moet worden. In een epidemische context kan dat extra risico opleveren.
Klinisch beslissen = wikken en wegen
De HGR beveelt aan om de toediening van IVIG per geval te evalueren, in overleg met artsen, ouders of patiënt. Belangrijke overwegingen zijn:
-
Hoe groot was de blootstelling? (bv. thuiscontact vs. korte ziekenhuisblootstelling)
-
Wat is de immuniteitsstatus van de moeder (bij baby’s)?
-
Hoe kwetsbaar is de patiënt (bv. prematuriteit, co-morbiditeiten)?
Het advies benadrukt dat serologische testing van moeder of kind soms een nuttig extra element is, maar in de praktijk niet altijd tijdig beschikbaar is.
Hoe effectief is IVIG eigenlijk?
De wetenschappelijke literatuur bevestigt dat post-expositie IVIG werkt – als het op tijd en in de juiste dosis wordt gegeven. Effectiviteit varieert tussen 75% en 100% afhankelijk van het product, de toedientijd en de populatie. Maar de beschikbaarheid van mazelen-specifieke immunoglobulines is beperkt. De meeste producten zijn niet getest op de aanwezigheid van voldoende mazelen-antilichamen.
Een studie uit Oostenrijk in 2021 vond echter geen enkel geval van mazelen bij 63 zuigelingen die IVIG kregen na blootstelling. De 2 baby’s die het weigerden, werden ziek. Geen toeval.
Wat moet de preventieadviseur hiermee?
Hoewel het medische luik bij de behandelende artsen ligt, kan de werkgever in een ondersteunende rol veel betekenen:
-
Snelle melding: Verdachte gevallen moeten onmiddellijk gemeld worden aan de regionale gezondheidsautoriteiten. Zo kan contactonderzoek snel starten.
-
Communicatie naar personeel en ouders: Voorlichting over symptomen, vaccinatiestatus en wat te doen bij contact.
-
Faciliteren van medische opvolging: In bedrijven met jonge moeders of immunogevoelige werknemers, kan een proactieve benadering het verschil maken.
Reflectie: snel of juist?
Post-expositieprofylaxe is een race tegen de klok, maar geen reden tot paniek. Dit advies van de Hoge Gezondheidsraad geeft houvast én nuance. Niet iedereen heeft IVIG nodig, maar voor sommigen kan het levensreddend zijn. De echte uitdaging ligt in snelle triage, goede informatie en samenwerking tussen alle betrokkenen.
Tot slot: enkele praktische vragen om mee te nemen
-
Hoe snel kun je bij een vermoeden van mazelen de juiste actoren mobiliseren?
-
Heb je zicht op de vaccinatiestatus van risicogroepen in je organisatie (kinderopvang, zorginstellingen)?
-
Is er een draaiboek voor infectieziekte-uitbraken, inclusief procedures voor melding en opvolging?
Wil je meer weten? De volledige richtlijn is terug te vinden via deze link (wel enkel in het Engels).