Een wetsontwerp voor afschaffen van de immuniteit voor derden, verantwoordelijk voor de blootstelling aan asbest: het NAR geeft een negatief advies.
Asbest werd voornamelijk gebruikt als brandwerend middel en voor warmte-, thermische en geluidsisolatie. België behoorde decennialang bij de grootste asbestverbruikers van de wereld. In 1998 kwam er een gedeeltelijk verbod en sinds 1 januari 2002 is het algemeen verboden om asbest-toepassingen te ontwikkelen of te gebruiken.
Het Asbestfonds (AFA) werd in 2008 opgericht om de asbestslachtoffers die niet vergoed worden door Fedris, het voormalige Fonds voor Beroepsziekten, toch tegemoet te komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om zelfstandigen, of omgevingsslachtoffers die in hun woning in aanraking komen met asbest of in de buurt wonen van een asbestverwerkend bedrijf. Asbestslachtoffers die een vergoeding van het Asbestfonds krijgen, kunnen echter geen gerechtelijke stappen meer ondernemen tegen het bedrijf dat hun ziekte veroorzaakt heeft.
Op 20 juni 2019 heeft mevr. Valérie Van Peel (N-VA) een wetsontwerp ingediend om de eerste twee paragrafen van artikel 125 van die programmawet op te heffen. Dit zou tot gevolg hebben dat de burgerrechtelijke immuniteit verdwijnt die momenteel geldt voor de derde die verantwoordelijk is voor de blootstelling aan asbest. Concreet zou het wetsvoorstel inhouden dat onderstaande leden 1 en 2 van artikel 125 van de programmawet (I) van 27 december 2006 worden afgeschaft:
§ 1. Het slachtoffer en zijn rechthebbenden die schadeloos werden gesteld bij toepassing van dit hoofdstuk of van een gelijkaardige buitenlandse wetgeving voor één van de ziekten bedoeld in artikel 118, kunnen geen beroep instellen tegen de aansprakelijke derde voor de schade, en dit met inbegrip van zijn eventuele aangestelden of lasthebbers, met als doel een integrale schadeloosstelling daarvoor te verkrijgen voor zover dat deze laatste onder het toepassingsgebied van de uitvoeringsbesluiten van artikel 116, 2° en 3°, valt.
§ 2. In afwijking van § 1, blijft de burgerlijke rechtsvordering mogelijk ten voordele van het slachtoffer of zijn rechthebbenden tegen de aansprakelijke derde wanneer laatstgenoemde de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt. Iedere derde aansprakelijke die het slachtoffer heeft blijven blootstellen aan het risico van bloostelling aan asbest terwijl een Belgische overheid hem een bevel met betrekking tot asbest of met een weerslag op de blootstelling aan asbest heeft gegeven en waaraan geen gevolg wordt gegeven of waarnaar hij zich niet strikt voegt en dit binnen de vastgestelde termijn, wordt beschouwd als een persoon die de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt.
Op 17 juni 2021 heeft mevrouw E. Tillieux, voorzitster van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, het advies van de Nationale Arbeidsraad gevraagd. Dat is er gekomen op 28 september 2021, met de volgende bezwaren tegen een dergelijke wetswijziging.
Sinds de oprichting van het Asbestfonds hebben de leden van het beheerscomité steeds vastgehouden aan het basisbeginsel van de civielrechtelijke immuniteit, een standpunt dat overeenkomt met dat van de sociale partners in het kader van de Nationale Arbeidsraad. Opheffen van deze immuniteit heeft de volgende consequenties:
· Dit voorstel vormt een gevaar voor het voortbestaan van het Asbestfonds, aangezien het een van de elementen die aan de oprichting ervan ten grondslag lagen, namelijk de civielrechtelijke immuniteit van de werkgevers en de staat, ter discussie stelt. Dit element vormt de tegenhanger van de financiering van het Fonds door laatstgenoemde. Aangezien deze elementen één geheel vormen, zou het voorstel tot opheffing van de civiele immuniteit gevolgen kunnen hebben voor de financiële middelen waarover het Fonds beschikt om zijn opdrachten uit te voeren;
· Hoewel de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen tegen de onderneming die verantwoordelijk is voor de blootstelling aan asbest, een stap vooruit lijkt voor het slachtoffer en zijn erfgenamen, is deze mogelijkheid zeer theoretisch gezien de duur van de gerechtelijke procedure, de bewijslast en de rechtsonzekerheid waarmee rekening moet worden gehouden, die nog wordt versterkt door het feit dat er tientallen jaren liggen tussen de blootstelling aan asbest en de ontwikkeling van de ziekte, waardoor het zeer moeilijk is de verantwoordelijke persoon aan te wijzen en te vervolgen;
· Ten slotte zou het rechtszekerheidsbeginsel worden ondermijnd doordat het een precedent zou vormen voor de latere strafbaarstelling van gedragingen, waardoor een algemeen beginsel van de rechtsstaat, namelijk de rechtszekerheid, zou worden ondermijnd. Dit grondbeginsel beoogt met name burgers en ondernemingen te beschermen door te garanderen dat wat op een bepaald moment was toegestaan, later niet door een nieuwe wet kan worden gesanctioneerd.
Ook benadrukt de NAR dat dit voorstel het door de Raad van State aangekaarte discriminatiegevaar niet beantwoordt, aangezien de asbestslachtoffers die zich richten tot hetzelfde Fonds niet dezelfde beroepskansen hebben en dus niet dezelfde vergoedingskansen, met name een forfaitaire vergoeding in het geval van een werknemer en een volledige vergoeding voor het milieuslachtoffer.
Hoewel het Beheerscomité openstaat voor elk voorstel dat kan leiden tot een betere vergoeding van de schade die asbestslachtoffers hebben geleden, stellen ze vast dat het huidige voorstel geen ruimte biedt voor een dergelijke verbetering. De eisers zouden dan namelijk gedwongen zijn hun toevlucht te nemen tot lange en moeizame juridische procedures waarvan de uitkomst altijd onzeker is. Het asbestfonds in de huidige vorm, waarvan de schadeloosstellingsopdrachten nog zijn uitgebreid met preventie en slachtofferhulp, is dus volgens het beheerscomité nog altijd het beste antwoord voor asbestslachtoffers.
Bron
Website CNT-NAR: Advies nr. 2.244 (pdf) http://www.cnt-nar.be/ADVIES/advies-2244.pdf