Artikel

Meer doen met evenveel: wat België kan leren van het Franse model voor preventiediensten

Frankrijk heeft eind september het nieuwe referentiebedrag bekendgemaakt voor hun interbedrijfspreventiediensten (SPSTI): 116 euro per werknemer per jaar. Dat is nauwelijks hoger dan de 115,50 euro van vorig jaar, terwijl het aantal begeleide werknemers en de dienstverlening toenamen. Achter dat ogenschijnlijk droge cijfer schuilt een duidelijke beleidslijn: preventie efficiënter maken zonder kwaliteitsverlies. En precies daar ligt ook voor België een les, nu we volop nadenken over verschuiven van het takenpakket van de arbeidsartsen en taakdelegatie naar verpleegkundigen.

Eén bedrag, maar een duidelijk kader

In Frankrijk bepaalt de overheid jaarlijks het gemiddelde nationale kostenbedrag voor het basisaanbod van de SPSTI-diensten. Voor 2026 ligt dat dus op 116 euro per werknemer. Elke dienst moet zijn bijdragen binnen een marge van twintig procent houden: tussen 92,80 en 139,20 euro. Het gaat daarbij niet om de prijs van een medische raadpleging, maar om het totaalpakket van preventie- en gezondheidsactiviteiten; van risicoanalyse en gezondheidstoezicht tot re-integratiebegeleiding.

Het doel van die regeling is eenvoudig: transparantie en coherentie. Elke werknemer in Frankrijk moet, ongeacht de werkgever of regio, kunnen rekenen op een gelijkaardig basisniveau van preventieve dienstverlening. Het systeem werkt als een “tunnel”: voorspelbaar voor werkgevers, maar tegelijk een stimulans voor efficiëntie bij de preventiediensten zelf.

Het Belgische model: complexer, maar ook verfijnder

In België werkt men met minimumtarieven per werknemer in vijf risicogroepen, gekoppeld aan de grootte en aard van het bedrijf. Kleine werkgevers krijgen een basispakket dat onder het forfait valt, inclusief de kernopdrachten van risicoanalyse, gezondheidstoezicht en begeleiding van comités (wanneer van toepassing). Grotere werkgevers werken met preventie-eenheden, die worden toegewezen aan disciplines volgens wegingsfactoren: één eenheid telt bijvoorbeeld zwaarder voor een arts (1,25) dan voor een verpleegkundige (0,75).

Dat systeem is complexer, maar laat meer differentiatie toe. Het houdt rekening met risico’s, bedrijfstype en sector. En het maakt de inzet van verschillende profielen (artsen, verpleegkundigen, ergonomen, pa-psy’s, …) concreet meetbaar.

De (vermoedelijke) tarieven voor 2026 heb ik begin september al aangekondigd in een eerder artikel.

Twee systemen, één uitdaging: efficiëntie zonder verschraling

Beide landen proberen dezelfde spagaat te vermijden: hoe meer werknemers bereiken zonder de zorg te verwateren. Frankrijk doet dat via een strak financieel kader; België via een fijnmazige combinatie van tarieven, pakketten en kwaliteitsverplichtingen.

Het Franse model dwingt budgetdiscipline af, maar riskeert onderfinanciering in regio’s of sectoren met duurdere profielen. Het Belgische model biedt meer flexibiliteit, maar vraagt sterk management en transparante registratie om te vermijden dat middelen verdampen zonder aantoonbare impact.

De onderliggende vraag is dezelfde: hoeveel waarde creëren we per euro aan preventie?

Taakdelegatie als hefboom

In dat licht is de Belgische oefening rond taakdelegatie naar verpleegkundigen bijzonder relevant. De bestaande wegingsfactoren en preventie-eenheden bieden een ideale basis om die herverdeling van taken te onderbouwen. Verpleegkundigen kunnen routinematige of gestandaardiseerde stappen opnemen (zoals anamnese of triage), waardoor artsen zich kunnen concentreren op complexe beoordelingen en re-integratietrajecten.

Het Franse model geeft daar minder houvast: het focust op de totale kost, niet op de interne verdeling van competenties. België heeft met zijn eenhedensysteem precies het instrumentarium om efficiëntie te meten én te sturen op kwaliteit.

Reflectie: meten we de juiste dingen?

De Franse overheid meet jaarlijks de gemiddelde kost per werknemer. België meet vooral aantallen, prestaties en wettelijke conformiteit. Maar meten we ook de maatschappelijke opbrengst?

  • Hoeveel arbeidsverzuim wordt effectief voorkomen?

  • Hoeveel werknemers worden sneller of duurzamer gere-integreerd?

  • En hoeveel tijd gaat naar preventie in plaats van administratie?

Het gevaar van elk financieringssysteem is dat de focus verschuift van impact naar input. Een euro preventie heeft pas waarde als hij voelbaar wordt in het welzijn van werknemers én de werkbaarheid van jobs.

Vijf aanbevelingen voor de toekomst

  1. Gebruik Frankrijk als spiegel, niet als sjabloon. Hun eenvoud heeft voordelen, maar België heeft terecht gekozen voor meer differentiatie.

  2. Maak de impact zichtbaar. Gebruik elektronische registraties niet enkel voor controle, maar voor feedback: waar boeken verpleegkundigen tijdswinst of betere opvolging?

  3. Veranker taakdelegatie in kwaliteit. Zorg dat elke gedelegeerde handeling gekoppeld is aan duidelijke opleiding, validatie en feedback.

  4. Stimuleer preventiediensten om te benchmarken. Hoeveel eenheden worden besteed aan rechtstreeks contact versus administratie? Efficiëntie begint met weten waar de tijd naartoe gaat.

  5. Vertaal kosten naar waarde. Toon aan werkgevers dat elke euro bijdraagt aan gezondere, meer betrokken medewerkers. Dat is de taal die preventie geloofwaardig maakt.

Slot

Frankrijk bewijst dat je preventie kunt sturen met een helder financieel kader. België bewijst dat je kwaliteit kunt garanderen via structuur en differentiatie. De uitdaging is om die twee te combineren: efficiëntie mét menselijkheid, controle mét vertrouwen.